Slachtpartij aan de Turks-Iraakse grens

‘Ze bombarderen onze mensen’

In december 2011 werden in Turkije 34 Koerdische smokkelaars door een bombardement gedood. Werden ze aangezien voor PKK’ers? Onwaarschijnlijk. Sinds PKK-leider Öcalan een staakt-het-vuren afkondigde is Turkije in de ban van de vrede – maar ‘Uludere’ kan een serieus obstakel betekenen op de weg daar naartoe.

Het is officieel: niemand is schuldig aan het bombardement bij het plaatsje Uludere aan de Turks-Iraakse grens, waarbij eind december 2011 34 Koerdische burgers om het leven kwamen. Ook wie het bevel tot het bombardement gaf, blijft in nevelen gehuld. Aan de waarom-vraag komt het rapport van de parlementaire onderzoekscommissie, dat deze maand werd gepresenteerd, helemaal niet toe. Er is geen waarom. Het was een ongeluk. De burgers, die goederen smokkelden van Irak naar Turkije, waren aangezien voor strijders van de Koerdische gewapende groep pkk. Kan gebeuren.

Kous af? Nee. Want er is veel meer bekend over de omstandigheden rondom het bombardement dan het officiële rapport laat zien. Uit alle puzzelstukjes blijkt: ‘Uludere’ was geen ongeluk. Maar waarom dan moesten er 34 Koerdische jongens en mannen dood?

Voor Lezgin Encü, 38 jaar, begint het verhaal van het Uludere-bombardement op de avond van 28 december 2011, om iets over half tien. Hij zit tv te kijken in zijn huis in het dorpje Ortasu als er op de houten voordeur wordt gebonkt. ‘Vliegtuigen!’ roepen de jongeren die voor zijn deur staan. f16’s zijn het, ze werpen bommen af, hij voelt de grond trillen. Precies daar waar eerder die avond een groep van 38 mensen uit Ortasu en het naburige dorp Gülyazi – in het district Uludere – naartoe getrokken zijn. ‘Onze mensen!’ denkt Encü. ‘Ze bombarderen onze mensen!’

De groep van 38 smokkelaars, waaronder negentien minderjarigen, is eerder die dag rond vier uur te voet vertrokken vanuit Ortasu, richting de Iraakse grens, zo’n drie kilometer verderop. Rond half zes passeren ze met een paar dozijn muilezels de grens. Na nog eens drie kilometer zwoegen door de sneeuw in Noord-Irak staan er vrachtwagens op ze te wachten, beladen met benzine en suiker. De spullen worden overgeladen op de lastdieren en de smokkelaars maken rechtsomkeert richting Turkije. Rond half tien passeren ze opnieuw de grens.

Lezgin Encü is niet de enige gealarmeerde dorpsbewoner. Iedereen weet dat de smokkelaars vanavond weer op pad zijn. Iedereen kent de smokkelaars en vrijwel iedereen in het dorp gaat zelf ook vaak op pad naar de andere kant van de grens, of heeft dat gedaan. Een aantal mannen springt in een paar auto’s en zet koers richting de plek van het bombardement. Er zijn soldaten in de buurt. ‘We spraken ze in paniek aan’, herinnert Encü zich. ‘We hoefden ons geen zorgen te maken, zeiden ze, de actie was bedoeld om de smokkelaars af te schrikken.’

De dorpelingen vertrouwen het niet. De f16’s blijven komen. Tussen 21.37 uur en 22.24 uur wordt er vier keer gebombardeerd. Dan is het stil.

‘We hebben meteen zo veel mogelijk mensen gebeld om met dekens naar de plek des onheils te komen’, vertelt Encü. Het eerste deel van de route vanaf het dorp kan nog met auto’s worden afgelegd, daarna moeten de dorpelingen met een tractor en dan te voet verder om de plek van het bombardement te bereiken. Encü: ‘Alles lag door elkaar. Delen van mensen en van dieren, bedoel ik. Acht jongens leefden nog, zwaar gewond. Die hebben we eerst meegenomen, in dekens gewikkeld. Zeven stierven er onderweg. Eén van hen, Salih Ürek, stierf in mijn armen. Hij was 23 jaar.’

De rest van de nacht zwoegen tientallen dorpelingen in de sneeuw. Zo veel mogelijk ezeltjes worden naar de plek van het bombardement gebracht, zodat de lijken daarop kunnen worden vervoerd. Zo goed en zo kwaad als het gaat worden lichaamsdelen bij elkaar gezocht, delen die bij elkaar lijken te horen gaan in dezelfde deken. ‘Niet iedereen was in stukken gereten’, zegt Lezgin Encü. ‘Sommige jongens vond je in één stuk, en soms vond je er twee of drie tegelijk omdat ze elkaars hand vasthielden.’

Op last van de akp-regering van premier Erdogan zenden de Turkse tv-zenders ’s ochtends niets uit over het drama in de zuidoostelijke bergen. Pas na het middaguur krijgen ze toestemming erover te berichten en wordt de kwestie, bij monde van leger en regering, neergezet als een onfortuinlijk ongeluk.

Voor veel Turken is het een aannemelijk verhaal: de smokkelaars bevonden zich in gebied waar ook de pkk zich ophoudt en waar de pkk vaak de grens oversteekt om in Turkije aanslagen op militaire doelen te plegen, en in het donker is niet makkelijk vast te stellen wat voor groep mensen daar loopt. Ook in de Koerdische media zijn ze niet vies van flink wat framing. Daarin staat vanaf de bewuste nacht vast dat het een opzettelijke aanval was op Koerdische burgers.

Beide versies rammelen.

De onafhankelijke mensenrechtenorganisaties ihd en Mazlum-Der vaardigen de ochtend na het bombardement in alle vroegte een delegatie af naar de plek des onheils. Ze spreken met dorpelingen, met overlevende Servet Encü en met nabestaanden. Het rapport dat ze een paar dagen later uitbrengen, schetst een beeld van een ontredderde gemeenschap. Al jaren smokkelen ze met medeweten van de autoriteiten goederen van Irak naar Turkije over dezelfde route, al jaren gaat dat goed en worden ze zelfs door het leger geïnformeerd als er operaties tegen de pkk gepland staan. En dan nu ineens 34 doden.

Ikzelf kom een week na het bombardement voor het eerst in het dorp. De beelden van het drama en de begrafenis grijpen me aan en de berichtgeving erover roept zoveel vragen op dat er maar één ding opzit: ernaartoe. Ik woon dan nog in Istanbul. In het zuidoosten ben ik al vaak geweest, maar in de afgelegen provincie Sirnak nog niet. Het laatste deel van de route leg ik af met een dolmus en duurt zo’n twee uur vanaf de provinciehoofdstad. De regio is prachtig en wordt gaandeweg steeds ruiger. Dat hier nauwelijks werk is en mensen dus wel moeten smokkelen om in hun levensonderhoud te voorzien, is evident. Hier en daar lopen herders met kleine schaapskuddes, maar zo groot als vroeger is de veeteelt niet meer: sinds de strijd tussen de pkk en het leger in 1984 losbarstte, zijn grote delen land verboden militair terrein geworden.

In het huis waar ik met nabestaanden praat, komen telkens nieuwe mensen binnen die hun verhaal kwijt willen. Ook Servet Encü, de enige beschikbare overlevende, wil praten. Hij vertelt: ‘We hoorden onbemande vliegtuigjes zoemen boven de grens. We trokken ons er niets van aan, want die zijn er wel vaker en we worden altijd geïnformeerd door het leger als er operaties tegen de pkk gepland staan, zodat we onze handel kunnen uitstellen tot het weer veilig is. We waren niet geïnformeerd, en dus gingen we op pad.’

Het lijkt vreemd, dorpelingen die over een illegale activiteit als smokkelen contacten onderhouden met het leger. Toch is het logisch. Veel mannen in het dorp werken namelijk behalve als smokkelaar ook als dorpswacht, door de staat bewapende en betaalde hulpjes van het leger die hun dorp beschermen tegen de pkk en zo nodig meevechten in de strijd. Niet dat de dorpelingen per se tegen de pkk zijn, maar in een regio met zo weinig werk pakken veel mensen iedere mogelijkheid aan om in hun levensonderhoud te voorzien.

Ruim twee weken na het incident, op 11 januari 2012, stelt het Turkse parlement een onderzoekscommissie in, als subcommissie van de vaste parlementaire commissie mensenrechten. Die heeft acht leden, en elke partij is evenredig aan het aantal zetels in het parlement vertegenwoordigd: vijf voor regeringspartij akp, één voor de grootste oppositiepartij chp, één voor de pro-Koerdische bdp en één voor de ultra-nationalistische mhp.

Ondertussen hebben verschillende cruciale documenten het stempel ‘geheim’ gekregen, wat betekent dat de onderzoekscommissie ze niet te zien krijgt. Ook de hoogste militaire en politieke beslissers zullen de commissie niet te woord staan. Daarmee is de toon gezet: doel van het onderzoek lijkt niet te zijn om de onderste steen boven te krijgen, maar om premier Erdogan en de legerleiding buiten schot te houden. Het overwicht van de akp in de commissie en het voorzitterschap dat in handen is van akp’er Ihsan Sener gaan daarvoor zorgen.

De commissie wordt het werken zo onmogelijk gemaakt dat zelfs voorzitter Ihsan Sener erover klaagt. In juli 2012 zegt hij tegen de Turkse pers: ‘Ik geloof niet dat de staat alle informatie en documentatie met ons deelt.’ De presentatie van het onderzoeksrapport, eerst beloofd in maart en daarna in juni, is dan al twee keer uitgesteld omdat de commissie bij gebrek aan informatie geen conclusies kan trekken.

Lale Kemal, militair deskundige en journalist bij het dagblad Taraf, bevestigt dat het onderzoek ‘niet transparant’ is. ‘Het is de Uludere-commissie niet gelukt waarheden te achterhalen’, zegt ze voorzichtig. ‘Dat heeft ook te maken met de macht van het leger, die in Turkije nog altijd niet helemaal onder controle is. Niemand kan of wil ervoor zorgen dat het leger alle informatie beschikbaar stelt. Een openbaar aanklager in Diyarbakir die het incident onderzoekt, klaagde erover dat het leger weigerde informatie te geven waaruit zou blijken wie het bevel tot bombarderen heeft gegeven.’

Het bombardement laat me niet los. In het voorjaar van 2012 besluit ik terug te gaan naar Gülyazi, het dorp waar de meeste slachtoffers vandaan komen en waar ook de begraafplaats is waar alle 34 slachtoffers liggen. Ik verblijf een paar weken bij Pakize Kaplan. Ze is 28 en verloor haar man Osman (34) in het bombardement. Ze heeft drie dochters en twee zoons tussen de zes en elf jaar. De oudste, Özkan, is bijna oud genoeg om ook uit smokkelen te gaan. ‘Natuurlijk ben ik bang’, zegt Pakize. ‘Maar er is hier geen ander werk. Alle jongens hier doen het. Hij wil eigenlijk nu al, maar ik vind hem te jong en laat hem nog niet gaan.’

In die weken praat ik met verschillende jongens in het dorp. Ze gaan vrijwel allemaal geregeld naar Irak voor benzine, suiker en thee. Per avond verdienen ze daarmee vijftig tot tachtig lira (23 tot 35 euro). Sommigen gaan omdat hun familie anders niet rondkomt, anderen voor wat hier de ‘extraatjes’ zijn: schoolboeken, een laptop, een nieuwe jas of schoenen. Overdag gaan ze naar school en ze studeren hard, zoals jongeren overal in Turkije doen. Eigenlijk, realiseer ik me, zijn deze tieners ook een soort overlevers van het bloedbad. Zij waren er puur toevallig die fatale avond niet bij. Hoe voelt dat voor die jongens? Wat voor invloed heeft dat op hun leven?

Die gedachte wordt nog beklemmender als ik later hoor over de beelden die onbemande vliegtuigjes de bewuste avond maakten van het konvooi en het bombardement. De drones vliegen vrijwel dagelijks boven de Turkse grens met Irak: Turkse van Israëlische makelij aan de Turkse kant, Amerikaanse aan de Iraakse kant. De Uludere-commissie bekijkt de beelden van de avond van 28 december 2011 twee maanden na het incident.

Ertugrul Kürkcü, die namens de bdp in de Uludere-commissie zit, vertelt me een jaar later, in februari 2013, dat je geen expert hoeft te zijn om de beelden, gemaakt met warmtecamera’s, te kunnen beoordelen. ‘Wat we zagen was geen verplaatsing van een gewapende militante groep. Het was een rommelige groep, zonder discipline, gewoon, een karavaan mensen met dieren. De lastdieren waren bepakt met witgekleurde, dus koude lading. De vorm van wapens is nergens te zien.’

De videobeelden van na het eerste bombardement zal hij nooit vergeten: ‘Als de groep uit guerrilla’s had bestaan, zouden ze dekking hebben gezocht om verlies van manschappen zo veel mogelijk te beperken. Deze groep deed het tegenovergestelde: ze kropen bij elkaar, hielden elkaar vast, verstopten zich niet. Ze waren bang. De meesten waren kinderen.’

Er zijn nog andere redenen om aan te nemen dat ook bij de bevelhebbers van die avond bekend was dat het niet om een groep pkk’ers ging, maar om burgers. Zo weet het leger dat de smokkelroute weliswaar aan de Turkse kant bergachtig is, maar aan de Iraakse kant vlak. De delegatie van ihd en Mazlum-Der – de enige die snel genoeg naar Uludere afreisde om niet gehinderd door militairen de precieze plek van het bombardement te onderzoeken – schrijft in haar rapport: ‘De Iraakse kant van de route is vlak en daardoor ongeschikt als uitvalsbasis voor verrassingsaanvallen op Turks grondgebied. Iedereen die de grens over die vlakte nadert, wordt gezien door Turkse soldaten.’

De tweede man van regeringspartij akp, Hüseyin Celik, kwam kort na het bombardement met een verklaring. Daarin bracht hij een pkk-aanval uit 2010 in herinnering, bij Hantepe in de naburige provincie Hakkari, waarbij de gebruikte wapens op lastdieren werden vervoerd. Met andere woorden: zo duidelijk zijn de verschillen niet tussen een groep militanten en een groep burgers.

Vergelijkbaar zijn de pkk-strijders bij Hantepe en de smokkelaars bij Uludere echter allerminst: de Hantepe-aanval werd uitgevoerd door een kleine guerrilla-eenheid van waarschijnlijk zeven man. De Hantepe-groep had daarbij ongetwijfeld niet minstens veertig beladen ezeltjes bij zich, zoals de 38 Uludere-smokkelaars – een groepsgrootte waarin guerrilla’s zich nooit verplaatsen. Bovendien gingen de smokkelaars eerst van Turkije naar Irak en even later weer terug, zonder enige poging zich voor de drones boven hun hoofden te verbergen – niet logisch voor een groep guerrilla’s.

Tel daarbij op dat drones al jaren worden ingezet in het gebied en dat de smokkelaars daarmee al ontelbare keren zijn gespot, herkend en vervolgens met rust gelaten. Dat de beoordelaars van de drones-beelden en de militaire bevelhebbers echt geen pkk-strijders van smokkelende burgers kunnen onderscheiden, is onwaarschijnlijk. Bovendien: het bombardement ging door nadat beelden na de eerste reeks bommen meer aanwijzingen opleverden dat het niet om pkk-strijders ging én nadat dorpelingen aanwezige militairen erop hadden gewezen dat het smokkelaars waren daar aan de grens.

De hele groep moest dood. Waarom?

Als ik die vraag stel in het dorp, krijg ik meestal als antwoord: ‘Omdat we Koerden zijn.’ Dat antwoord bevredigt me niet. Met Koerdische media kom ik ook niet veel verder: die houden het er doorgaans op dat het bombardement (dat zij noemen naar de Koerdische naam van het dorp Ortasu, Roboski) een gerichte aanval op Koerdische burgers was. Maar zoals gezegd, ook die versie rammelt. Te simplistisch. De laatste keer dat de Turkse staat doelbewust veel onschuldige Koerdische burgers bombardeerde was in 1938, toen een opstand in de provincie Dersim, nu Tunceli geheten, hardhandig werd neergeslagen. Tijdens de strijd tegen de pkk, die in 1984 begon en die vorige week tot een voorlopig einde kwam met een staakt-het-vuren, zijn er wel individuele burgers omgebracht door de staat, maar geen groepen gebombardeerd. Waarom zou er dan zomaar ineens op een willekeurige dag op een willekeurige plek een groep smokkelaars worden omgebracht?

Voor een logischer antwoord op de waarom-vraag is een nacht twee maanden voor het bombardement belangrijk. De pkk pleegde in de nacht van 18 op 19 oktober 2011 een aanval op twee politieposten in de provincie Hakkari, waarbij 24 soldaten omkwamen en er 22 gewond raakten. Het was het grootste verlies aan Turkse kant sinds jaren. Turkse politici zwoeren wraak.

De Uludere-onderzoekscommissie is een aantal keren naar Uludere afgereisd om ter plekke met onder anderen legercommandanten te praten. En daar kwam, zegt commissielid Ertugrul Kürkcü, cruciale informatie uit: ‘We spraken met de commandant van de 23ste divisie van de militaire politie, Ilhan Boluk. Hij stelde dat het enige politiek-militaire doel in de regio Fehman Huseyin was, een hoge pkk-commandant met als codenaam Bahoz Erdal. Volgens inlichtingen zou hij in Noord-Irak zitten.’

Het leger verklaarde een dag na het bombardement dat er inlichtingen waren dat de pkk wraakacties aan het voorbereiden was omdat ook zij aanzienlijke verliezen had geleden. pkk-eenheden zouden naar de regio Sinat-Haftanin zijn gestuurd, de regio waar het Uludere-bombardement plaatsvond, en daar aanvallen voorbereiden.

Maar die informatie klopt niet, zo blijkt uit in dit geval onverdachte hoek, namelijk het (geheime) rapport dat het ministerie van Binnenlandse Zaken opstelde en dat de leden van de Uludere-onderzoekscommissie mochten inzien (en daarna weer moesten inleveren en waarvan geen kopietjes of foto’s mochten worden gemaakt). Commissielid Kürkcü haalt het verschillende keren aan in het rapport over Uludere dat hij in maart zelf publiceerde en dat tegenwicht moet bieden aan de officiële onderzoeksuitkomsten van de Uludere-commissie (zie kader).

In dat Binnenlandse Zaken-rapport komen verschillende militairen aan het woord die stellen dat de regio juist ‘relatief kalm’ is en dat er ‘geen terroristische activiteit’ is. De chef van de inlichtingendienst van de politie in de provincie Sirnak, waar Uludere ligt, meldt: ‘Volgens onze informatie staat het bewuste gebied niet bekend als gebied waar terroristen zich verplaatsen. Het is in gebruik door smokkelaars.’

De eerder aangehaalde lokale generaal Ilhan Boluk vertelt de Uludere-onderzoekscommissie dat de reactie van de smokkelaars op het eerste bombardement officieel werd gezien als bevestiging dat het een groep pkk’ers betrof, en vervolgt: ‘Ik heb daar mijn vraagtekens bij. Vanwege deze tweeslachtigheid waren we na de vernietiging van de terroristische elementen niet verheugd.’

De inlichtingen over zich verzamelende pkk-eenheden blijken gebaseerd op geruchten en een waargenomen verhoogd gebruik van radiografische communicatieapparatuur in de regio vergeleken met voorgaande jaren. Het rapport van Binnenlandse Zaken stelt dat dergelijke inlichtingen een militaire operatie niet kunnen rechtvaardigen zonder dat die worden ondersteund door andere inlichtingen.

‘Op basis van opgepikte gesprekken werd besloten een grondoperatie te houden bij de grens’, zegt Ertugrul Kürkcü. ‘Er zou een pkk-eenheid naar Turkije komen, mogelijk met Fehman Huseyin. Dat plan werd tot ongeveer negen uur ’s avonds gevolgd, en toen ineens afgeblazen. Alle militairen werd opgedragen terug te keren naar de barakken. Vandaar dat de dorpelingen die het bombardement hoorden en er op af gingen, rond half tien, militairen tegenkwamen.’

In kranten van de dagen na het bombardement wordt hier en daar gespeculeerd dat er niet alleen smokkelaars onder de slachtoffers zouden zijn, maar ook pkk’ers, en de naam van Fehman Huseyin wordt genoemd. Later, als blijkt dat de slachtoffers echt alleen smokkelaars zijn, verdwijnt de naam weer uit de kolommen. Terwijl hij de sleutel is. Ertugrul Kürkcü: ‘Het Uludere-bloedbad was een opzettelijke en gerichte operatie waarbij werd ingecalculeerd dat er burgers zouden omkomen, om misschien één pkk-leider te doden. Als dat gelukt was, zou niemand meer over de burgerdoden praten. Het zou als een victorie zijn gevierd.’

Keihard bewijs heeft hij niet, simpelweg omdat alle cruciale documenten geheim zijn en de hoogste beslissers weigerden met de commissie te praten. ‘Maar op basis van de informatie die er wél is, en op basis van getuigenverklaringen en logisch denken, is dit de uitkomst.’

Journalist en militair deskundige Lale Kemal zegt: ‘Zelfs als het een ongeluk was, zoals de regering zegt, was het een onbezonnen ongeluk. En stel dat het waar was dat er pkk’ers onder de smokkelaars waren, is dat dan reden om te bombarderen als ze niet op het punt staan een aanslag te plegen? Er wordt in dit land geen enkele waarde gehecht aan mensenlevens.’

Ook het feit dat het Turkse leger nog altijd niet volledig onder controle staat van de politiek speelt volgens Kemal een rol bij het bombardement en bij de manier waarop de staat ermee omgaat. ‘Erdogan en het leger hebben een goede werkrelatie en daardoor lijkt het alsof Erdogan de controle heeft, maar dat is niet zo’, zegt ze. ‘In een volwaardige democratie zou het leger waarschijnlijk voorzichtiger hebben gehandeld. En zou een incident als Uludere grondig worden onderzocht. Bovendien zouden er in een democratie excuses worden aangeboden. Al deze cruciale stappen zijn niet genomen. Sterker nog: de commandant van de luchtmacht kreeg vorig jaar november een medaille.’

Op 5 maart 2013 besprak de Uludere-commissie haar eigen eindrapport. De leden van de commissie kregen zelf geen exemplaar, uit angst dat het voor de officiële presentatie naar de pers zou lekken. Alleen de vijf akp-leden onderschreven de conclusies, de leden van chp, bdp en mhp wezen ze af. Dat is vijf tegen drie, en dus werd het rapport aangenomen. Twee weken later, op 20 maart, werd het rapport gepresenteerd.

Niet dat Turken er veel over hebben gehoord. Een dag daarna, tijdens de viering van het Koerdisch nieuwjaar in de onofficiële hoofdstad van de Koerden, Diyarbakir, kondigde pkk-leider Öcalan een staakt-het-vuren af. In één klap was Turkije in de ban van de vrede. Journalist en militair deskundige Lale Kemal: ‘Uludere is een obstakel in het vredesproces. Transparantie en een officiële verontschuldiging zullen het proces versnellen.’

Hoe dat zit, snap je helemaal als je het dorp kent. In mijn bezoeken aan Gülyazi en Ortasu heb ik gezien hoe ontwricht het leven er nog altijd is. Een van de jongens die ik in de lente sprak, kom ik in het najaar weer tegen. Ik herinner me dat hij het goed deed op school en vraag hem hoe het gaat. ‘Ik ben gestopt met school’, zegt hij. Hij legt uit dat hij zich de rest van het schooljaar niet meer kon concentreren door het verlies van zijn vrienden en dorpsgenoten, en dat hij in alle vakken is gezakt. Hij mocht het jaar alleen opnieuw doen als hij een flink bedrag betaalde, en dat had zijn familie niet. Nu pakt hij elk klusje aan dat voorbijkomt. Ja, ook smokkelen.

Zo leidt elke onschuldige vraag tot een gesprek over het bloedbad. Aan Semire, die haar dertienjarige broertje Bedran verloor, vraag ik, als we in haar huis in de keuken op de grond zitten en zij tomaten snijdt, of ze al trouwplannen heeft. Ze is net achttien geworden. ‘Ik ga nooit trouwen’, zegt ze beslist. ‘De jongens zijn dood.’

Maar niet alleen de dorpsgemeenschap is ontwricht, het bombardement laat ook diepe sporen na in de Koerdische gemeenschap als geheel. Op 28 december 2012, als het bloedbad wordt herdacht, hangt er een groot spandoek: Dersim 1938, Roboski 2011. Beide massamoorden zijn nooit grondig onderzocht, voor beide is nooit oprecht excuses aangeboden, van beide wordt onder de pet gehouden wie het bevel gaf. Bij Dersim was dat de Turkse vader des vaderlands Atatürk, destijds president. Bij Uludere is dat hoogstwaarschijnlijk óf de hoogste legerbaas, óf premier Erdogan. Niet alleen het verdriet, ook de woede is groot. De bewoners denken écht dat hun mensen zijn gebombardeerd puur omdat ze Koerd zijn. Om een begin te maken met het herstellen van hun vertrouwen in de staat is op z’n minst de waarheid nodig, en een oprechte verontschuldiging.

Als ik op 21 maart 2013 in alle vroegte op het Newroz-festivalterrein in Diyarbakir aankom, word ik ineens op de schouder getikt. ‘Feride, ben je ook hier!’ – die naam gebruik ik vaak in Turkije. De vrouw die me staande houdt, ken ik uit Gülyazi. Ze is er samen met een andere moeder uit het dorp. We praten even, en later, als ze op de viptribune zitten op speciaal voor hen gereserveerde plaatsen, ga ik nog even naar ze toe. Midden in het vrolijke feestgedruis, waar Öcalans oproep tot een staakt-het-vuren straks zal worden voorgelezen, staan hun gezichten triest. In hun handen een lijst met 34 foto’s. Veel aandacht krijgen de moeders niet.


Fréderike Geerdink is freelance journalist met als standplaats Diyarbakir. Ze werkt aan een boek over de Koerdische kwestie waarin het Uludere-bombardement de rode draad vormt. Voor meer informatie zie kurdishmatters.com


Geen opzet

Volgens het officiële rapport van de Uludere-commissie, dat nog niet openbaar is omdat het eerst besproken moet worden in de parlementaire mensenrechtencommissie, was er van opzet geen sprake. Het bombardement is, volgens de commissie, het gevolg van miscommunicatie tussen civiele en militaire autoriteiten, en van de voortdurende ‘terroristische dreiging’ in het gebied. Informatie die deze conclusies niet ondersteunde, zoals getuigenverklaringen en delen uit het (geheime) rapport van Binnenlandse Zaken, is niet onderzocht of in de conclusies meegenomen. Er wordt ook geen schuldige aangewezen.

BDP-parlementariër Ertugrul Kürkcü vermeldt cynisch in zijn eigen rapport: ‘De commissie heeft toegewerkt naar één conclusie: de burgers zijn gedood door vliegtuigen.’

Behalve de BDP accepteren ook de andere twee oppositiepartijen, CHP en MHP, de uitkomsten van het officiële rapport niet.