De avonturen van Sadettin II

Ze durfden niet

Ik ben op tournee met een theatermonoloog over radicalisering; de tweede week begint morgen. Na afloop van de voorstelling heb ik een nagesprek met een deel van het publiek.

Eerder heb ik aangegeven niet heel veel tijd te hebben die avond: mijn zoontje heeft waterpokken en ik sta op de stand-by-stand. Terwijl ik me in de kleedkamer omkleed wordt het publiek naar een andere ruimte begeleid, men neemt een drankje en even later maakt de interviewster een kleine vergissing: ik zou eerder weg moeten omdat mijn zoontje niet de waterpokken, maar de mazelen heeft.

Een kleine vergissing, een behoorlijk verschil. Ik kan het meteen rechtzetten. ‘Nee, nee, daar is hij voor ingeënt, zo radicaal ben ik nou ook weer niet’, grap ik. Een merkbaar opgeluchte lach klinkt door de ruimte.

Het gesprek duurt zo’n twintig minuten. Iedereen heeft de voorstelling gezien en alles mag gezegd of gevraagd worden. De sfeer is ongedwongen, de ruimte knus.

Een groot contrast met een week eerder, toen er in dit theater een inspraakavond met gemeente en bewoners gehouden werd over opvang van vluchtelingen. Een aantal van de aanwezigen was daar ook bij geweest. Wellicht heeft u beelden van de eerdere ontruiming van de raadszaal van deze gemeente op het journaal zien langskomen. Een mevrouw vertelt over hoe zij, ook in die week, met een spandoek met daarop ‘Vluchtelingen welkom’ op het marktplein staat. Daar wordt ze door tegenstanders van opvang toegesnauwd dat ze crimineel is.

Die verhalen verbazen me inmiddels niet echt meer, zo snel ben ik gewend geraakt aan dat anti-vluchtelingengeluid. Het is het zoveelste voorbeeld. Het zijn er te veel om op te noemen. Treurig word ik er nog wel van, dat einde van het normale gesprek.

Een medewerker van het theater biecht op dat de politie heeft gebeld met het theater. Uit voorzorg, vanwege de titel van mijn voorstelling. Dat het gezien de huidige situatie en de omstandigheden misschien verstandiger zou zijn om de titel De radicalisering van Sadettin K. niet op de lichtkrant op de gevel van het gebouw te tonen.

Ik ben daar al van op de hoogte gebracht, maar de andere aanwezigen horen dit voor het eerst.

Even wordt er gezwegen. Ja, gezien de huidige situatie, hoe spijtig dat ook was, kunnen we ons dat ergens wel voorstellen.

Op de terugweg luister ik in de auto naar de radio. Eerder die dag heeft de EU met Turkije onderhandeld over de grenzen sluiten voor vluchtelingen. De Turken slepen er visumvrij reizen uit. De verslaggever vraagt zich af of er ‘een invasie van 74 miljoen Turken’ zal komen. Ik zoek een andere zender, zet ten slotte de radio uit, draai het raam een stukje naar beneden en steek een sigaret op.

Terwijl ik in het donker naar huis rijd denk ik terug aan het nagesprek in het theater. Aan wat de mevrouw van het spandoek verder nog had gezegd.

Naast geluiden van tegenstanders waren er ook andere geluiden te horen geweest, die dag op de markt. Zo nu en dan kwamen er mensen naar haar toe om te zeggen dat ze het zo goed vonden van haar wat ze daar deed, met dat spandoek, met die stelling, die uitnodiging op dat marktplein. Zo dapper. Want zelf durfden ze niet.

Van dat laatste keek ik op.

Iemand anders uit het gezelschap vroeg: ‘Durfden ze niet? Waarom niet?’

Bang, was het antwoord. Bang voor de reacties, het geschreeuw, de verbale agressie.

We zijn helemaal van het padje geraakt, denk ik, terwijl ik rook door het kiertje van het raam blaas. We zijn ergens, een tijd geleden, in een kramp terechtgekomen, denk ik bij mezelf, en niemand weet waar de balsem ligt.

We zijn banger voor de buurman dan voor de vreemdeling. En misschien is dat nog wel veel enger dan waar die hordes vluchtelingen voor op de vlucht zijn geslagen.