Hoe presteert de UNHCR? (3)

Zambia en Angola: valse beloftes en misinformatie

CAZOMBO (Angola) — «Als ze me verteld hadden hoe het er hier voorstond, had ik me twee keer bedacht.» Bernard Musole zit op het dak-in-aanbouw van een betonnen hut. Hij kwam naar Angola met de bedoeling een cursus te doen en een baan te vinden, maar cursussen zijn hier niet en de banen lijken allemaal vergeven. Nu dekt hij daken om genoeg geld te vinden om terug naar Zambia te gaan en daar zijn opleiding af te ronden. Als zevenjarige vluchtte hij aan de hand van zijn moeder naar Zambia, nu is hij 23 jaar oud en terug in zijn geboorteland. Hij is een van de achttienduizend vluchtelingen die door de UNHCR vanuit Zambia naar Angola werden teruggeleid. Hij en andere repatrianten voelen zich door de UNHCR misleid.

In november 2002 tekenden Angola, Zambia en de UNHCR een overeenkomst die het mogelijk maakte dat Zambia’s Angolese vluchtelingen naar hun moederland konden terugkeren. Cazombo moet een goede plek zijn om een baan te vinden, dacht een aantal jonge mannen in het Zambiaanse vluchtelingenkamp Meheba. Ze verkochten hun bezittingen en haastten zich naar hun moederland om op tijd te zijn. Velen van hen hebben in Zambia een goede opleiding genoten en spreken na jaren ballingschap vloeiend Engels. Maar in het beloofde land, waar Portugees wordt gesproken, is dat weinig waard. «We worden gediscrimineerd. Ze schelden ons uit, zeggen dat we Zambianen zijn», verklaart Bernard. «‹Ben jij degene die hier mijnen ruimde zodat je nu kunt baden?› zeggen ze. Zij willen dat zij de banen krijgen omdat zij degenen waren die vochten.» «Hier is raciale segregatie», zegt een technicus: «Als je alleen leden van een bepaalde stam aanneemt, hoe kun je dan een land draaiend houden?»

In het Zambiaanse vluchtelingenkamp werd Angola beschreven als het paradijselijke moederland. Een land met een deugdelijke infrastructuur, rivieren vol vissen en akkers vol vruchtbare grond. Een rijke, goed georganiseerde natie voor een veel beter leven dan dat in hun tijdelijke onderkomen. De UNHCR verschafte een kleurrijke glansfolder voor degenen die wilden terugkeren. De informatie die de vluchtelingen voor vertrek naar Angola krijgen is miniem, zo niet misleidend. Het is een stuk slechter met Angola gesteld dan de terugkeerders werd verteld. Na 27 jaar burgeroorlog ligt het land braak. Er zijn nauwelijks ziekenhuizen en scholen, er is geen gevestigde gemeenschap. De wegen zijn kapot, de goederen schaars en de regering bekommert zich niet om het achterland. Mensen verkopen hun bezittingen zonder te weten dat de Zambiaanse kwacha’s die ze daarvoor krijgen in Angola waardeloos zijn, en dat zelfs met het juiste geld in de Oost-Angolese regio maar bitter weinig te koop is. Ze hadden hun geiten beter mee kunnen nemen. Scholieren merken beduusd dat ze teruggeplaatst worden van klas 8 naar klas 2 omdat ze de officiële taal van het land niet spreken. «Ik zou de mensen in Meheba willen vertellen hoe het hier echt is», zegt Bernard, «de mensen moeten weten dat alles is veranderd.»

Achterblijvers in Meheba vermoeden dat de UNHCR zich moedwillig liet gebruiken door de Angolese regering om voor de verkiezingen zo veel mogelijk regeringsgezinde Angolezen het land in te krijgen. Zij denken dat de repatriaties vanuit hun kamp begonnen, omdat het van oudsher de meeste regeringsgezinde vluchtelingen herbergt. Kelvin Shimo, woordvoerder van UNHCR Zambia, wijst deze verklaring van de hand: «De keus viel op Meheba vanwege de route: de weg van het kamp naar Cazombo werd als eerste vrijgegeven.» De beslissing of een gebied toegankelijk wordt verklaard of niet wordt volgens hem slechts bepaald door veiligheid en absorptiecapaciteit. Mijnenvelden moeten gemarkeerd zijn en het gebied moet voldoende voorzieningen hebben om nieuwe mensen op te vangen.

Inmiddels beschouwen de vluchtelingen, zowel de terugkeerders als de achterblijvers, de UNHCR als een symbool van valse beloftes. Zo veel wantrouwen maakt het werken in het kamp moeilijk. Een hulpverlener van een particuliere organisatie meent dat de VN het kamp nauwelijks meer durven betreden uit angst gestenigd te worden. Een achterblijver voorspelt dat er binnenkort een opstand uitbreekt.