Voorbij het eigen gelijk #9: Eddy en Lieuwkje Hekman

Ze aanvaarden

‘Misschien is onze houding natuurlijker dan je zou denken.’ Eddy Hekman schreef een boek met de geliefde van zijn dochter – die haar vermoordde. Hij zoekt hem samen met zijn vrouw op in de tbs-kliniek, met z’n drieën ‘praten, huilen of lachen’ ze.

Vraag aan Eddy en Lieuwkje Hekman hoe het met ze gaat en er valt een stilte. ‘Ja…’, klinkt het uit Eddy’s mond, terwijl hij en zijn vrouw elkaar aankijken. Dan geeft hij antwoord: ‘Wat Samarie altijd zegt: naar omstandigheden redelijk goed.’

Samarie is de man met wie hun dochter Renske ruim twee jaar een relatie had. Op 13 april 2011 sloeg hij haar met de brandblusser in de hal van haar appartementencomplex in het Groningse dorpje Baflo, waarna zij aan de gevolgen overleed. Buiten op straat zette een motoragent de achtervolging in. Er ontstond een gevecht, waarbij Samarie het dienstpistool van de agent te pakken kreeg en hem neerschoot. Daarna schoten andere agenten Samarie neer. De motoragent stierf, Samarie overleefde en werd in 2013 veroordeeld tot 28 jaar cel. Een jaar later kreeg hij in hoger beroep zes jaar cel en tbs.

De gebeurtenissen kwamen in de wijde omtrek bekend te staan als het ‘drama van Baflo’. Samarie werd het ‘beest van Baflo’ genoemd. Hij was destijds 25 jaar en heet voluit Alasam Samarie – in zijn geboorteland Benin is de laatste naam de roepnaam. Sinds juni 2011 bezoeken Eddy en Lieuwkje Hekman hem elke maand, de eerste jaren in de gevangenis in Zwolle, tegenwoordig in de tbs-kliniek in Balkbrug. ‘In dat uurtje praten we, huilen of lachen we. En dat is goed voor ons drieën. Het geeft verlichting’, sprak Lieuwkje tijdens het hoger beroep.

Vorig jaar verscheen het boek Een coupé verder, waarin Eddy Hekman en Alasam Samarie allebei vertellen over die 13de april, wat eraan voorafging en hoe het verder ging. In het voorwoord spreekt Hekman de hoop uit dat zijn gedachten ‘een stillere vorm’ aannemen en schrijft Samarie: ‘Het spijt me.’ Het leidde in Nederlandse en Belgische media tot nogal wat vragen. Een vader die een boek schrijft met de moordenaar van zijn dochter? Zelfs The Guardian wilde weten hoe het zat. ‘I made peace with my daughter’s killer’, stond er boven het interview.

In het boek zijn de indrukwekkende woorden opgenomen die Lieuwkje uitsprak tijdens de eerste behandeling van de zaak: ‘Vaak zijn we gewend bij iets vreselijks een oorzaak te zoeken om daar vervolgens het verdriet aan toe te kennen. Het liefst zoeken we een persoon naar wie gewezen kan worden. Wij hebben gekozen om te aanvaarden, niet om aan te rekenen.’ Het is, verklaarde ze, een keuze uit loyaliteit aan hun dochter Renske. In háár geest, mild en krachtig, wilden zij en Eddy verder gaan.

Bijna anderhalf jaar na de verschijning van het boek staan de Hekmans op het punt te verhuizen. Ze gaan weg uit het Groningse dorpje ’t Zandt waar ze met hun drie kinderen jarenlang hebben gewoond. Hun twee zoons zijn het huis uit en Eddy en Lieuwkje vertrekken naar een woonboerderij in Drenthe. Eddy is sinds kort met vervroegd pensioen, hij werkte bij de Hanzehogeschool in Groningen op het gebied van onderwijsinnovatie. Maar hij doet amper rustiger aan, zoveel is er deze weken te doen.

Op een vrijdagmiddag eind september doet Eddy (65) de voordeur van het oude huis open. Ze wonen aan de rand van het Groningse dorp, hun achterraam geeft uitzicht op frisgroene akkers tot aan de horizon. In de huiskamer kwispelt een zachtmoedige zwart-witte bordercollie, Lieuwkje (65) zet groene thee. Ze is van plan niet mee te praten – Een coupé verder was vooral het project van haar man – maar het komt er toch van.

Ja, zegt Eddy, het boek hééft zijn gedachten iets tot rust gebracht. ‘Je wordt gedwongen een structuur te vinden voor wat er is gebeurd. Daardoor krijg je er wat meer grip op, er is iets minder chaos in het hoofd. Of het daarvan beter wordt, qua verwerking, qua verdriet, dat weet ik niet. Dat denk ik niet. Het schrijven was vooral een disciplinering en een herhaling. Je schrijft, de volgende dag verander je er wat aan, dan komt de eindredactie met opmerkingen en ga je er weer aan werken. Het was confronterend om sommige stukjes steeds opnieuw onder ogen te krijgen, maar daar heb ik bewust voor gekozen. Het verhaal is af en toe ook hard.’

Het boek was Hekmans idee en uiteraard had hij ervoor kunnen kiezen het alleen te schrijven. Er waren twee redenen om het anders te doen. De eerste: het ging niet goed met Samarie, die net 28 jaar celstraf had gekregen. ‘Dat was lastig voor hem. Ik dacht: als hij nu af en toe wat opschrijft…’ Ze stemden alleen de thema’s op elkaar af, verder schreven ze ieder hun eigen stukken. Samarie deed dat in de vorm van handgeschreven brieven, die licht geredigeerd in het boek zijn opgenomen. De rest van de tekst is van Hekman.

De tweede reden om samen een boek te schrijven was ‘opportunistisch’, dixit Hekman. ‘We wisten dat er zo meer aandacht zou komen.’ Hij en Samarie hadden een doel: ze wilden wijzen op de desastreuze gevolgen die het gebruik van antidepressiva kan hebben. Samarie slikte paroxetine, een doosje met de pillen vonden Eddy en Lieuwkje ongeveer een maand na de 13de april in zijn kamer in Groningen. Rechercheurs hadden de kamer van onder tot boven onderzocht, maar dit was gek genoeg blijven liggen.

Paroxetine is een ssri, ofwel selective serotonin reuptake inhibitor – door kenners ook wel ‘killer drug’ genoemd. In het boek beschrijft Hekman, van huis uit klinisch psycholoog, hoe dit type antidepressiva in verband wordt gebracht met zelfmoord en plotselinge geweldsuitbarstingen waarbij ook in Nederland mensen zijn omgekomen. In Limburg doodde een man met een aardappelschilmesje zijn vrouw. In Badhoevedorp sloeg een vrouw haar man en dochter dood met een bijl. In de Friese plaatsjes Harkema en Kootstertille schoot een man drie mensen overhoop. In alle gevallen slikten de daders een ssri.
Het gevaar bestaat vooral in periodes waarin de dosis pillen wordt op- of afgebouwd. Samarie was ongeveer een maand voor de 13de april begonnen met afbouwen, omdat de kans groot was dat hij niet in Nederland mocht blijven. Na tien jaar zag het ernaar uit dat zijn asielverzoek werd afgewezen. Zou hij terug moeten naar Benin, dan was het afgelopen met de paroxetine, omdat het middel daar moeilijk te krijgen is. Dan kon hij beter in Nederland alvast geleidelijk stoppen.

De dag vóór de 13de april kreeg Samarie te horen waarvoor hij bang was: hij moest terug naar Benin. In Een coupé verder schrijft hij hoe hij die nacht niet kon slapen en op de fatale dag onrustig en achterdochtig was. In de woning van Renske in Baflo dacht hij dat ze hem iets wilde aandoen. Hij wilde weg, naar zijn eigen kamer in Groningen, maar zij hield hem tegen. Ze kregen ruzie. ‘Ineens leek het alsof de brandblusser naar me toe kwam, ik pakte hem meteen en begon te slaan, slaan en slaan’, schrijft hij.

‘Ineens leek het alsof de brandblusser naar me toe kwam, ik pakte hem’

Hekman wist destijds dat Samarie aan het afbouwen was met antidepressiva, maar niet hoe of wat precies. Pas na de vondst van het doosje paroxetine begon hij zich in te lezen. Hij ontdekte dat rond de 900.000 mensen in Nederland een ssri slikken, waarvan paroxetine de meest voorgeschreven én bij mindering de meest risicovolle is. De duistere kanten van ssri’swaren al veel langer bekend, maar er werd nooit iets mee gedaan. Vandaar hun boek.

Afgelopen maand lieten artsen-, apothekers-, psychiater-, en patiëntenorganisaties een richtlijn uitgaan over het afbouwen van ssri’s. ‘Het is ietsje beter dan het was, omdat huisartsen nu weten dat ze het afbouwen in de gaten moeten houden’, is het commentaar van Hekman. ‘Maar het is nog lang niet zoals het zou moeten zijn, gezien de ernst van de mogelijke afkickverschijnselen.’

In de gaten houden – dat zegt namelijk niet alles. Samarie bouwde af onder begeleiding van zijn sociaal-psychiatrisch verpleegkundige en psychiater. Daarom pleit Hekman voor nóg een maatregel, die nu in de richtlijn ontbreekt: standaard afbouwen in piepkleine ministapjes met behulp van zogeheten taperingstrips. ‘Dat is de veiligste manier. Die strips zijn gewoon beschikbaar en zouden beslist in het basiszorgpakket moeten worden opgenomen.’

In Een coupé verder beschrijft Samarie hoe het zo ver kwam dat hij aan de paroxetine ging. Als veertien-, vijftienjarige jongen wilde hij aan zijn leven in Benin ontsnappen, waar hij werd afgebeuld op een bananenplantage. Hij wist zich wekenlang te verschansen op een boot naar Nederland. ‘Ik moest mijn behoefte doen in een potje, dat later leeggegooid werd in de wc.’

In Nederland woonde hij in meerdere asielzoekerscentra. In het Groningse Leek werd hij depressief. ‘Ik kon niets eten en had ook nergens trek meer in. Het werd erger en erger. Ik werd achterdochtig, bang voor alles en iedereen. Ik werd psychotisch. Ik zag misvormde gezichten en niets leek meer hetzelfde. Ik begon vrienden te bellen, tegen wie ik dingen zei als “iedereen heeft het op mij gemunt”.’ Na twee zelfmoordpogingen belandde hij bij de ggz die hem ‘een heleboel pillen en therapieën’ gaf.

Na die eerste psychose volgde een tweede toen hij in het azc in het Groningse Haren uitgeprocedeerd asielzoeker werd. Hij mocht intrekken bij de baas van het bedrijf waar hij stage liep. Hij slikte intussen paroxetine en toen de pillen op waren, begon hij opnieuw dingen te zien die er niet waren. Hij werd opgelapt en voortaan regelde hij met een herhaalrecept op tijd nieuwe doses. Rond die tijd begon ook de uitputtingsslag om zijn verblijf in Nederland. Samarie wilde niet terug naar Benin en zijn advocaat hielp hem door te zoeken naar gronden waarop hij kon blijven.

In november 2008 ontmoetten Renske en Samarie elkaar in de trein van Groningen naar Utrecht, enkele maanden later kregen ze een relatie. Zij: ‘Lief, zachtaardig, vrolijk, sportief, reislustig, nooit op de voorgrond maar altijd aanwezig’, zou haar moeder Lieuwkje later tijdens de eerste rechtszaak zeggen. Hij, volgens diezelfde verklaring: ‘Rustig, aandachtig, attent, zorgzaam, nieuwsgierig, geduldig en humorvol. Neemt verantwoordelijkheid voor zijn eigen situatie en inkomen en vormt een natuurlijk onderdeel van ons gezin.’

Samarie had een kamer in Groningen en leefde van wat hij verdiende met krantenwijken. Renske woonde in Baflo en werkte als onderzoeker in de zeehondencrèche in Pieterburen. Ze schaatsten en zwommen samen, ze gingen naar wedstrijden van FC Groningen en logeerden bij Eddy en Lieuwkje. ‘We hadden het zo gezellig met elkaar’, schrijft Samarie.

Hoe Samarie zich hield onder de langgerekte asielprocedure? Eddy: ‘Hij praatte er niet veel over.’ Lieuwkje: ‘Dat beperkende van de hele situatie, dat was vervelend. Hij mocht officieel niet werken en moest altijd op zijn hoede zijn.’ Eddy: ‘Hij had het leven wel redelijk voor elkaar, met een eigen plek en werk. Het lastigste was het gebrek aan perspectief.’ Lieuwkje: ‘Dat was ook moeilijk voor hen samen: waar kunnen we wonen, moeten we wel of niet trouwen?’

Eind 2010 was de asielprocedure versmald tot de vraag of het medisch verantwoord was om Samarie acht uur in een vliegtuig naar Benin te zetten. Eddy zat in de rechtszaal en dacht er het zijne van. ‘Er is geen mogelijkheid meer om gewoon met elkaar te praten en om te kijken of er een oplossing is’, zegt hij nu. ‘De hele asielprocedure wordt opgeknipt in kleine onderdelen, dáárover wordt gepraat. De overheid en de vreemdelingen hebben elkaar in de houdgreep, de discussie over de asielproblematiek zit totaal vast.’

Op 12 april 2011 hoorde Samarie dat hij in het vliegtuig naar Benin kon. Hij was al weken aan het minderen met de paroxetine, maar hij werd er zo raar van in zijn hoofd en moest de dosis weer verhogen. Zo ging hij eerst van 20 naar 10 milligram per dag, toen naar 10 milligram óm de dag, toen weer naar 10 milligram élke dag. Op de 13de april nam hij ’s ochtends 10 milligram en kreeg hij ’s middags het advies terug te gaan naar 20 milligram, die hij zeer waarschijnlijk meteen nam.

Hun dochter werd 29 jaar. In hoger beroep oordeelde het hof dat Samarie tijdens de vechtpartij in de hal van haar appartementencomplex ontoerekeningsvatbaar was. Tijdens het doodschieten van de motoragent had zijn psychotische toestand hem ‘niet volledig, maar wel in belangrijke mate’ beïnvloed. Eddy en Lieuwkje hadden liever gezien dat Samarie werd ontslagen van rechtsvervolging, maar ze zagen in dat zes jaar cel en tbs een salomonsoordeel was.

‘Wij zeggen dat het zeer waarschijnlijk de paroxetine is geweest’

Het hof erkende zo dat de betrokkenen – zij tweeën, andere nabestaanden, politieagenten en buurtbewoners die in de schietpartij werden meegesleept – een verschillende kijk op de gebeurtenissen hebben. ‘Iedereen construeert zijn eigen verhaal’, zegt Eddy. ‘Ons verhaal is maar één versie, dat besef ik heel goed.’ En bij elke versie horen twijfels, die hij soms ook heeft bij hun eigen verhaal. ‘Wij zeggen dat het zeer waarschijnlijk de paroxetine is geweest. Je weet het nooit zeker.’

Lieuwkje: ‘Het grote verschil met anderen is dat wij Samarie al twee jaar kenden. Wanneer het bijvoorbeeld een onbekende was geweest die Renske dronken had aangereden, dan weet ik niet hoe we hadden gereageerd. Maar wij denken dat dit buiten Samarie om is gebeurd. Wij kunnen er op deze manier beter mee omgaan. We schieten er niks mee op door te zeggen: stik er maar in.’

Eddy: ‘Voor ons is dit het beste. Maar niet voor alle betrokkenen.’

Al de dag na de 13de april zeiden ze tegen elkaar: ‘We gaan hem helpen.’ Uit het boek: ‘Wat dat helpen dan is en of het een terechte keuze is, daar hebben we op dat moment geen idee van. Maar dat het eerst zo moet, is voor ons beiden zo duidelijk als wat.’

Hoe komen ze aan die houding? ‘Dat weet ik eigenlijk niet’, zegt Eddy.

Lieuwkje: ‘In het dorp zeiden mensen wel eens tegen me: “Hij zit mooi achter de tralies, hè?” Dan legde ik uit dat we nog steeds contact met hem hebben. En dan vroeg ik: “Stel dat jouw zoon zoiets had gedaan buiten zichzelf om, zou je dan ook zeggen: zoek het maar uit?” Ja, dan was het wel een ander verhaal.’

Eddy: ‘Ik weet niet of het zo bijzonder is wat wij doen.’

Lieuwkje: ‘Wij hebben gedacht: hoe zou Renske erover denken? We willen in haar geest verder. We hebben zo’n mooie tijd met haar en Samarie gehad, en niet vergeten: we hebben gezien hoe blij Renske met hem was.’

Eddy: ‘Als je je in hem inleeft… Als het waar is dat alles buiten hem om is gebeurd, dan is hij verantwoordelijk voor iets wat hem niet kan worden aangerekend. Met dat besef verder leven is erg moeilijk. En hij zit vast, niet echt in een plezierige omgeving. Misschien is onze houding natuurlijker dan je zou denken. Gemeenschapszin en altruïsme zijn bij de meeste mensen gelukkig vrij natuurlijke gedragingen.’

Zijn ze nooit boos op hem geweest? Of op het lot? Allebei schudden ze het hoofd. Toen Eddy zijn dochter in november 2008 naar de trein in Groningen bracht, zei hij tegen haar: ‘Laten we één coupé verder nemen, dan heb je wat meer ruimte.’ Zo ontmoette ze Samarie. ‘Maar toeval werkt ook de andere kant op’, zegt Eddy. ‘Dingen gaan meestal goed en dan zeg je nooit: waarom moet mij dit overkomen?’

Zoals gezegd: ze aanvaarden.

Zo kan het dat ze elke maand naar de tbs-kliniek in Balkbrug afreizen, geen idee hoe lang nog. Normaal gesproken zou de rechter om de twee jaar bekijken of hij vrij mag, maar dat is bij Samarie vermoedelijk onmogelijk. Bij de laatste tbs-fase horen resocialisatie en proefverloven, maar hij heeft geen verblijfsvergunning en mag dus niet rondlopen in Nederland. Toch zegt hij altijd dat het naar omstandigheden redelijk goed met hem gaat. Hij doet het knap, vindt Lieuwkje. ‘Hij volgt zoveel mogelijk wat er in de wereld gebeurt. Hij heeft hobby’s. De ene keer is hij opgewekter dan de andere, maar we proberen hem altijd moed in te spreken en te ondersteunen.’

En dan beantwoordt Lieuwkje de vraag hoe het met hén gaat. ‘Het had een stuk minder gekund’, zegt ze bedachtzaam. Van anderen die zoiets vreselijks hebben meegemaakt, hoort ze hoe het ook had kunnen gaan. Andere getroffen ouders groeien soms uit elkaar. Bij hen is daar geen sprake van, ze gaan zelfs naar een nieuw huis. ‘Maar het leven wordt nooit meer zoals het was. Je wordt er iedere dag mee geconfronteerd. We hebben net kleinkinderen gekregen en elke keer als ik ze zie, denk ik: wat jammer dat Renske dit niet meemaakt.’