Over spanning en suspense

Ze dansen en drinken

PATRICIA HIGHSMITH
DEEP WATER
Bloomsbury, 304 blz., € 13,99 (oorspr. 1957)
In het Nederlands verschenen als Stille waters (De Arbeiderspers, 1975), vertaald door Stella Bromet

Victor Van Allen komt op een van de vele feestjes in het stadje Little Wesley in gesprek met Joel Nash, die hij verdenkt van een affaire met zijn vrouw Melinda. Nash, die zich kennelijk toch wat ongemakkelijk voelt, zegt tegen Victor dat hij het waardeert dat die altijd zo aardig tegen hem gebleven is. Natuurlijk heeft hij niet echt iets gehad met Melinda, maar een andere jaloerse echtgenoot zou hem mogelijk in el-kaar geslagen hebben. Daarop antwoordt Victor glimlachend dat hij zijn tijd niet verdoet met het in el-kaar slaan van mensen: ‘Als ik iemand echt niet mag, dan vermoord ik hem.’ Nash beschouwt dat voor-lopig als een wat cynische grap. Dan komt het gesprek op Malcolm McRae, een vroegere minnaar van Melinda, die in zijn appartement in New York is vermoord. De dader is nog altijd onbekend. Victor sug-gereert dat hij zelf McRae om zeep heeft geholpen.
Binnen tien bladzijden is de toon gezet van een van de beste romans van Patricia Highsmith. Voor de toppositie ondervindt het boek wat mij betreft alleen concurrentie van This Sweet Sickness, ook al een thriller met zo’n ogenschijnlijk aardige, maar gestoorde persoon, David Kelsey, in de hoofdrol. In Deep Water weten we dus al snel welke kant het verhaal op zal gaan: Victor Van Allen bedreigt de minnaar van zijn vrouw door een moord te bekennen die hij nooit heeft gepleegd. De logische consequentie is dat er wel een moord op móet volgen, zeker als we enkele pagina’s verder een fantasie van Victor lezen over de manier waarop hij McRae zou hebben vermoord.
De spanning in Deep Water rust op twee pijlers. De eerste betreft de simpele vraag wat er gaat gebeu-ren, hoe deze troebele situatie af moet lopen, of er inderdaad doden zullen vallen, en zo ja, of Victor er-mee wegkomt. De tweede pijler heeft te maken met het karakter van Victor Van Allen: wat is dat in godsnaam voor een man, die zich op een masochistische manier laat bedriegen?
Melinda heeft een zwak voor alcohol, verwaarloost het huishouden, is stuitend egoïstisch, mooi, maar op het nymfomane af gericht op het versieren van mannen. Als er een nieuwe barpianist in het plaatse-lijke hotel-café komt spelen, is al snel duidelijk dat die haar volgende prooi moet worden. Het feit dat Melinda een minnaar heeft kan Victor nog wel accepteren, maar dat het zo’n lullig mannetje is, niet in staat tot enige intelligente conversatie, stoort hem nog het meest. En dan wordt onontkoombaar wat hij in feite zichzelf heeft opgedragen na zijn valse bekentenis: hij laat de pianist verdrinken in een zwembad tijdens een nachtelijk feestje.
Melinda verdenkt haar man en hun relatie wordt steeds killer en agressiever, van haar kant tenminste, want Victor blijft de vriendelijkheid en wellevendheid zelve. Melinda begint een nieuwe affaire, en we we-ten wat het lot van deze man zal zijn, vooral omdat het weer een cultuurarme, tamelijk onbehouwen fi-guur is, een regelrechte belediging voor de fijngevoelige Victor. Voor de minnaar is een kus van Melinda in feite een kus des doods.
Het karakter van Victor Van Allen is de motor van de broeierige intrige. Hij is het ultieme voorbeeld van de romanheld met een gespleten persoonlijkheid, hoewel het woord ‘held’ hier misschien enigszins mis-plaatst is. Hij is sociaal voelend en zorgzaam, bijvoorbeeld voor zijn dochter Trixie. Verder is hij eigenaar van een kleine drukkerij/uitgeverij die bijzondere boeken in een kleine oplage op de markt brengt, en waaraan hij een deel van zijn familiekapitaal besteedt. Kortom, een graag geziene burger in Little We-sley.
Maar Victor heeft ook zijn creepy kanten, te beginnen met de slakken en de wandluizen die hij houdt. ‘Ik heb ze nu in de garage in een glazen bak en ze slapen op een stukje matras dat ik in hun bak heb ge-legd’, vertelt Victor over de wandluizen aan een vrouw die informeert naar een plekje op Victors hand. ‘Zo af en toe mogen ze me bijten, omdat ik wil dat hun levenscyclus zo normaal mogelijk is. Ze hebben nu al twee keer eieren gelegd.’ Het woord ‘normaal’ uit de mond van Victor Van Allen klinkt ongeveer net zoals ‘liefde’ bij Hannibal Lecter.
Een andere, op z’n minst vreemde, karaktertrek van Victor is dat hij zichzelf voortdurend lijkt te vernede-ren tegenover Melinda en de mannen die zij mee naar huis neemt. Hij accepteert hen, geeft hun te eten en te drinken, maar dat niet alleen: hij blijft rustig tot vier of vijf uur ’s nachts op om hen gezelschap te houden. Ze dansen en drinken, en willen wel naar Melinda’s slaapkamer verdwijnen (Victor heeft een eigen slaapgelegenheid in de omgebouwde garage), maar durven niet omdat Victor onverstoorbaar blijft zitten lezen. Ten slotte blazen ze stomdronken de aftocht, bedankjes voor de genoten gastvrijheid mompelend.
Victor beschikt zeker over zelfinzicht. Tegen de vrouw die naar de plek op zijn hand vraagt, zegt hij nog: ‘Ik wil niet dat je denkt dat ik zo goed ben als jij doet voorkomen. Ik heb ook mijn slechte kanten. Ik houd ze alleen goed verborgen.’ Maar een geweten ontbreekt, net als bij Tom Ripley, dat andere intrigerende Highsmith-personage. ‘Vics geweten liet hem met rust’, staat al ergens na de eerste moord, en aan het eind, als hij wordt weggevoerd door de politie: ‘Hij begon zich vrij en opgewekt te voelen en hij wist dat hij nergens schuld aan had.’