‘Zal ze ooit haar mond houden?’

ZE GING ERMEE het graf in, zoals ze al had aangekondigd. De opvallende zilveren ring die Simone de Beauvoir in 1947 door de Amerikaanse schrijver Nelson Algren om haar linkermiddelvinger kreeg geschoven, deed ze nooit meer af. ‘Ondanks alles wat er later gebeurde’, vertelde ze begin jaren tachtig aan haar biografe Deirdre Bair. Andere dingen die ze van hem had gekregen, gingen hun eigen weg.

Zo vond een journalist in 1988 tussen de tweedehands boeken in een Newyorks stalletje een wel heel bijzonder exemplaar van Algrens roman Never Come Morning (1942). Op de titelpagina had iemand een gedicht geschreven: ‘Dit boek geef ik je mee/ Dat het mag gaan/ Waar jij zult gaan:/ Langs het prevelend avondlicht/ Van luisterrijke straten/ In jouw eigen Frankrijk.’ De laatste twee regels nemen ieder restje twijfel weg over de auteur en aan wie hij met dit vers zijn boek opdraagt: 'Simone, breng er dit vers van mij,/ Zo blijft een stuk van mij bij je.’
Ooit drupten haar tranen op deze regels. Om precies te zijn op 17 mei 1947, in het vliegtuig dat haar van New York via Newfoundland naar Parijs terugbracht van haar tournee door de Verenigde Staten. Van de tussenlanding maakt ze gebruik om haar eerste liefdesbrief aan haar 'lieve provinciaaltje’ te posten. Een paar maanden daarvoor had ze hem ontmoet in zijn woonplaats Chicago. 'Wie is die Simon Boe-doir eigenlijk?’ vroeg Algren toen een wederzijdse kennis de ontmoeting tussen hen arrangeerde. En achteraf, in 1980, over het begin van de relatie die hem uiteindelijk verbitterd achterliet: 'Ik begreep geen woord van wat ze zei. Later verzekerde ze me dat ze ook van mij geen woord had kunnen verstaan.’
Meer in het fysieke bleken er weinig misverstanden te rijzen. Simone de Beauvoir is 39, één jaar ouder dan Nelson Algren, en beleeft bij hem haar eerste 'volledige’ orgasme. 'Ik wist niet hoe intens hartstochtelijk man en vrouw elkaar konden beminnen.’ De laatste twee weken van haar tournee brengt ze met hem in New York door, in bed.
SYLVIE LE BON de Beauvoir, de aangenomen dochter die de papieren van haar 'moeder’ beheert, weet het mummificeringsproces van de Sartre-De Beauvoir-historie telkens weer een halt toe te roepen door met iets voor de dag te komen dat verloren gewaand was of strikt privé werd geacht. Zo kwamen in 1990, vier jaar na de dood van De Beauvoir, plotseling de brieven in de openbaarheid die Simone de Beauvoir vanaf 1930 tot aan 1963 aan Sartre had geschreven, brieven waarvan De Beauvoir zelf altijd had beweerd dat er niet één bewaard was gebleven. Een des te grotere verrassing, omdat vooral de brieven uit de beginperiode met Sartre een totaal ander licht wierpen op haar seksuele moraal. Leek het aanvankelijk particulier-pervers sadisme van Sartre om de studentes van De Beauvoir in bed te krijgen, uit de brieven bleek opeens dat ook Castor (zoals De Beauvoir door Sartre en andere intimi werd genoemd) van wanten wist. Alles wat ze zelf over deze periode in haar leven naar buiten had gebracht, bijvoorbeeld in de dikke delen memoires, bleek op zijn zachtst gezegd gekuisd, maar juister geformuleerd verdraaid te zijn.
De uitgave van de brieven aan Algren voegt wederom een ongerijmd stukje De Beauvoir aan de geschiedenis toe. De brieven aan Algren zijn vooral opzienbarend omdat ze het mogelijk maken Simone de Beauvoir op de voet te volgen in haar bewustwording van zichzelf als 'de ander’. Haar groeiende sensitiviteit ten aanzien van haar vrouwzijn vindt zijn gesublimeerde vorm in haar interessantste en invloedrijkste werk, De tweede sekse (1949), en in haar meest geslaagde roman, De mandarijnen (1954). De brieven gaan daaraan vooraf. Ze zijn de pure weerslag van een ontmoeting die alles wegheeft van een oermoment: 'Me Jane, you Tarzan.’ Jane en Tarzan tooien zich dit keer met de exotische namen 'kikkervrouw’ en 'krokodil’ ('femme-grenouille’ en 'crocodile’). Jammer genoeg heeft Sylvie Le Bon het nodig geacht het hartroerend onbeholpen Engels van De Beauvoir om te zetten in een onkreukbaar soort Frans, zonder in haar annotaties ook maar te reppen van enige interpretatie- of vertaalproblemen.
In de tijd dat De Beauvoir hem ontmoet, heeft Nelson Algren twee romans op zijn naam staan. Zijn bekendheid dankt hij vooral aan het boek waarmee hij twee jaar later de Pulitzer Prize zal winnen, The Man with the Golden Arm (1949). Het wordt vertaald (ook in het Nederlands) en zelfs verfilmd. 'Een sentimentele Frank Sinatra-draak’ volgens Algren, die de dingen niet gauw van de zonnige kant beziet.
Het feit dat De Beauvoir weigert definitief voor hem en Amerika te kiezen, wakkert Algrens permanent-latente woede over alles en iedereen alleen maar aan. Die warmbloedigheid heeft ook zijn positieve keerzijde. In brieven en pakjes overlaadt hij haar met cadeautjes, attenties en knipseltjes. Als ze bij hem is, pakt hij haar vast, danst met haar en sleurt haar mee naar de slaapkamer. Kortom: een echte man. Een macho, die zich bij voorkeur in de sloppenwijken van Chicago begeeft en aan de bar hangt om de levensverhalen van hoeren, junkies en andere drop-outs aan te horen. In zijn spierballenverhalen bericht hij over dit leven 'on the wild side’. Hij drinkt, gokt bij de paardenraces en is gek op boksen. Buiten dat verklaart hij zich altijd bereid iemand 'er eens flink van langs te geven’. Nog jaren na zijn bezoek aan de Sartre-De Beauvoir-familie in Parijs luidt de gevleugelde uitspraak in en rond Café le Flore als iemand vervelend is: 'Haal Algren!’
VOOR SARTRE was De Beauvoirs hartstocht van het begin af aan voornamelijk verbaal. Hun seksuele relatie was al na een paar jaar voorbij. Sartre hield er een ingewikkeld netwerk van vaste vrouwen en losse contacten op na en De Beauvoir had ook zo haar affaires. Met elkaar sloten ze een contract af, naar een idee van Sartre: 'Wat wij hebben is een essentiële liefde. Daarnaast kunnen we contingente liefdesaffaires ervaren.’
In het begin werd dit contract iedere twee jaar vernieuwd, maar na verloop van tijd was dat niet meer nodig. Hun verbond was levenslang. Aanvankelijk verliep de relatie met Sartre zoals Simone zich dat als kind als ideaal had voorgesteld: een zonnige kamer, met twee bureaus naast elkaar, waar zij en haar man tevreden zouden zitten te werken. Er kwamen echter steeds hardnekkiger stoorzenders. Andere vrouwen eisten Sartre voor zich op. De Beauvoir had er een dagtaak aan om hem af te schermen van alle studentes die door hem werden ontmaagd en die daaraan hoop op een vervolg ontleenden. Achteraf komt ze zelf met een nogal malle verklaring voor het feit dat ze zich met deze klus liet opzadelen. Ze zou hem niet hebben willen confronteren met 'de pijnlijke realiteit, of liever gezegd met zijn idee dat hij gruwelijk lelijk was’. 'Onbewust’ dacht ze hem vele excessen te hebben vergeven om te voorkomen dat hij over zichzelf nadacht.
Uit de sussende toon die De Beauvoir herhaaldelijk aanslaat in haar brieven aan Algren en de omstandige uiteenzettingen over wat Sartre voor haar betekent, kan worden opgemaakt dat de relatie Sartre-De Beauvoir voor Algren een bron van frustratie en onbegrip vormde. 'Nelson mijn liefste. Mijn dierbaarste man.’ Na uitvoerige verklaringen van haar liefde voor hem, wringt ze zich steevast in alle bochten om uit te leggen dat ze niet bij hem kan komen wonen.
IN DE ZOMER van 1948 maken ze samen een lange reis over de Mississippi en naar Mexico en Guatemala. Deze 'huwelijksreis’ bereiden ze samen tot in de puntjes voor. 'We zouden de organisatie moeten opsplitsen’, schrijft Simone. 'Jij neemt de nachten en dan gehoorzaam ik jou, en ik zeg wat we overdag gaan doen en dan gehoorzaam jij mij.’ In New York laat ze kort daarvoor een pessarium plaatsen, iets wat in Frankrijk nog illegaal was. 'In ons leven en in ons bed is er geen plaats voor voorzichtigheid.’ Het wordt een zeer gelukkige reis, waarna het voor Algren des te meer onverteerbaar is dat Simone, zelfs eerder dan afgesproken, weer naar haar Parijse leven afreist. Sartre heeft haar immers nodig, als critica, klankbord, redactrice, organisatrice en buffer. 'Nee, ik ben niet zijn eigendom’, reageert ze op Algrens aantijgingen. 'We hebben alleen elkaar ons hele leven lang geholpen.’
Algren vond het verhaal van de essentiële en contingente liefde onbegrijpelijk: 'Iets wat Amerikaanse hoertjes simpeler aanduiden als buiten de deur neuken.’ Hij was erg nieuwsgierig naar Sartre, over wie hij in een van zijn verhalen schreef dat hij 'ondanks zijn sjofele en ondermaatse voorkomen even gemakkelijk vrouwen versierde als Cary Grant’. Als hij in mei 1949 door een vrolijk babbelende Sartre aan de Parijse intelligentsia wordt voorgesteld, wordt zijn oordeel er niet milder op. 'Als ik hem op straat zou passeren zonder hem te kennen, zou ik hem voor een opgewekte sjacheraar hebben versleten, blijmoedig ten ondergaand aan zijn handeltje in herenondergoed’, schrijft hij in een van de verhalen in Who Lost an American? (1960), een bundel die hij opdraagt aan Simone de Beauvoir. Dat hij het nooit kon winnen van 'dit sjofele mannetje’ was hem inmiddels wel duidelijk.
Toch heeft Nelson Algren het wereldbeeld van Simone de Beauvoir danig doen wankelen. Allereerst door een niet-vermoede 'vrouwelijke’ kern in haar te beroeren. Door Algren werd De Beauvoir deel van een traditioneel man-vrouwkoppel, iets wat ze altijd een belachelijk bedenksel had gevonden, iets voor 'damesromannetjes’. Haar brieven staan bol van seksuele toespelingen, zware dromen, lichamelijke verlangens. Ze mist zijn lippen, zijn handen, zijn geur… Ze kust de foto’s die hij haar stuurt, schrijft alleen nog maar met de rode vulpen die hij haar geeft.
De Beauvoir, die zichzelf haar leven lang lelijk vond en van de weeromstuit nooit veel aandacht aan haar uiterlijk besteedde (die eeuwige tulband op haar hoofd diende om haar ongekamde haren te verbergen), liet haar gebit reviseren, ging op dieet, maakte lange wandelingen om haar buik kwijt te raken en schafte zowaar een paar nieuwe jurken aan. Ze doet kortom haar entree in de wereld die ze in De tweede sekse in het hoofdstuk 'De vrouw en de liefde’ zo gloedvol weet te beschrijven, met als sleutelzin: 'Zij haat zijn slaap.’ Met De mandarijnen schrijft ze het eerbetoon aan hun liefde; het werd dan ook aan hem opgedragen. 'Mijn lichaam stond op uit het dodenrijk’, zegt romanpersonage Anne als ze de Amerikaan Lewis heeft leren kennen. 'Ik bezat opnieuw borsten, een buik, een geslacht, vlees.’
DAARNAAST belandt De Beauvoir via Algren in totaal andere kringen dan waarin ze in Parijs verkeert. Ze leert een nieuw type vrouwen kennen, dat ze met verwondering gadeslaat. Voor iemand die het grootste deel van haar leven in hotelkamers woonde, haar koelkasten slechts vulde met ijsklontjes en whisky, in haar keukens potten en pannen uit het jaar nul liet verstoffen en geen plant met regelmaat van water kon voorzien, is het een bron van verbazing dat sommige vrouwen er blijkbaar tijd en energie in willen steken om het anderen naar de zin te maken. Je kunt immers toch ook in een café een borrel drinken en daarna in een restaurant wat eten? Ook verbaast ze zich over de gewilligheid waarmee deze vrouwen de luisterende rol op de achtergrond op zich nemen. Ze vindt dat Amerikaanse mannen maar in de watten worden gelegd.
De meeste vrouwen met wie De Beauvoir in Parijs omgaat, hebben zich wel verbonden aan mannen, maar dan als minnares, kameraad of kinderloze vrouw. Ze is ervan overtuigd dat Amerikaanse vrouwen hun intellectuele capaciteiten verbergen om aan de man te kunnen komen. Uitgebreid doet ze van haar observaties kond in artikelen en interviews voor Amerikaanse dagbladen, observaties die haar voor eeuwig belachelijk maken bij in Amerika wonende weldenkende dames als Hannah Arendt en Mary McCarthy.
ALGREN, deze 'schuchtere zuipschuit’, deze 'rare eenling’, deze 'vriendelijke wildeman’, gaf De Beauvoir wat ze nooit in één man verenigd dacht te kunnen zien: hartstocht, toewijding, genegenheid en intellectuele steun. Als ze op het vliegveld wacht om aan boord te kunnen gaan van het vliegtuig richting Frankrijk, worden er altijd op het laatste moment nog bloemen voor haar bezorgd, boeken, cadeautjes. Haar Parijse vrienden merken op hoe goed ze eruit ziet: energiek en stralend. Al haar vrije tijd brengt ze door met het schrijven van lange brieven aan haar 'man’ ('mon mari chéri’). Feitelijk loopt de correspondentie door tot in 1964, maar het echte schrijven, met een tweewekelijkse frequentie over en weer, speelt zich af tussen 1947 en 1951. Omdat ze zo veel moet uitleggen, staan de brieven vol bespiegelingen over hoe ze geworden is wie ze is. Ze schrijft uitgebreid over boeken en films, vaak naar aanleiding van zijn tips, over haar eigen werk, en later over de reizen die ze samen met Sartre op uitnodiging van zo'n beetje alle revolutionaire regimes ter wereld maakt.
De brieven van Algren aan De Beauvoir ontbreken. Zijn erfgenamen dachten in zijn geest te handelen door publikatie ervan te verbieden. Algren kon nooit begrijpen hoe De Beauvoir en Sartre gewoon door konden leven met al die blikken op hen gericht. Sterker nog: hoe ze zo tot in detail over zichzelf konden schrijven. Als hij van De Beauvoir de Franse uitgave van De mandarijnen krijgt toegestuurd, maakt hij goede sier met de opdracht die voorin staat, het enige dat hij kon lezen. Vlak onder 'à Nelson Algren’ schrijft hij in de exemplaren voor zijn vrienden: 'on account of/ becuz he is mah ideel!’ In de begeleidende brief had ze geschreven: 'Het is niet precies ons verhaal, maar het verhaal van een man die een beetje op jou lijkt en een vrouw die een beetje op mij lijkt.’ Toen hij twee jaar later de Engelse vertaling kon lezen, vond hij het niet zo grappig meer. Ze moest hem beloven nooit meer iets over hem te schrijven.
HET GROOTSTE deel van de jaren vijftig is de verhouding tanende. Eerst wordt de zaak nog even op de spits gedreven. Hij: 'Houden van een vrouw die niet van jou is, die andere dingen en personen laat voorgaan bij jou, zonder dat er sprake van is dat jij ooit op de eerste plaats komt, dat is onaanvaardbaar.’ Zij: 'Ik zou nog liever sterven dan Sartre in de steek laten.’
Algren hertrouwt met zijn eerste vrouw, om twee jaar later opnieuw van haar te scheiden. Er komt iets meer lucht in de betrekkingen, waardoor ze een vriendschappelijke toon weten te vinden. In 1952 is De Beauvoir 44 en 'oud’. Nooit zal ze meer liefhebben of liefgehad worden. Ze heeft de gedachte nog niet afgemaakt, of er komt een zeventien jaar jongere minnaar op de proppen: filmer/journalist Claude Lanzmann. 'Ik ben niet langer van jou, maar ik heb nog steeds tedere gevoelens voor je’, schrijft ze Algren.
Voor iemand als Simone de Beauvoir, die schreef uit een behoefte aan zelfanalyse, was het uitgesloten dat ze ergens bij voorbaat níet over zou schrijven. Tot die ontdekking komt ook Algren als hij het deel van haar memoires leest waarin hij figureert. In zijn bespreking van De druk der omstandigheden (1963) voor een Amerikaans tijdschrift haalt hij voor het laatst publiekelijk uit: 'Ze blaast een onbetekenende en al twintig jaar dode verhouding op tot een hartstocht van klassieke dimensies.’ Wanhopig eindigt hij zijn stuk: 'Zal ze ooit haar mond houden?’
Hìj doet er in ieder geval het zwijgen toe. Pokerend en drinkend gaat hij ten onder. Vlak voor zijn dood in 1981 verkoopt hij haar brieven aan de universiteit van Ohio.


Simone de Beauvoir, Lettres à Nelson Algren: Un amour transatlantique 1947-1964. Bezorgd, vertaald en geannoteerd door Sylvie Le Bon de Beauvoir, uitg. Gallimard, 611 blz., 365,60