Zandloper

‘Met de werkelijke boodschap van een boek komt slechts hij in aanraking die langzaam als over het strand langs de regels slentert en de stille golfslag van de taal beluistert.’ Dat schrijft Michal Ajvaz in het verhaal De kever, opgenomen in De terugkeer van de oude varaan en afzonderlijk in vertaling van Hank Geerts verschenen in de reeks Moldaviet van Voetnoot.

Het zijn van die handige boekjes die je in je binnenzak kunt steken voor een net wat al te lange rit met de S-bahn. Ajvaz is beïnvloed door Borges, zoveel is wel duidelijk in het korte verhaal. Er is een nogal hilarische en magistrale opening over de voetnoot, die niemand zou lezen, behalve dan een vriend van de verteller die zich bij elk sterretje naar de bodem van de pagina begeeft, langs de steile gevel van een hoge tempel klimmend naar ijskoud bergwater, het wier en de schelpdieren daarin van de muur verwijderend om die voetnoot te lezen, terwijl onophoudelijk ontelbare roofvissen hem bijten. Op die momenten is Ajvaz sterk, zijn overdrijvingen blijven binnen een gareel. Hij keert zich tegen de lezers die een boek lezen alsof ze per behaalde meter betaald worden. Uiteindelijk zijn zij de uilskuikens, die gehaaste lezers: ‘De treuzelaar haalt de snelste hardloper in.’

De verteller heeft uiteindelijk ook zelf een voetnoot te ontcijferen, maar er zit een kever op, die is met geen pen of wig van zijn plek te bewegen. Zodoende mist hij het adres voor een feest of een bruiloft waar hij eigenlijk al twintig jaar eerder had moeten verschijnen. Het is jammer dat Ajvaz absurdisme na absurdisme zet, hoezeer dat ook eigen moge zijn aan de Tsjechische vertelkunst, en boven op zijn borgesiaanse opening ook nog eens met Breton en Proust smijt. Wil die kever niet van zijn plek, dan is er een andere manier, er zijn via kledingkasten bij mensen thuis geheime gangen te vinden, die in de meeste gevallen ook niet tot die plek leiden waar hij wil zijn. De meest lyrische passage van het verhaal gaat weer over wat er in de zakken van de kledingstukken daar te vinden is, zoals wat er gebeurt als je gehaast je kaartje voor de S-bahn ergens vandaan moet toveren en al die rare vergeten dingen uit je zakken begint te halen die je op dat moment helemaal niet onder ogen wil hebben, laat staan onder de ogen van de controleur. Ajvaz stapelt absurdisme op fantasie, en allemaal op een humoristische manier, maar het is wel jammer als het net te melig blijft, zoals het feit dat de kever op een plek zit in een brochure uitgegeven door de Bond van Fokkers van Kleine Huisdieren. ‘Ik laat de teksten rijpen en van tijd tot tijd ga ik kijken wat erin gedijt’, zegt Ajvaz in de flaptekst van de Tsjechische editie van de verhalenbundel, aldus het nawoord van Hank Geerts. Dat klinkt goed, maar ook een beetje alsof het allemaal vanzelf gaat en de auteur in die wildgroei alleen maar af en toe even een kapmes hoeft te gebruiken om de boel op orde te brengen. Stukjes van die aanwas beginnen op een dier te lijken dat de snoeiende auteur met bambi-ogen aankijkt. De auteur gelooft ook dat dat dier door de rest van de tekst geliefd is, dus houdt zijn snoeimes in.

De Nederlandse dichter Willem Thies - dit lijkt op een harde knip na het voorgaande maar het is het smalle deel van een zandloper - publiceerde zijn derde dichtbundel Twee vogels één kogel. Die titel komt, met komma na vogels, een keer in de bundel voor. Aan het woord is een Koerd die zegt: ‘Als Saddam dood is, zijn Iraki’s en Koerden vrij.’ Twee vliegen in een klap, maar dan iets groter, concludeert Thies het gedicht. De bundel opent met de geboorte van een kind en daarmee de geboorte van de dood. Mooi is het als hij een aantal woningen bekijkt, ‘de kijkdozen’ in kijkt en huiskamers beschrijft, tot de voyeur in de dichter betrapt wordt: ‘Op de vensterbank van/ het hoekhuis een kind, zijn handen vormen kokers voor zijn ogen.’

Probleem in de observaties is de geslachtelijkheid van het bezittelijk voornaamwoord. Als twee emmers omgekeerd in de gracht zweven ‘boven zijn bodem’, moet dat op een bootje slaan dat daarin ligt. Is boot mannelijk? Het zal wel. Maar pal daarop laat iemand ‘zijn’ hond uit: ‘De lijn spant/ strak in zijn hand.’ Dat is drie keer zijn. Veel van de gedichten van Willem Thies gaan over de dood. De dood in een gevonden babymammoet die niet helemaal intact is (‘een hond is trouw/ ook aan zijn honger’) en ook expliciet: ‘de dood is stug als doorweekt,/ weer droog geworden leer.’ Als een vrouw rook oppot, denk ik bij dat pot even aan hasj, het gebeurt in een ‘geruisloos huis’. Wel weer mooi is dat ze het haar uit haar gezicht sleept - doordat de dichter het sterk aanzet zie je de vermoeidheid van het karakter dat hij beschrijft. Terwijl Thies van observaties uitgaat, is hij duidelijk bewust van de klanken die hij kiest om ze te omschrijven, zoals duidelijk is in de wending ‘Een krantenpagina kruipt tegen de glasplaat van een abri/ hecht zich vast als een plakkaat.’ Als hij het begin van een storm beschrijft, zet hij de lezer door zijn nuance aan het denken: ‘De lucht ontlaadt zich met het geluid/ van knappend ijs.’ Klinkt dat zo, of blijft het een benadering?

Twee vogels één kogel is vooral een exercitie in vormbeheersing. In zijn debuut Toendra stonden enkele rake gedichten. Hij won er de Buddingh'prijs mee, terwijl hij sterke concurrentie had van het langverwachte debuut van Thomas Möhlmann en de charmerende gedichten van Els Moors. Juryvoorzitter Anton Korteweg noemde Thies een Vijftiger. Waarom snap ik nog steeds niet goed. Thies is geboren in 1973 en richtte het punkrocktijdschrift Zeroxat op, lees ik op zijn website. Ik weet niet precies wat dat met Vijftig van doen heeft, of het moet zijn dat zijn tegendraadsheid de jury voor zich won. Zijn tweede bundel Na de vlakte was veel meer ingehouden en gestroomlijnd dan het debuut. In de derde bundel zijn misschien wel het meest lastige de metaforen. Zo noemt Thies auto’s die in langzaam rijdende files over de wegen gaan ‘foeragerende dieren’. Hij gaat van metafoor naar metonymie, naar pure registratie die alleen in sommige gevallen tot verbeelding uitbloeit. Misschien verlang ik van de dichter in Thies die ruw begon meer verzet tegen die vorm, tegen die gelaten determinaties over de dood. Nee nee nee, niet alles is routine, al wil hij ons het tegendeel doen geloven (‘ook wanneer men haar ontwrichting is toegewijd’).

Zonlicht zwermt boven dampend asfalt.
Een tractor sproeit water over de brug

van een kanaal. De slagboom daalt,
een parade van masten, het verbeten mimespel

van automobilisten, de verwensingen door glas
verstomd. De schepen, trots, waardig en traag,

niet geraakt door de lage vloeken van het haastig
landvolk op de kant, monden uit in open water.

Dergelijke rust staat haaks op Thies’ voorkeur voor morbide situaties. Op de pagina ernaast wordt een ongeluk beschreven met een publiek dat zich aan het slachtoffer vergaapt. Mogelijk houdt deze dichter evenveel van schoonheid als van lelijkheid. Als het juli is, in het gedicht Sluimerbestaan, trekt het denken zich terug ‘in de spelonken van het schedeldak’. Waar was het dan die andere maanden, ben je geneigd je af te vragen. Als hij te mooi wil zijn wordt het erg dichterlijk, en in zijn voorkeur van het nauwkeurig waarnemen van de lelijkheid verraadt zich nog steeds de gothic van zijn tijd.

Maar het kan ook goed komen met zijn gedichten en dat bewijst de laatste serie ‘In de bergen zijn geen delinquenten’. Het is niet vanwege de titel: was ik een delinquent, ik verschool me juist met plezier in de bergen. Het is de beschrijving in deze gedichten die iets minder nauwkeurig en iets vrijer en dichterlijker wordt. Dat helpt Thies als hij de stad uit gaat en het berglandschap beschrijft. ‘Het gras stroomt langs het duin./ De hand van de wind strooit het zand uit./ Het suist door de wirwarstruiken.’ Dat is even prettig ongedefinieerd, die wirwarstruiken, en ook mooi gevonden. Maar ook als hij hier precies is, irriteert het niet door de natuurlijke beweging: ‘Het ijs een reliëfkaart/ van richels, groeven en kammen,/ het bevroren water bevat/ gefossiliseerde wind.’ Met die delinquenten worden brandstichters bedoeld, voor hen waren de bergen blijkbaar te hoog. Er is alleen ‘een stuwmeer/ om ’s nachts het huis te verlichten’. Met dat soort beelden komt het wel goed met het dichterschap van Thies, al zijn ze nog spaarzaam.

Boven de oevers wervelt stof
tot de wind verstart.

In de schemer ruimt
een vleermuis de restjes op.

Michal Ajvaz, De kever. Vertaling en nawoord Hank Geerts. Voetnoot, 36 blz., € 6,-;

Willem Thies, Twee vogels één kogel. Podium, 56 blz., € 14,50