Zandverstuiving

Berlijn vijf jaar later. De regering is herenigd, maar hoe staat het met de stad zelf? Een rondgang langs bedolven stadsparken, afgekloven Muurstukken en teruggevonden tunnelfragmenten. Portret van een stad ‘die altijd wordt en nooit is’.

ZAND STUIFT DOOR de straten van de stad. Uit iedere bouwput barst de oerlaag van Berlijn naar buiten. Het verleden lijkt weergekeerd, de tijd dat iedere koets die de poorten van de stad naderde een zandstorm over Berlijn joeg. Lag het Westen van de stad veertig jaar lang als kapitalistische oase in een woestijn van marxistische orthodoxie, Berlijn als geheel is al sinds haar ontstaan letterlijk een kunstmatige oase in de markische Sahara, de dorre akkers van de mark Brandenburg.
Dat eilandkarakter is niet het enige wat het Berlijnse heden met het verleden gemeen heeft. De geschiedenis laat zien dat de ‘unieke’ gebeurtenissen die de stad de afgelopen halve eeuw tekenden, hun plaats vinden in een reeks van breuken. De bombardementen van de Tweede Wereldoorlog en de verwoestende wederopbouwactiviteiten van de jaren daarna werden voorafgegaan door keizerlijke, republikeinse en nazistische afbraakrages.
De neiging veranderende gezagsverhoudingen in het stadsbeeld tot uitdrukking te brengen dateert al van ver voor de Stalinallee. In 1448 belichaamde een dwangburcht in het hart van de stad de onderwerping van het burgerlijke Berlijn aan het huis Hohenzollern. In 1870 verrees naast dit slot de toren van het 'Rote Rathaus’, die de monarch met het hervonden zelfbewustzijn van de burgerij confronteerde. De hoge koepel op de Reichstag diende datzelfde doel. De megalomane Germania-plannen van nazi-architect Albert Speer waren eerder een karikatuur van dan een breuk met de Berlijnse traditie. En ook de scheiding tussen het socialistische Oosten en het kapitalistische Westen van de stad dateert in mildere vorm al van eind vorige eeuw, toen de bourgeoisie de oude stad ontvluchtte om westelijk van de Tiergarten langs de Kurfurstendamm neer te strijken.
Zelfs het overlijdensbericht van Berlijn is vaker verkondigd, al waren er verschillen in toonzetting. Triomfantelijk klonk het in 1945 uit de mond van een Britse bevelhebber: 'Men rijdt kilometers lang door rokende ruines. Deze stad kan niet meer opgebouwd worden.’ De stadhouder die zijn keurvorst in 1640, tijdens de dertigjarige oorlog, moest berichten over het lot van de stad, nam de zaken minder luchthartig op. Nadat hij de woorden 'Berlijn is zo diep in de modder gezakt dat ze zonder bijzondere bijstand van de Allerhoogste nooit weer losgetrokken zal worden’ had neergeschreven, verzonk hij in geistige Umnachtung.
Beide keren herrees Berlijn uit haar as. Wat niet wil zeggen dat de stad werd herbouwd naar haar oude beeld. Na de dertigjarige oorlog maakte het middeleeuwse Hanzestadje plaats voor een barokke hofstad; na 1945 moesten veel gebouwen die de oorlog hadden overleefd, alsnog wijken voor ideologisch geinspireerde nieuwbouw. Voor de historische stadsstructuren toonden Ossis noch Wessis respect. Zowel de Alexanderplatz in Oost als het Kulturforum in West zien eruit alsof ze in een centrifuge zijn gebouwd. Geen stad die zo vaak van gedaante veranderde als Berlijn. Niet voor niets luidt een veel geciteerde uitspraak van Ernst Bloch dat Berlijn een stad is 'die altijd wordt en nooit is’.
EEN FRAAI voorbeeld van de eeuwige kringloop die Berlijn heet, is te vinden op de grens van het oude centrum en het stadsdeel Kreuzberg. Tot de Wende priemde het Oostberlijnse Mitte hier als een obscene uitstulping in de Westberlijnse buik, daarmee Kreuzberg in een marginale positie dringend. De wijk werd een vrijplaats voor krakers die het negentiende-eeuwse woningbestand bevochten op de Bijlmervisioenen van de SPD. Verder trok Kreuzberg veel gastarbeiders aan, en oko-families die de Muur als effectieve anti-automaatregel waardeerden. Ook het juridisch vacuum dat de Muur omgaf had zijn bijzondere bekoring. De antifaschistische Schutzwall was door de DDR een meter of twee voor de werkelijke grens geplaatst, zodat de westkant in theorie ook onder Oostduits gezag viel. Kreuzbergse autoslopers maakten hier gebruik van door hun wrakken aan de voet van de Muur te parkeren - geen agent die een grensincident riskeerde door de Muur met sleepwagens te naderen - en Turken legden moestuintjes aan op door de Muur buitengesloten bochtjes Oost-Berlijn. En ook nu nog kan men op warme zomeravonden op de voormalige Muurstrook Turkse huisvaders met grazende schapen aantreffen.
Maar binnenkort is die Muuridylle definitief voorbij. Er komt een park op deze plaats. Dat klinkt stoplapperiger dan het is. Tot 1961 bevond zich op deze strook al een park, en wel een in de beste Berlijnse tradities: een grootsteeds geheel van prieeltjes, vijvers en fonteinen dat als een langgerekte wandelgang van de Spree naar het Landwehrkanal voerde. In de grootste vijver weerspiegelde zich de Michaelskirche, een fraai voorbeeld van Pruisische architectuur. Eind deze eeuw zal de weerschijn van haar baksteengevel met azuren mozaieken weer over het water van dit Engelbecken dansen. Het park wordt namelijk in zijn originele staat hersteld.
De groenstrook werd eind jaren twintig aangelegd op de plaats waar tot dan toe het Luisenstadtische kanaal liep. In 1926 werd het kanaal, dat onverdraaglijk was gaan stinken, door werklozen gedempt. Verzonken tussen de oude kademuren kwam een wandelpark te liggen. De Grunzug doorstond de oorlog vrijwel ongeschonden. Als grensgebied tussen Oost- en West-Berlijn ontkwam het park vervolgens aan de moderniseringen van de jaren vijftig. De ladingen puin ten slotte waarmee de DDR in augustus 1961 het kanaalpark tot een effen schootsveld voor de Muur ophoogde, bleken na de afbraak van de Muur een conserverend effect te hebben gehad. Graafactiviteiten door de Berlijnse monumentendienst brachten aan het licht dat de structuur van het park vrijwel geheel behouden was gebleven; trappen, bassinranden, mozaieken, zelfs herkenbare vegetatieresten kwamen onder de Mauerstreifen vandaan.
Straks zal dus weer een lommerrijke zone deze relatief intact gebleven negentiende- eeuwse wijk met het centrum van een wereldstad verbinden - en welke yup zal daar niet willen wonen? Al zal hij dan wel eerst de notoir koppige Kreuzbergers die er nu nog wonen moeten verjagen…
Vier kilometer ten noorden van deze archeologendroom ligt de Bernauer Strasse. Hier maakte de Muur op 13 augustus 1961 abrupt een einde aan het drukke verkeer tussen Berlin Mitte en de wijk Wedding. Anders dan Kreuzberg, waar het kanaalpark een ideale Muurstrook bood, stelde de Bernauer Strasse het DDR-regime voor de nodige problemen. De sectorgrens liep precies op de rooilijn aan de Oostberlijnse straatzijde, zodat de Oostberlijnse huizenblokken daar aan een Westberlijns trottoir lagen. De voordeuren en de gelijkvloerse ramen van deze woningen werden dichtgemetseld, maar de eerste ontsnappingen via de verdiepingen lieten niet lang op zich wachten. Wereldberoemd werden de Oostberlijners die hier koffers, kinderen en zichzelf uit de ramen wierpen. Vier vluchtelingen maakten daarbij een doodsmak.
Op de eerste Muur, die bestond uit prikkeldraadversperringen en haastig metselwerk, volgden al snel verbeterde versies. Nadat de dichtgemetselde huizen waren afgebroken werd langs de Bernauer Strasse een model-muurstrook aangelegd. Aan de ene zijde van het veertig meter brede braakland verrees de betonnen Vorderlandmauer, aan de andere zijde een onder stroom staande afrastering. Later verscheen daartussen ook nog een Hinterlandmauer. Binnen deze omheiningen werden wachttorens geplaatst, een Kolonnenweg aangelegd en een met herbiciden doordrenkte strook markisches zand onderhouden - de gladgeharkte Todesstreifen, die ook grenssoldaten niet mochten betreden.
Het bijzondere van de Muur langs de Bernauer Strasse was, behalve dat er dichtgemetselde huizen deel van uitmaakten, dat hij over een lengte van tweehonderd meter over een begraafplaats voerde. Een aantal van de binnen de dubbele Muur gelegen graven werd verplaatst, maar het grootste deel ervan, voornamelijk massagraven uit de oorlog, werd zonder pardon onder Muursegmenten bedolven.
Oorlogsslachtoffers wier graven door de Muur worden geschonden - een meer gecomprimeerd beeld van het Berlijnse leed is nauwelijks voorstelbaar. Op 2 oktober 1990, een dag voor de hereniging van Duitsland en daarmee van Berlijn, verklaarde het bestuur van Oost-Berlijn dit deel van de Muur langs de Bernauer Strasse dan ook tot monument. Er zou tevens een officiele gedenkplaats komen. Het reeds door Mauerspechte kaalgehamerde restant van de Bernauer Mauer werd zelf door een muur omgeven en april dit jaar volgde een prijsvraag rond de Gedenkstatte Berliner Mauer in der Bernauer Strasse.
De uitslag van deze prijsvraag werd vorige maand bekendgemaakt. Hij typeert de desorientatie waar Berlijn sinds de val van de Muur aan lijdt. Een eerste prijs heeft de jury niet vergeven, wel drie tweede prijzen. Het voorstel van een van de drie winnaars luidt kort maar krachtig: geen gedenkplaats. En wel omdat 'mensen nog steeds liever kransen bij monumenten leggen dan dat ze concreet handelen’. De twee andere winnaars lijken meer vertrouwen te hebben in de stichtende kracht van een monument. Maar ook hun voorstellen blinken uit in soberheid. Met name de kooiconstructie die een Berlijns duo rond het resterende Muurfragment wil optrekken, belooft een authentieke beklemming.
Het Muurmonument, zo weet Gedenkstatte-coordinatrice Christel Kapitzki inmiddels zeker, komt hoe dan ook. Maar wie daar dan herdacht gaan worden, is een vraag waar nog harde woorden over zullen vallen. Want de oorspronkelijke bedoeling om hier de slachtoffers van de Duitse deling te herdenken, werd op een gegeven moment geruisloos uitgebreid met de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Geen vergezocht idee op een oorlogsbegraafplaats, maar hoe groter de 'doelgroep’, hoe groter het risico dat de categorieen van getroffenen en daders elkaar overlappen. Is de Duitse deling immers niet deels doorgevoerd door oprechte antifascisten, van wie velen tot de categorie slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog behoren? Anderzijds heeft van degenen die onder de Duitse deling leden, een aantal tijdens de oorlog ongetwijfeld zelf leed veroorzaakt.
'Het begrip “slachtoffer” vraagt inderdaad nog om een nadere definitie’, zegt Kapitzki voorzichtig. Maar de ervaring leert dat debatten over dergelijke kwesties in Duitsland altijd eindigen in een gordiaanse knoop. Zelfs het meest sensibele compromis weet altijd wel ergens een teen te verpletteren. En ondertussen roest de wapening van de ontmantelde Bernauer Muur verder.
TERWIJL MEN DE bovengrondse Muur zo enthousiast te lijf was gegaan dat de resten een jaar na de Wende al voor monumentenbescherming in aanmerking kwamen, bleef Berlijn ondergronds veel langer een gedeelde stad. Ook in de bodem was een Schutzwall tegen westerse Wuhltatigkeiten opgetrokken. Nadat men in de nacht van 12 op 13 augustus 1961 heel West-Berlijn door een Muur had omsloten, was in september de Westberlijnse ondergrond volledig van het oosten geisoleerd. Vanaf 15 oktober 1961 heerste er ook 'zekerheid in het domein van de Berlijnse riolen’. Spoorbielzen en stalen staven waren op zodanige afstand van elkaar in de wanden van de oude hoofdriolen gebetonneerd dat er hooguit een plastic melkfles kon passeren.
Hoe deze nauwe doorgangen er dertig jaar later uitzagen, laat zich raden. 'Eine Sauarbeit’, zegt een medewerkster van het Berlijnse waterleidingbedrijf als ze foto’s van de verwijderingsactiviteiten toont. Maar niet alleen moesten de riolen van hun blokkades worden ontdaan, sommige verbindingen moesten zelfs geheel worden hersteld. Begin jaren tachtig had de DDR uit deviezenpaniek - de stadshelften verrekenden de reinigingskosten van rioolwater dat de ondergrondse grens was gepasseerd - besloten dat er geen druppel vervuild DDR- water meer naar het vrije Westen mocht vloeien. Langs de Muur verrezen pompstations die het afvalwater terugpompten. Dat dit regelmatig tot overstromingen leidde, werd op de koop toe genomen.
Ook de ondergrondse verkeersverbindingen functioneerden sinds 1961 als streng gescheiden systemen. Op de befaamde Bahnhof Friedrichstrasse, waar bezoekers per S- en U- Bahn uit het Westen arriveerden, waren de Westlijnen zorgvuldig van de Oostduitse verbindingen afgezonderd door een labyrinth van trappen en gangetjes. Inmiddels ziet alleen een geoefend oog daar nog de littekens van op de wanden en in de vloer.
Twee Westlijnen die Kreuzberg en Wedding verbonden en daarbij het Oostberlijnse Mitte doorkruisten, werden door de DDR rigoureus van de Oostberlijnse buitenwereld afgesloten. De traag passerende Westberlijnse treinen werden vanachter glazen wanden in de gaten gehouden. Kapotte lampen werden in deze gesloten stations niet vervangen, reclameaffiches die volkseigene Betriebe kort voor de Muurbouw hadden aangeplakt hingen er dertig jaar later nog. Voor sommige Westberlijners had zo'n tocht door de gestolde tijd zijn charmes, maar voor gevluchte DDR-burgers waren deze transit-ritten een gruwel.
De eerste Oostberlijnse metrohalte aan een Westlijn ging twee dagen na de Wende weer open. Op een volgend station moesten de Ossis meer dan een maand wachten. Het busverkeer bleek flexibeler; na een aantal nachtelijke ontdekkingstochten op Oostberlijns terrein, waarbij met het oog op de Westberlijnse dubbeldekkers vooral de viaducten nauwkeurig werden nagemeten, konden een week na de Wende al negen grensoverschrijdende busverbindingen worden ingezet. Maar veel van de metroviaducten en -tunnels waren dan ook zodanig verwaarloosd dat het niet verantwoord was ze meteen weer in gebruik te nemen. Het duurde daarom nog tot eind 1993 voor de belangrijkste Oost-Westlijn kon worden heropend.
Een van de haltes langs deze 'nieuwe’ lijn ligt onder de Potsdamer Platz. Een plein dat in de naoorlogse verbeelding mythische proporties heeft aangenomen. Centraal gelegen tussen de oude stad en de westelijke city was het het grootsteedse knooppunt van de vroege twintigste eeuw. Te zamen met de aangrenzende Leipziger Platz en de Wilhelmstrasse, het centrum van de nazi-dictatuur, werd de Potsdamer Platz tijdens de Tweede Wereldoorlog volledig platgebombardeerd. In de jaren daarna loste het plein langzaam op in het niets. Luchtfoto’s uit het begin van de jaren vijftig laten nog enkele ruines zien; een paar jaar later schemert alleen nog het plaveisel door het onkruid heen. In 1961 werd nergens de Muurstrook zo breed als op deze vlakte.
Vandaag de dag is de Potsdamer Platz nog steeds een immense leegte. De souvenirshops die hier kort na de Wende verschenen, zijn inmiddels wegens gebrek aan publiek al weer verdwenen en de toekomstige Sony- en Daimler Benz-complexen vallen vooralsnog alleen op aannemersborden te bewonderen. Een kilometer noordwaarts wappert de vlag van de Reichstag boven de vlakte; verder stuit de blik slechts op hijskranen waaraan verveelde toeristen een bungee jump kunnen wagen, en op de puinhopen boven de Fuhrerbunker, de schuilkelders onder de oude Reichskanzlei. Wat er met deze bult gaat gebeuren, is nog onduidelijk. Vorig jaar was hij een twistpunt tussen de archeologische dienst, die hem tot monument wilde verklaren, en de Berlijnse cultuursenator, die vreesde daarmee een heilig oord voor neonazi’s te scheppen.
HEEFT DE WENDE de meeste ondergeschoffelde holten in de Berlijnse bodem weer toegankelijk gemaakt, een gangenstelsel gaat nog in duisternis gehuld. Niemand weet namelijk precies waar het zich bevindt. Ergens diep onder de Tiergarten - dat is het enige wat vaststaat. Nazi-bouwmeester Speer wenste hier namelijk een U-bahn-traject en een autoweg om te voorkomen dat het verkeer werd lamgelegd door zijn bouwwerken. Tot ver in de oorlog werd er in het diepste geheim aan dit tunnellandschap gewerkt.
Bij toeval ontdekten de Britten in 1966 een fragment van het ondergrondse complex toen ze de stabiliteit van het Sovjet-gedenkteken in de Tiergarten onderzochten. Ook achter de Reichstag werden na de Wende twee ondergrondse holten gelokaliseerd. Hoewel er inmiddels al anderhalf miljoen D-mark is gespendeerd aan de zoektocht naar overige fragmenten, is er sindsdien niets meer gevonden. Het is wel van belang dat Speers tunnellandschap in kaart wordt gebracht. De wegen rond de Reichstag zijn nu al overvol en als de Duitse regering straks in Berlijn neerstrijkt, zal dit stadsdeel helemaal in uitlaatgassen stikken. Met het oog daarop zijn de plannen om het verkeer onder de Tiergarten door te leiden weer uit de ijskast gehaald.
De aanslag op het park heeft veel protest opgeroepen. Of dat succes zal hebben is de vraag, maar het maakt in ieder geval duidelijk dat de Duitse hoofdstad zich niet meer stilzwijgend naar de plannen van haar gezaghebbers schikt. Het besef van de kwetsbaarheid van de stad groeit. En dat biedt nieuwe perspectieven. Als eind deze eeuw het stuifzand rond de bouwputten weer gaat liggen, krijgt Berlijn misschien eindelijk de rust om gewoon te zijn in plaats van steeds te worden.