Zbigniew Brzezinski (28 maart 1928 – 26 mei 2017)

Hij was de havik van president Carter die ook na de Koude Oorlog bleef waarschuwen voor Rusland. Zbigniew Brzezinski brak nooit helemaal met zijn geboorteland Polen.

Al was hij reeds diep in de zeventig, zijn crew cut leek even vers geknipt als die van een jonge marinier. Ook zijn kaak, recht en vierkant, had iets uitgesproken martiaals. Het schijnt dat hij innemend en charmant kon zijn, maar daarvan kreeg ik niets te zien toen ik in 2004 tegenover hem zat op zijn werkkamer in Washington DC. Hij gaf een hand, stelde vast hoeveel minuten hij had en stak van wal. Vragen ervoer hij als onwelkome onderbrekingen van zijn college.

Afgelopen vrijdag is hij overleden, op 89-jarige leeftijd. Hij wordt herdacht als de havik van president Jimmy Carter, als de nationale veiligheidsadviseur (1977-1981) die tot ergernis van minister van Buitenlandse Zaken Cyrus Vance de Sovjet-Unie louter als evil empire wenste te zien. Zijn grootste succes: herstel van de diplomatieke betrekkingen met de volksrepubliek China. Zijn grootste falen: een militaire operatie om gegijzelde Amerikanen te bevrijden uit handen van het Iraanse islamitische regime. De soldaten bereikten Teheran niet, acht van hen sneuvelden. Brzezinski had aangedrongen op de operatie – tekenend voor zijn denken – omdat hij vreesde dat bij een langdurend conflict, met boycots en sancties, Iran in het kamp van de sovjets zou belanden.

Na zijn werk voor Carter bleef Brzezinski in DC. Uiteenlopende presidenten vroegen hem om geopolitieke adviezen, hij was mentor van de Democraat Madeleine Albright en werd bewonderd door een Republikein als Paul Wolfowitz. Populair onder journalisten was de vergelijking met Henry Kissinger, zijn eeuwige rivaal. Beiden waren in Europa geboren Realpolitiker: Kissinger in het Duitse Fürth, Brzezinski in het Poolse Warschau. Maar waar de Duitse Amerikaan de ‘detente’ van president Richard Nixon met de Sovjet-Unie regisseerde (en daarvoor de Nobelprijs voor de vrede kreeg), was Brzezinski de Realpolitiker die deze detente de nek omdraaide. Brzezinski ging er zelfs prat op dat hij de Sovjet-Unie naar Afghanistan had ‘gelokt’, door bewapening van de islamitische strijders aldaar. Op de dag dat de sovjets officieel de grens overstaken, meldde hij opgetogen aan Carter: ‘Nu hebben we de kans om de ussr op te zadelen met een eigen Vietnamoorlog.’

Na de aanslag op de Twin Towers kreeg hij deze militaire steun vaak voor de voeten geworpen. Had hij niet een man als Osama bin Laden groot gemaakt? Dat ontkende Brzezinski niet, maar het verwijt ergerde hem mateloos. ‘Wat is in het licht van de wereldgeschiedenis nu belangrijker’, vroeg hij zich eens getergd af: ‘De Taliban of de val van de Sovjet-Unie? Een paar opgewonden islamisten of de bevrijding van Oost-Europa?’

‘Amerika ís ook anders’

Voor ‘Zbig’ was dit een retorische vraag. De strijd tegen het communisme had voor hem altijd voorop gestaan, die tegen moslimfundamentalisten zag hij als overreactie. Zo was hij tegen de oorlog in Irak en zette hij een paar jaar geleden zelfs vraagtekens bij de omvang van Amerika’s defensiebudget. Ook met minder dan vijftig procent van de werelduitgaven aan defensie moet Amerika superieur kunnen blijven, ook militair. Want dat was wel altijd belangrijk voor hem. Niet voor niets, zei hij zelf, had zijn Poolse afkomst zijn ‘kijk op de wereld’ bepaald. De Poolse les: wie militair wordt verslagen, is nog niet jarig.

Brzezinski’s vader was diplomaat in Duitsland, waar hij de opkomst van het nazisme meemaakte. Ook had hij in 1920 gevochten tegen de Sovjet-Unie. Toen nazi’s en sovjets in september 1940 Polen binnenvielen, was het gezin in Canada. Zbigniew was twaalf jaar oud. Vader besloot niet terug te keren naar Warschau, waar een communistische satellietstaat werd opgericht. Via de McGill-universiteit in Montreal belandde de jonge Brzezinski in Harvard. Eenmaal veiligheidsadviseur van Carter werd hij een held in Poolse oppositiekringen. Radek Sikorski, die na 1989 staatssecretaris van Defensie werd en later minister van Buitenlandse Zaken, prees Brzezinski na zijn overlijden: ‘Hij en de Poolse paus waren de belangrijkste stemmen in het buitenland van het vrije Polen.’

Na de val van het communisme trokken de Poolse politici gelijk op met Brzezinski. Zo bleven de Polen en Brzezinski voor Rusland waarschuwen, het land dat hen in totaal 180 jaar had bezet, en pleitten ze altijd voor uitbreiding van EU en Navo. Brzezinski adviseerde de VS met klem om Oekraïne in de invloedssfeer te brengen.

Maar Brzezinski was ook een Amerikaanse nationalist, met een dochter bij Fox TV en een zoon bij een Republikeinse denktank. Toen ik tegenover hem zat, sprak hij over zijn boek The Choice: Global Domination or Global Leadership (2004). Het boek was een verwerping van het buitenlandbeleid van president George Bush jr. met een heldere portee: Amerika moet ook een moreel leider zijn, omdat de ‘acceptatie van het Amerikaanse leiderschap de voorwaarde is voor het vermijden van chaos’. In The New York Review of Books kreeg hij het predicaat ‘pathetisch patriottistisch’. Hij zou een overdreven geloof hebben in de unieke, historische en bijkans religieuze missie van Amerika. Ook dat exceptionalisme delen Polen en Amerikanen. De VS zouden uniek zijn door hun ontstaansgeschiedenis, de Poolse natie vanwege haar ‘unieke lijden’ door de eeuwen heen. Toen ik hem confronteerde met de kritiek, zei hij bits: ‘Amerika ís ook anders. Dit land is gevormd door mensen die hier als individuen naartoe kwamen, en die juist zagen wat de kracht en beloning is als je de eigen stam, etniciteit of, tot op zekere hoogte, je culturele identiteit achterlaat.’

Hij zei ‘tot op zekere hoogte’. Dat was niet voor niets. Hij bleef ermee trouw aan zijn eigen Pools-Amerikaanse nalatenschap.