Gerbrand Bakker, Etymologisch woordenboek voor beginners. Uitg. Piramide, 264 blz., 339,90
Het is een bekend vermaak: lekker zappen door de encyclopedie of het woordenboek. Je zoekt iets op en voor je het weet neem je links en rechts een woordje tot je en lees je allerlei interessants over dingen waar je eigenlijk helemaal niets over wilde weten. Kinderen die daar ‘last’ van hebben, kunnen hun hart ophalen aan het Etymologisch woordenboek voor beginners.

In de eerste plaats is het gewoon een naslagwerk met een selectie van ruim elfhonderd woorden waar een verhaal aan vast zit of die een verrassende oorsprong hebben. Etymologie is ‘woordgeschiedenis’ legt Bakker uit. De etymoloog vergelijkt hij met een archeoloog, omdat hij 'spit en graaft in oudere vormen van de taal’. Voor veel woorden resulteert dit vooral in het aangeven van de herkomst. Onder leeuwerik lezen we dat die naam niets met leeuw te maken heeft maar met het Griekse werkwoord laiein, en vervolgens gaat het over het oud-germaanse achtervoegsel -erik, bedoeld om vleinamen mee te maken. Er is aandacht voor eponiemen als pils, praline en maggi en voor tamelijk nieuwe woorden als soap, balen en euthanasie.
Merkwaardig is de gezamenlijke behandeling van sommige begrippen. Deksels en drommels bijvoorbeeld, of zoon en dochter. Je wordt echter niet via het woordje dochter in het register verwezen naar zoon. De dochter raakt zo dus zoek. Dat wordt dan weer 'goedgemaakt’ door moeder voorop te zetten bij moeder en vader.
Meer dan een nuttig maar saai opzoekboek gaat het hier echter om een ongewoon leesboek vol miniverhalen over onbekende werelden. De ondertitel luidt dan ook Hoe het mannetje mannequin werd…, wat minimaal klinkt als een Bildungsroman. Veel weetjes zijn interessant. In het woord twijfel zit het getal twee en acne is gewoon een schrijffout. In het Grieks was het akmè (puntje), wat ooit slordig werd gekopieerd. Bij Assepoester lees je als toegift hoe het oorspronkelijk Franse pantoffeltje van bont kon veranderen in ons glazen muiltje, en onder het woord tuin wordt duidelijk dat iets taalkundig geen tuin genoemd mag worden als er geen hekje omheen staat, en daarna gaat het natuurlijk over erin tuinen.
De grootste kracht van het boek is dat het zo prettig leest. Dat komt door de vormgeving - niet de gebruikelijke tweekoloms tekst, maar ruim opgezette, overzichtelijke bladzijden met veel lucht - maar vooral ook door de toon en de woordkeuze van de samensteller. Hier zit iemand tegenover je die ontzettend veel weet en daar eindeloos en met enthousiasme over kan vertellen. Hij doet dat onderhoudend en op een losse manier, met af en toe iets dat naar humor zweemt. Het woord lef houdt verband met het Hebreeuwse woord voor hart, maar de Engelse vertaling guts betekent letterlijk ingewanden. En dan staat er:'In Nederland heb je lef met je hart, in Engeland met je darmen.’ De woordkeus is vaak inventief: zelfbevrediging heet soloseks, solarium wordt nepzon. Het enige volstrekt overbodige is het wervende voorwoord van de hoogleraar die Bakker ooit heeft opgeleid. Deze student kan het alleen wel af.