‘ze discrimineren zelf ook’

Op de Open Dag van het Stimuleringsfonds Culturele Omroepprodukties werd een aflevering van Nosmo King vertoond. Felix, automonteur, is aanvoerder en ziel van basketbalploeg The Antillians. Twee Turkse jongens, talenten, willen lid worden.

Voor Felix ondenkbaar: zijn overal uitgekotste eilandslieden ontlenen hun waardigheid aan dit team van eigen bodem. Of liever: zouden die moeten ontlenen - de naderende kampioenswedstrijd in combinatie met een zwakke stee in het team doet zijn pupillen van gevoel en mening veranderen. Culminerend in: ‘Wat lul je nou - ik ken die hele Antillen niet - ik ben Osdorp in hart en nieren.’ De Turken dragen bij tot de overwinning terwijl Felix, ontgoocheld, met zijn dochtertje een fietstocht maakt.
Discussie na afloop. Deelnemers aller etnische herkomsten hoonden die cruciale motivatie weg. En inderdaad: slechts het grove geld van Ajax doet identiteiten naar de achtergrond verdwijnen, maar dan nog spreekt het juichgedrag na doelpunten - de Surinaamse jongens hebben duidelijk het meeste met elkaar - boekdelen. Toch school er iets pijnlijks in die kritiek: het Alle Menschen werden Bruder leek in het vuilnisvat van de geschiedenis te verdwijnen. En hoeveel begrip je ook kunt opbrengen voor onderlinge etnische solidariteit, zeker bij underdogs, en hoe terecht de constatering moge zijn dat deze kleurgrensdoorbrekende 'Osdorp-identiteit’ sporadisch gevoeld wordt, de vraag is of drama slechts tot taak heeft de 'werkelijkheid’ te tonen en of Farrakhan te prefereren is boven King - niet Nosmo maar Martin L.
Goed, met de laatste vraag zaag ik planken van heel dik hout en de makers zetten Felix niet echt in de Farrakhan-hoek, maar er was irritatie voelbaar over drama van een witte auteur die blijk geeft geen sjoege te hebben van de zwarte mensen over wie hij schrijft. En wiens boodschap honend door iemand werd teruggebracht tot: 'Ze discrimineren zelf ook.’
Ook ik had het gevoel dat hier sprake was van een theoretische constructie, een soort debat, waarbij dragers van opvattingen, ondanks acceptabel acteerwerk, geen mensen wilden worden. Maar jammer vond ik dat er geen enkele waardering bleek voor de wijze waarop de makers de verwarring die rond deze vragen speelt niet ontweken maar juist opzochten. En voor de gein waarmee de zwaarte verlicht werd. Wanneer er door de Turkse jongens aangifte is gedaan van discriminatie stapt de beschuldigende ambtenares uiteraard prompt op Nosmo King, witte garage-eigenaar, af omdat ze niet kan bedenken dat diens zwarte monteur de boosdoener is. Zoals ik ooit in de witgejaste vrouw de assistente en niet de tandarts zag die ze was. Zit Felix, black and proud, in een bar en kijkt naar Ajax. Houdt de barkeeper een 18- karaats racistische verhandeling om hem te jennen. Daar had Felix tot voor kort een superieur antwoord of een maar al te begrijpelijke dreun op ’s mans smoel tegenover gesteld - in Nederlands drama dan. Maar Felix trekt de man over de tap, zoent hem vol op de bek en zegt: 'Ik ben homo geworden.’ Zoiets vind ik nou leuk. En 'vooruitgang’.