‘Zal ik zo doorgaan?’

De toneelavond begint met een telefoongesprek dat snel in de ongemakkelijke stand van geldzorgen en bedelen terechtkomt.

Medium toneel

De stemmingswisselingen van de man die belt wijzen op ontregeling, instabiliteit – oorzaak: drank, zo blijkt later. De man – Ernst, gehuwd met de doodzieke Lena, vader van twee zoons, Ingemar en John – is een nagenoeg failliete hoteleigenaar en een alcoholist die het van zichzelf niet weten wil. En neem van mij aan: dat zijn de ergste. We beleven een bloedhete zomerdag (en avond). Moeder krijgt van haar arts te horen dat ze is opgegeven. Zoon John, schrijver en dichter, is voor het eerst in tijden weer thuis. Dus maakt de familie van de gelegenheid gebruik elkaar van alles te ontfutselen, brokstukken waarheid misschien, of flarden zicht op een toekomst.

Het stuk heet Stilte, het is van Lars Norén (1944), de Zweedse schrijver die in de jaren tachtig en negentig in Nederland niet van het toneelrepertoire te branden was en die nu al een poos vergeten lijkt. Stilte werd in 1986 voor het eerst gespeeld in de vertaling en de regie van Karst Woudstra. Hein van der Heijden speelde indertijd zoon John, nu speelt hij vader Ernst. Het stuk is door regisseur Olivier Diepenhorst tot een derde van de oorspronkelijke (onmogelijke) lengte teruggebracht.

Norén is een uitbener. Hij stuurt de kapotte levens van kapotte mensen een uitgewoond hol in en laat ze elkaar daar afkluiven. Er zit er altijd wel eentje tussen die de boel glashard bij elkaar liegt. Dat is hier de vader, voor ons onzichtbaar lurkend aan een fles in het vooronder van zijn zinkend schip. Hein van der Heijden heeft een verbluffend mooie _Untergang des Abendlandes-_drinkebroer in huis, die aan de lopende band iets aan het verbergen is – Ernst is zelf vergeten wát precies. Er is bij Norén ook altijd iemand die de dood in de ogen kijkt en daar verfrissend nuchter onder is gebleven. Hier is dat moeder Lena, die in de verklanking van Tamar van den Dop als een frêle maar oergeestig spook door dit horrorkabinet dwaalt. Chiem Vreeken toont Ingemar, de zoon die alles bij elkaar wil houden, althans totdat de moeder is gestorven. Daarna is zijn primaire optie de gehate vader te laten verrekken. Het is zeer de vraag of hem dat gaat lukken.

En dan de dichter-zoon John. Sander Plukkaard doet erg zijn best om het raadsel rond deze jongen te vergroten. Is hij een poseur? Neemt hij wraak? Is zijn kunstenaarschap een leugen? Plukkaards creatie van John ontfladdert de toeschouwer vrijwel permanent. Hij is misschien wel de meest wanhopige van het stel. ‘Zal ik zo doorgaan? Is dit mijn leven?’ vraagt hij aan het eind. In het origineel staat er nog een zinnetje achteraan: ‘Al die kleingedrukte gruwelen!’

John is de mislukte schrijver die zichzelf als performer wilde verhuren voor een echte kruisigingsdood die verfilmd zou worden. Dat blijft een fascinerend element van dit stuk, van Norén eigenlijk: de voorstelling als zelfmoord. ‘En dat jullie dan naar me zouden komen kijken’, zegt John. En dat dan weer een grap noemen. Neen, Norén is geen auteur voor drie keer in de maand. Maar deze nieuwe blik op Stilte, die smaakt naar meer.


Stilte door Toneelschuurproductiesspeelt tot eind april door het hele land