Ze heten allemaal Elise van Reuven

Allard Schröder, Wenst. € 18,90

Medium wenst

‘In Wenst wisten ze dat er buiten het dorp en de eindeloze akkers die het omringden vele andere werelden moesten bestaan, die af en toe teer en trillend als een fata morgana boven de horizon van de verbeelding konden verschijnen of ’s nachts als verre, soms verontrustende droomgezichten in de slaap.’
Aldus begint Wenst, de nieuwe roman van Allard Schröder. Wenst is een gehucht, ergens op het platteland van Groningen. Het is op geen kaart terug te vinden, maar Schröder groeide in die streek op en heeft de verhalen van de bewoners ‘lange jaren’ met zich meegedragen. ‘Ze wogen niet zwaar, daarvoor waren ze misschien te bescheiden en lieten ze zich te makkelijk overstemmen door de ketelmuziek van het ware leven’, schrijft Schröder (of tenminste; de verteller) vooraf.
Wenst bevat acht vertellingen, korte verhalen over de bewoners van het dorp aan het begin van de jaren vijftig. De oorlog zit nog in het achterhoofd, de buitenwereld is ver weg en onbekend, en de buitenwereld is onbekend met Wenst: ‘Het gehucht Wenst wordt door de Stad alleen uit de ooghoeken waargenomen, zoals de Stad op haar beurt door de rest van het land slechts uit een ooghoek wordt gezien, en Nederland op dezelfde wijze door zijn buurlanden. En die ook zo door de grote mogendheden.’ De bewoners zijn wantrouwig voor het leven buiten hun polder. De Stad associëren ze met de socialisten, of met de herinnering aan de nazi’s. Het leven in Wenst is daarentegen hetzelfde gebleven, dezelfde gewoonten van altijd, dezelfde families, dezelfde verveling en melancholie. ‘Iedereen die in Wenst en omstreken woonde, werd vanzelf lelijk of kreeg, meteen al bij de geboorte rood haar en een huid bleek als een vissebuik die in de zon verschroeide.’
Niet zo gek dat de personages van Schröder vooral fantaseren over een leven buiten het dorp: in Kleine legende droomt de verlegen Eylert Schering van een leven met Mathilde D***, de stedelijke jongedame die alleen woont in een villa en glamoureuze gasten ontvangen die per sportauto arriveren. Er is het verhaal van Elise van Reuven, die naar klassieke muziekconcerten gaat in de Stad, om dichter bij een potentiële minnaar te komen, die haar weg kan halen uit dat ‘godverlaten, vervloekte Wenst’. Er is de getraumatiseerde veteraan uit het Vreemdelingenlegioen die zo snel mogelijk weer terug zou willen naar de frontlinie en zich op een verjaardagfeestje verlekkert aan de gedachte hoe snel hij alle gasten om zeep zou kunnen helpen.
Trap op de knieën, nekje breken, hoppa.
Wat vooral opvalt is hoe knap Schröder met een paar woorden, een achteloze verwijzing hier en daar, een tijdsbeeld kan oprichten. In zijn terechte AKO-winnaar De hydrograaf (2002) verlieten zijn personages het schip waarop ze voeren nauwelijks, en toch kwam er een haarfijn beeld tot stand van een cultuur op het breukvlak van de klassieke etiquette en de verhufterde moderniteit. In Wenst doet hij het ook perfect, door de lezer in een tijdloos landschap te plaatsen en ogenschijnlijk heel nonchalant veelbetekenende woorden te laten vallen – de rentenierende Indischgast, de ophef rond Bevrijdingsdag. Sowieso begint het oeuvre van Allard Schröder geleidelijk iets onaantastbaars te krijgen, literatuur met een hoofdletter L. Zijn verhalen zijn even elegant als archaïsch geschreven, met als onderwerp vaak gewone, kleine mensen wier levens een mythisch bereik krijgen. In De hydrograaf versmelt het levensverhaal van de aristocratische zeeonderzoeker Franz von Karsch-Kurwitz met de legende van de Vliegende Hollander; in De econome (2007) zwerft Sieglinde Wielantz als een Walkure door een dodenrijk.
Juist dat verliteratuurde is nu net het manco van Wenst: in zijn poging Literatuur te bedrijven – met een hoofdletter – met de levens van de bewoners verliest Schröder geloofwaardigheid. Je ziet het aan de namen van zijn personages. Ze heten allemaal Fisher, Engelbert Vos, Mathilde D***, Arend Donker, Elise van Reuven – namen die je tegenkomt in Germaanse romans, niet in het telefoonboek van een Gronings dorpje, zou je denken. Hetzelfde geldt voor de verhalen. De dwangmatige neiging om van elk onderdeel Literatuur te maken, maakt de verhalen soms te gewild, te bedacht. Neem dat van Elise van Reuven in het deel Langzaam vallende boom. Haar oog valt op een man in de concertzaal en het zijne op haar. Hij verleidt haar en op een stormige nacht voert hij haar mee naar zijn hotelkamer. Eenmaal daar ontkleedt hij zich en blijkt hij impotent. Altijd al geweest. Hij schaamt zich dood, zij geeft hem een paar trappen en vertrekt, om op haar busreis terug naar Wenst te stranden omdat een omgewaaide boom over de weg ligt. Allereerst trekt het narratief als een te krappe blouse. Waarom zou hij haar verleiden als hij weet dat hij impotent is? Hij schaamt zich, dus een masochist is hij niet. De toedracht kan enkel dienen als constructie om Elise’s fantasieën van een leven buiten Wenst op de klippen te doen lopen. Daarnaast is er het symbool van de boom, die niet fier steigerend overeind staat, maar levenloos op de grond ligt. Snapt u? Symboliek van heb-ik-jou-daar.
Dit is geen pleidooi voor popularisering. Zeker niet. Maar een verhaal hoeft niet altijd een mythe te zijn. Soms mogen kleine mensen best klein blijven.

ALLARD SCHRÖDER
WENST
De Bezige Bij, 190 blz., € 18,90