Bezorgde ouders #3: Waardering van de kinderen

‘Ze komen nooit eens spontaan op bezoek!’

Mogen oude ouders iets terugverwachten voor de grote hoeveelheid tijd, geld en liefde die ze in hun kinderen hebben gestoken? ‘Kom eens zomaar een borrel drinken, zonder dat er iets moet.’

Kom, ter zake. Twee afleveringen lang hebben we het voor ons uit geschoven, maar nu moeten we toch de hamvraag onder ogen zien. Mogen bejaarde ouders, nu ze hun kinderen zoveel geven, iets terugverwachten? Voor wat hoort wat? En zo ja, wat dan?

Nog maar twee, drie generaties geleden zou die vraag op totaal onbegrip zijn gestuit. Natúúrlijk was dat zo. Jong en oud waren op elkaar aangewezen en onuitgesproken maar duidelijke verplichtingen regelden de verantwoordelijkheden over en weer. De oudste dochter bleef thuis wonen om voor haar ouders te zorgen. Niet uit betrokkenheid, maar omdat het zo hoorde.

Nu dat plichtsgevoel is vervaagd, zegt socioloog Christien Brinkgreve, hopen bejaarde ouders nog steeds zorg en aandacht van hun kinderen te krijgen, maar de drang daartoe moet van binnenuit komen. Het moet ‘spontaan’ gebeuren.

De ontvangende partij moet dus maar afwachten of het ervan komt. De onzekerheid wordt nog vergroot doordat zich extra vragen aandienen. Is het eigenlijk wel maatschappelijk correct om iets van je kinderen terug te verwachten? En heb je het wel ‘verdiend’? Ben je lief en zorgzaam genoeg geweest om tegen het eind van de rit aanspraak te maken op die spontane hulp?

Geld speelt daarbij geen hoofdrol meer. Financiële bijstand van je kinderen is in de meeste gevallen een gepasseerd station. De aow, goede pensioenvoorzieningen en stijgende huizenprijzen hebben korte metten gemaakt met het beeld van het behoeftige oudje. ‘De financiële wederkerigheidsverhouding is verbroken’, zegt Brinkgreve. ‘Bejaarde ouders moeten hun kinderen geld geven, en niet andersom.’

Maar wat als die ouders hulpbehoevend worden? Mogen ze dan verwachten bij hun kinderen te gaan inwonen? Brrr… ‘inwonen’, het woord alleen al jaagt ons de rillingen over de rug. Ouders, kinderen, allemaal zijn we aangeraakt door het onafhankelijkheidsideaal. Ouders willen hun kinderen niet ‘tot last zijn’ en de kinderen willen die last niet dragen.

Hoogstens vijf procent van de 65-plussers deelt een huishouden met een van hun kinderen. En daarbij is het nog maar de vraag in hoeverre dat duidt op een ‘tegenprestatie’ door die kinderen. Want wie helpt wie? Het Centraal Bureau voor de Statistiek meet een lichte toename van het aantal ‘driegeneratiehuishoudens’, maar in veel gevallen gaat het om volwassen kinderen die tijdelijk zijn teruggekeerd naar het ouderlijk huis vanwege tegenslagen op de huwelijks- of arbeidsmarkt.

Geen geld dus, en niet inwonen, maar hoe staat het met lichtere vormen van zorg en steun? Goed, zeggen sociologen die het hebben onderzocht. ‘Als ouders hulp nodig hebben, helpen kinderen bijna altijd’, zegt Marjolein Broese van Groenou, die aan de Vrije Universiteit onderzoek doet naar sociale netwerken van ouderen. ‘Ze doen boodschappen, zorgen voor vervoer naar het ziekenhuis, bieden emotionele en sociale steun en ook financiële hulp. Ik zie dat die betrokkenheid sterk is gebleven of zelfs is toegenomen.’

Haar collega Pearl Dykstra van de Erasmus Universiteit beaamt het: ‘Ondanks de toenemende complexiteit en vloeibaarheid van familierelaties blijft de familie de belangrijkste bron van hulp en steun. Zeker sinds de dekking door de awbz zo is afgenomen, zie je een toename van het percentage volwassen kinderen dat hun ouders helpt bij huishoudelijke taken.’

Toch zijn de normen aangaande de verantwoordelijkheid van kinderen jegens hulpbehoevende ouders bij ons minder strikt dan gemiddeld in Europa. Als het aankomt op meer intensieve zorgtaken bungelt Nederland – alleen overtroefd door de Scandinavische landen – in Europa onderaan. Hoe verder je naar het oosten en het zuiden komt, hoe vaker kinderen ouders in huis nemen, verzorgen bij ziekte en financieel ondersteunen.

Leidt een genereuze verzorgingsstaat dus tot minder bereidheid om ouders bij te staan, onder het motto: daar hebben we toch de overheid voor? Zo simpel is het niet. In de Noord-Europese verzorgingsstaten wordt zelfs de meeste praktische hulp aan ouders verleend. Schoonmaken, koken, klusjes doen, hulp bij de administratie – als het gaat om zulke minder tijdrovende, minder intensieve en minder belastende taken staan de kinderen klaar.

Maar fysieke zorg, dagelijkse intensieve verzorging… nee, dát liever niet. Dat is de taak van de thuiszorg, waarmee de kinderen zich liefst zo weinig mogelijk bemoeien, zegt Marjolein Broese van Groenou. De meeste ouders zouden dat ook niet anders willen, want intieme lichamelijke verzorging roept gevoelens van gêne en afhankelijkheid op. Niet voor niets hadden we die uitbesteed aan beroepskrachten.

‘Billen wassen’… ook zo’n beladen term uit het verleden. Dachten we. In Griekenland en Italië moeten kinderen dat zelf doen, in Duitsland sturen de instanties een rekening. Wij hadden ons daarvan bevrijd – tot de ‘participatiesamenleving’ zich aandiende. Nu wordt van ons een terugkeer verwacht naar een meer ‘Zuid-Europese’ familiesolidariteit bij de verzorging van oude ouders, die steeds langer thuis blijven wonen, ook als ze hulpbehoevend zijn.

Lukt dat? Jarenlang heeft de overheid op allerlei manieren de onafhankelijkheid van individuele burgers aangemoedigd en bevorderd. Nu predikt ze opeens het tegenovergestelde. De vervanging van de awbz door de Wet maatschappelijke ondersteuning (wmo) en de daarmee gepaard gaande verschraling van overheidszorg is volgens staatssecretaris Martin van Rijn een uitgelezen kans om de betrokkenheid tussen burgers te vergroten.

‘Er is een grote angst voor dankbaarheid. Het lijkt wel of mijn zoon in plaats van dankbaar te zijn juist onvriendelijker wordt’

Nog eens: mogen oude ouders iets terugverwachten voor de enorme hoeveelheid tijd, geld, liefde en aandacht die ze in hun kinderen hebben gestoken? Ja, dat mogen ze, lijkt iedereen te vinden, maar daarmee houdt de eensgezindheid vooralsnog op. Wat ze dan precies mogen verwachten, hangt af van sociale, economische en politieke omstandigheden.

‘Meestal worden twee modellen onderscheiden’, zegt socioloog Matthijs Kalmijn, aan de Universiteit van Amsterdam gespecialiseerd in zorgverhoudingen tussen generaties. ‘Aan de ene kant het ruilbeginsel, waarbij je je “investering” op je oude dag terugkrijgt. Een soort verzekeringsdeal aan de hand van moreel bindende verplichtingen, zoals je die nog in Oost- en Zuid-Europa aantreft. Aan de andere kant het altruïstische model, waarbij je op vrijwillige basis steun verschaft aan wie het nodig heeft, ongeacht wat je ervoor terugkrijgt.

Volgens de ruiltheorie zou je verwachten dat ergens midden in een mensenleven een omslag plaatsvindt, waarbij ouders veranderen van netto gevers naar netto ontvangers van steun. Bij ons in het Westen gebeurt dat pas laat: rond het zeventigste jaar. Ouders blijven dus tot op zeer hoge leeftijd meer aan hun kinderen geven dan andersom.’

Meestal wordt dan ook aangenomen dat in het Westen het altruïstische model overheerst. En zo willen we het ook graag zien, zegt Kalmijn: ‘Wij hebben liever niet het idee dat in een affectieve relatie ruiloverwegingen een rol spelen. Dus naarmate verplichtingen worden vervangen door affectie mag dat ruilaspect minder zichtbaar zijn. We doen bijvoorbeeld iets terug door een hapje eten aan te bieden, maar dat dat een vorm van vergoeding is, wordt niet hardop gezegd. Het gaat om een soort verborgen ruil.’

Dat wederkerigheid een rol speelt, blijkt ook uit onderzoeksresultaten. Zo onderhouden kinderen meer contacten en zorgrelaties met hun bejaarde moeders dan met hun vaders. Er wordt dus meer ‘teruggedaan’ voor de ouder die het merendeel van de zorg en opvoeding voor haar rekening nam. Dat geldt nog sterker voor kinderen die op jonge leeftijd hun vader zagen vertrekken door echtscheiding. Zulke kinderen geven op latere leeftijd minder steun aan hun vader dan anderen. Kalmijn wijst erop dat hierdoor een nieuwe kwetsbare groep kan ontstaan, van alleenstaande oude mannen. Wie zorgt er voor hen in de participatiemaatschappij?

Twee Amerikaanse onderzoekers, Bengtson Silverstein, leverden in 2002 het definitieve bewijs dat overwegingen van wederkerigheid ook in het Westen een rol spelen. Zij toonden aan dat volwassenen die op jongere leeftijd financiële steun van hun ouders kregen meer steun aan hun ouders verlenen dan anderen.

En andersom? Spelen afwegingen van wederkerigheid ook een rol bij de hulp van bejaarde ouders aan hun kinderen? Sommige onderzoeksresultaten lijken in die richting te wijzen. Zo schenken oude ouders het meeste geld aan de kinderen die het dichtstbij wonen, wat kan wijzen op een beloning voor verleende steun. Maar de overheersende indruk is toch dat ouders het meest geven aan het kind dat het ’t hardst nodig heeft. ‘Je ziet ook vaak dat dat onder tafel gebeurt’, zegt Kalmijn. ‘Zodat broers en zussen er geen weet van hebben en niet jaloers kunnen worden. Bij erfenissen kan dat niet.’

Zijn conclusie is dat de balans tussen wederkerigheid en altruïsme bij één en dezelfde persoon verschuift al naar gelang de situatie waarin hij zich bevindt. In de rol van kind laten we ons meer leiden door overwegingen van wederkerigheid, maar later, als we ouder en grootouder zijn geworden, krijgt altruïsme de overhand. We willen dat het goed gaat met ons nageslacht. Dat is onze beloning.

De ambtenaren die in 2005 de Wet kinderopvang in elkaar zetten, leken dat niet helemaal te snappen, zegt Pearl Dykstra. ‘Je kon toen als gastopa en -oma betaald krijgen voor “kinderzorguren” als je op je kleinkinderen paste. Dat kon oplopen tot vijfduizend euro netto per jaar. Als je dat aan Italianen vertelt, hebben ze moeite om je serieus te nemen.’

Inmiddels is de regeling grotendeels teruggedraaid. Geruisloos en zonder protest. In hun hart zijn de meeste opa’s en oma’s het waarschijnlijk met die Italianen eens: wat je voor je familie doet, is love labour. Daar passen geen financiële overwegingen bij.

De meeste bejaarde babyboomers die we spreken, maken ook weinig poespas over de financiële steun die ze hun kinderen verlenen. Als ze het geld hebben, geven ze het graag. ‘Maar toch’, zegt Matthijs Kalmijn, ‘kan geld een enorme onruststoker zijn bij al die ambivalentie.’ Geld is een ongemakkelijk thema, o zo belangrijk en toch zo weinig besproken.

Moet je bijvoorbeeld dankbaar zijn als je geld van je ouders krijgt? Dat is een netelige kwestie, omdat onze hooggewaardeerde onafhankelijkheid erbij in het geding is. Zowel ouders als kinderen lopen er liever omheen.

‘Ik denk dat ze er blij mee is, maar ze heeft dat nooit onder woorden gebracht’, zegt een vader die zijn dochter, een alleenstaande moeder, financieel bijstaat. ‘En dat begrijp ik, want dat zou het maar bederven. Dan heeft de ander zich opgeofferd. Ik vind het leuk om daar te komen. Dat het gepaard gaat met financiële steun speelt niet zo’n rol. Ik weet geen betere besteding van het geld. Dankbaarheid? Ik wil communicatie! Betrokkenheid. Ik wil dat ’t leuk is.’

Hij vertelt dat zijn dochter ook zelf grenzen aangeeft. ‘Ze wil geen schenking of lening voor haar huis, hoewel ze met haar kind op een heel klein verdiepinkje woont. Dan raak ik zo van jullie afhankelijk, zegt ze, dat wil ik niet.’

‘Wij hebben twee banen. Jullie generatie heeft door woningen te kopen zonder daar iets voor te doen vermogen opgebouwd’

Een andere vader houdt zijn werkloze zoon financieel in het zadel, en zegt: ‘Er is een grote angst voor dankbaarheid. Het lijkt wel of mijn zoon in plaats van dankbaar te zijn juist onvriendelijker wordt. Als we maar niet dankbaar hoeven zijn! Want dan laten we zien dat we afhankelijk zijn, dat vinden we vervelend. Juist om dankbaarheid te voorkomen, wordt het verkleind.’

‘Ik snap het wel’, zegt een moeder met een soortgelijke ervaring. ‘Er lopen dingen door elkaar. Je hebt een relatie met elkaar als ouders en kinderen, maar tegelijk zijn ze afhankelijk van je. De consequenties daarvan, bijvoorbeeld dankbaarheid, daar willen ze niet aan. Dat kan de verhoudingen behoorlijk verstoren, omdat je als ouder misschien wel iets van erkentelijkheid verwacht. Het creëert een afstand die in de relatie als een olievlek kan werken. Het kan erop uitdraaien dat je ook als ouder je spontaniteit verliest.’

Vinden sommige oude babyboomers misschien ook zelf dat ze niet zoveel recht hebben op dankbaarheid van hun kinderen? Zelf je schaapjes op het droge hebben, je nageslacht achterlaten met belabberde vooruitzichten en dan ook nog dankbaarheid claimen – dat zit niet helemaal lekker.

En wat te denken van het rommelige relatieverleden van heel wat babyboomers, met echtscheiding en onoverzichtelijke gezinssituaties voor opgroeiende kinderen? Financiële steun kan dan een aspect hebben van Wiedergutmachung – een poging tot verevening van een heimelijk gekoesterd schuldgevoel. Een poging die ook al niet soepeltjes spoort met de dankbaarheidsgedachte.

Het zijn vaak partners en exen die de vinger op deze zere plek durven leggen. ‘Omdat er vroeger een moeilijke situatie is geweest, krijgt mijn ex van onze jongste zoon vaak de wind van voren’, zegt er een. ‘Wat zielig, denk ik dan. Ze doet heel veel voor hem, maar toch wordt ze afgesnauwd.’

Een ander: ‘Mijn vriendin zegt altijd dat ik mijn dochter te veel pamper. Mijn dochter is in de veertig, maar de reden van dat pamperen is dat ik in een soort maffe stiefvadersituatie ben terechtgekomen, met allerlei ingewikkeld gedoe.’

En de kinderen zelf? Hoe denken die over die dankbaarheidskwestie? Sommigen verwoorden hun standpunt daarover met een simpel ‘Ik heb er récht op’ of ‘Ik vind het heel normaal’.

Een 45-jarige alleenstaande moeder die van haar eigen moeder een ton cadeau kreeg om een huis te kopen, vindt dat ‘supertof’ maar toch geen reden tot dankbaarheid. ‘To be honest, ik vind het heel normaal dat mijn moeder dat doet. Mijn generatie moet keihard werken, wij moeten twee banen hebben. Jullie generatie heeft door woningen te kopen zonder daar iets voor te doen vermogen opgebouwd. Niet in elk gezin, ik heb het over de middenklasse. Mijn moeder heeft er ook niet voor hoeven werken, die heeft het geërfd van haar stiefvader. Ik heb dus enorm geluk gehad dat ze mij kán steunen.’

Haar moeder past ook een dag per week op haar kinderen, wat vindt ze daarvan?

‘Dat zij mij helpt, bedoel je? Ik denk niet dat je het zo moet zien. Het zijn haar kleinkinderen, ze zijn dol op haar. Voor haar is het feest. Zeker toen ze baby’tjes waren, ik denk dat het de leukste dag in de week voor haar was. Dus het is niet een kwestie van: ik doe iets voor jou en jij doet iets voor mij. Zij heeft haar plek in het gezin en dat gaat over meerdere generaties heen.

Daarom vind ik dankbaarheid niet de juiste term. Ik geloof niet dat ik háár dank verschuldigd ben. Ik ben dankbaar voor de situatie. Ik ben gezegend dat ik een moeder heb die hier in de stad woont en dat we het zo kunnen oplossen. Het is geen ruilhandel. Ik zou me heel onprettig voelen op het moment dat we het in die termen gaan benoemen.’

Love labour, altruïsme, heimelijke schuldgevoelens, ‘heel normaal’… redenen genoeg om als ouder je mond te houden over die vraag wat je mag ‘terugverwachten’ van je kinderen. Maar zijn het ook goede redenen? ‘Je staat je kinderen bij omdat je ze graag wilt helpen’, zegt Matthijs Kalmijn. ‘Maar als er helemaal niets tegenover staat, gaat dat op den duur toch knagen.’

Het gaat daarbij maar zelden om wederkerigheid op financieel of materieel gebied. Ook de vraag of ze van hun kinderen hulp en verzorging mogen verwachten, lijkt de oude babyboomers niet bijzonder bezig te houden. Als het erop aankomt, regelen ze dat zelf wel – hebben ze hun hele leven al gedaan.

‘Omdat je zelf zo betrokken bent, verwacht je dat omgekeerd ook. Maar voor je kinderen ben je een vanzelfsprekendheid’

Wat ons ter ore komt aan teleurstelling, onbegrip, ongenoegen en soms regelrechte kwaadheid ligt bijna altijd in de sfeer van waardering en betrokkenheid. Als er een pijnpunt is, is dat de affectie, die de smeerolie zou moeten zijn van het moderne omgangscontract.

‘Spontaan’ – dat is het sleutelwoord in de jammerklacht die ons bereikt uit een heel koor van rauwe kelen. ‘Ze komen nooit eens spontaan op bezoek!’ Een moeder verzucht: ‘Wij staan altijd direct klaar als ons iets gevraagd wordt, ik zou van de andere kant ook wel eens iets spontaans willen: kom eens zomaar een borrel drinken, zonder dat er iets moet.’

‘Dat hij af en toe langskomt’, zegt een andere moeder, ‘en uit zichzelf zegt, zonder dat er iets gedaan moet worden: goh, heb je zin om ergens te lunchen. Dat gebeurt nooit. Als we samen iets gaan doen, gaat het altijd van mij uit. Best wel moeilijk dat hij zich dat niet realiseert.’

Nog een ander: ‘Spontaan een kopje koffie drinken of komen eten, dat is in geen jaren gebeurd. Dat stoort mij. Dan ga je op een gegeven moment denken: ik ben een mevrouw die jullie taak wat lichter maakt en dat is het.’

In haar praktijk komt psychotherapeute Annette Heffels het ook vaak tegen: ‘Wij moesten zondag bij onze ouders op bezoek, maar nu lijkt het soms wel naar de andere kant doorgeschoten. Ik krijg het vaak te horen: de kinderen komen alleen als ze daar zin in hebben. Als ze geen zin hebben, doen ze het niet.’

Willen die ouders dan dat de kinderen komen opdagen uit een gevoel van verplichting, als een soort corvee? Natuurlijk niet. Ze willen dat ze komen uit waardering. Ze willen zich erkend weten in hun toewijding. ‘Erkentelijk’, volgens Van Dale betekent dat: ‘tot dank geneigd’. Zeker nu ze zich vaak zoveel inspanningen getroosten, soms tot op hoge leeftijd, vinden oude ouders dat de kinderen best mogen laten zien dat dat niet onopgemerkt is gebleven.

Een moeder: ‘Doordat je veel voor ze doet of moet doen, blijf je voortdurend bij je kinderen betrokken. En omdat je zelf zo betrokken bent, verwacht je dat onbewust omgekeerd ook. Maar voor je kinderen ben je een vanzelfsprekendheid. Ze vinden het normaal dat je het doet, ook omdat je het altijd al gedaan hebt. Bij jou als ouder ontstaat daardoor een gevoel van eenrichtingsverkeer.’

‘Ouder’? Of moeder? Het verlangen naar dat spontane kopje koffie of die spontane lunch lijkt vooral moeders te kwellen. ‘Kinderen gaan hun eigen leven leiden’, zegt een vader, ‘en daarin ben jij niet meer dan een onderdeel. Ik weet dat mijn kinderen het behoorlijk leuk vinden me te zien, maar het is beperkt in tijd en volume. Ik zou wel wat meer willen, maar ja, hoe was ik zelf? Op een gegeven moment heb je het druk en denk je dat de dingen die je doet zo belangrijk zijn dat je werkelijk geen tijd hebt om naar je ouders te gaan.’

‘Geen nieuws, goed nieuws’, vat een andere vader samen. ‘Ik hou veel van mijn dochter, maar als ik een tijdje niks hoor, denk ik: het gaat blijkbaar goed! Dat vind ik belangrijker dan die bevestiging.’ Stuiten we hier op een verschil in hormonen? Waarschijnlijker is dat ook hier sprake is van een vorm van wederkerigheid: moeders investeren meer en verlangen dus meer ‘rendement’.

Moedeloos kunnen ze ervan worden, misschien kan het niet anders en moesten ze zich er maar bij neerleggen. Een moeder over haar zoon, een medisch specialist die ze maar zelden ziet: ‘Diep in mij heb ik het gevoel dat ik op allerlei manieren heb bijgedragen aan zijn succes door mijn manier van opvoeden, door zijn studie en alles daaromheen te betalen en door veel voor zijn gezin te doen. Dat ik er dan misschien een beetje recht op heb om hem van dichtbij te blijven volgen. Maar ik realiseer me steeds meer dat ik dat recht niet heb. Dat is het lot van ouders. Ik zal daar zelf mee moeten leren omgaan.’

Pedagoog Bas Levering vreest dat ze gelijk heeft: affectie laat zich niet afdwingen. ‘Dankbaarheid claimen, doe het maar niet hoor, want je gaat voor de bijl. Maar geen dankbaarheid verwachten, daar moet je je best voor doen. De meeste mensen slagen daar niet in, en dat geeft spanningen.’

Is dankbaarheid inderdaad een ‘ouderwets woord’ geworden, zoals Christien Brinkgreve zegt? Er zijn ook tegengeluiden. Sommige bejaarde babyboomers pikken het niet en prediken parent power. ‘Veel kinderen vinden dat ze dat niet aan ons verplicht zijn, dankbaarheid’, zegt Annette Heffels. ‘Ze hebben niet van ons geleerd dat ze dankbaar moeten zijn. Wij hebben dat wel van onze ouders geleerd, dus verwachten we dat ook van onze kinderen. We moeten niet bang zijn om ze dat te laten merken. Minder bang zijn voor afwijzing.’

‘We moeten op cursus!’ vult een vader aan. ‘Onze gêne, angst en schuldgevoelens overboord gooien en opkomen voor onszelf. Voor onze rechten, potverdorie. Niet op dankbaarheid maar wel op erkenning, op een positieve grondhouding, zeg maar.’ Het is bijzonder: babyboomers die nu nog op assertiviteitscursus moeten – niet om mondiger te worden tegenover hun bazen, hun ouders of andere machthebbers… maar tegenover hun kinderen.

Zal dat lukken, in onze generatie? Zelfs Heffels twijfelt daaraan. ‘Misschien zijn wij al te ver heen om die angst nog te overwinnen en moeten we wachten tot onze kinderen zelf onze leeftijd hebben en snappen wat het is.’

‘Wij lagen vroeger zo vaak dwars dat onze ouders geen natuurlijke partners waren om op terug te vallen’

Of misschien is het wachten op onze kleinkinderen. ‘Alle kans dat wij gaan dokken voor hun studie en hun huis’, zegt liedjesspecialist Vic van de Reijt. ‘Het wachten is dus op de jongste generatie, die zingt: bedankt lieve opa, bedankt voor je centen, bedankt dat je ons geld geeft, want de bank geeft ons niente.’

We begonnen deze serie met de constatering dat de verhoudingen tussen de generaties in Nederland over het algemeen goed zijn. Er zijn veel contacten over en weer en er is veel onderlinge hulp. Goedmoedige en toegewijde relaties voeren de boventoon, ook in de verhalen die ons door de bejaarde babyboomers werden verteld:

‘De vader van mijn vrouw is 93. Mijn vrouw komt een keer per week voor hem koken en zijn kleinkinderen doen dat ook eens per week. Hij is er al zo aan gewend dat-ie cijfers begint te geven voor de maaltijden, à la Johannes van Dam. Laatst zat hij ook weer te klagen dat de soep te waterig was.’

Zelfs als de relatie minder goed is, komen kinderen ouders al gauw te hulp als de nood aan de man komt. ‘Mijn moeder is 91 geworden’, vertelt een zeventigjarige vrouw, ‘en ik ben zeker tien jaar lang iedere week een dag bij haar geweest om boodschappen en administratie te doen. Daarna gingen we samen lunchen. In het begin voelde dat als een plicht, maar al gauw keek ik ernaar uit en nu mis ik het. En het aardige is: zij was geen liefdevolle moeder. We hebben het daar op die dinsdagen wel over kunnen hebben.’

Dat de generaties veel voor elkaar over hebben, blijkt ook uit een opmerkelijk gegeven uit de Netherlands Kinship Panel Study, het grote volgtijdelijke onderzoek naar familieverhoudingen waaruit we in deze serie dankbaar hebben geput. Ouders geven hun kinderen meer hulp dan ze ontvangen. Zeggen ze. De kinderen zeggen op hun beurt dat ze hun ouders meer geven dan ze krijgen. Beide partijen zijn in hun eigen conceptie dus bereid méér voor de ander te doen dan andersom.

Goed nieuws, toch? Maar tegelijk duidt het op de onduidelijkheid en ambivalentie waarmee de onderlinge verhoudingen op het ogenblik zijn omgeven. Familieleden hebben geen vaste canon meer om op terug te vallen. Iedereen doet zijn best, maar niemand weet precies hoe het hoort.

De meeste families maken bijvoorbeeld geen goede afspraken over wie wat doet als papa of mama gebrekkig wordt, zei sociaal gerontoloog Theo van Tilburg onlangs in de Volkskrant. Vaak is het dan één familielid dat alles doet tot hij – of meestal zij – erbij neervalt. ‘De familie’, die degenen die zich aan die zorgtaken onttrekken ter verantwoording kon roepen, bestaat niet meer. Individualisering en de opkomst van het onafhankelijkheidsideaal hebben daar een eind aan gemaakt.

In werkelijkheid, zien we nu in, kwam die toegenomen onafhankelijkheid deels neer op een verschuiving van afhankelijkheid. Overheidsvoorzieningen namen de zorg van de familie over. De tijd was er rijp voor en het geld was er ook. Nu dat geld op is en de overheid terugkrabbelt en de zelfredzaamheid predikt, sluiten onze ideeën en de structurele omstandigheden gebrekkig op elkaar aan.

Je zou ook kunnen zeggen dat we nu met de stormachtige gevolgen zitten van een achteraf uitzonderlijke fase van al te snelle individualisering en sociale versnippering. Of, om het positiever uit te drukken, in een soort Sturm und Drang-periode in de groei naar ‘volwassen’ generatieverhoudingen.

Dat die groei al een eind gevorderd is, blijkt als we nog een keer omkijken naar de ouder-kindrelaties van een paar generaties terug. De winst van meer open, persoonlijke en informele omgangsvormen is enorm, weet iedere babyboomer die zich het afstandelijke en geremde emotionele contact met zijn eigen ouders herinnert.

‘Wij lagen vroeger zo vaak dwars dat onze ouders geen natuurlijke partners waren om op terug te vallen’, herinnert zich een vader van twee zonen. ‘Bedrukkend was het.’ Nu nog als hij bij zijn hoogbejaarde moeder is, komen de benauwenissen van voorheen terug.

Maar nu! ‘Mijn zonen van begin dertig zijn ontzettend aan het knoeien met relaties’, zegt hij. ‘De ene voelde zich gisteren niet zo lekker, checkte meteen of we thuis waren. Wij waren eraan gewend dat je in laatste instantie bij je moeder aanklopte, maar dit is in éérste instantie… We hebben niet eens een logeerkamer, ze komen aanzetten, kruipen in de huiskamer, maken een kermisbed en voelen zich prima.’

‘Ik geloof niet dat ik mijn liefdesverdriet met mijn moeder ging bespreken, dat waren míjn dingen’, zegt psycholoog Rita Kohnstamm. ‘Dat betekende ook dat je alle emoties en alle akeligheid in je eentje moest oplossen. Dat is nu veel minder. Die behoefte aan zelfstandigheid is er nu wel, maar het is nu meer een zelfstandigheid met achtervang en dat maakt het makkelijker.’

Het zijn tekenen van een overgangsfase naar een nieuw evenwicht, waarbij de wederzijdse verwachtingen niet meer collectief worden voorgeschreven maar individueel vormgegeven, naar eigen wederzijdse voorkeur. Ouders en kinderen gaan in alle vrijheid met elkaar uitmaken hoe ze hun onderlinge verantwoordelijkheden inkleden. ‘Maatwerk’ in plaats van dat strakke, benauwde keurslijf van verplichtingen.

‘Als het er echt om gaat, bel je je moeder’, zegt filosoof Jelle van Baardewijk, 33 jaar. ‘Dat zie ik vaak om me heen. We hebben weinig andere plaatsen meer waar zo’n intieme band kan hechten. Verbindingen zijn dun. Facebook is een fake maatschappij met imaginaire vrienden. Vriendschappen zijn “lichte” netwerken.

Geloof hebben we niet meer. Vroeger had je een innige band met God via de kerk en de biecht. Die zijn we kwijt, maar de behoefte is niet weg. De grote kwesties van het leven, zoals ziekte, geheimen en grote ambities, rusten voor een deel binnen de familie.

Persoonlijke grenzen zijn ook weggevallen. Je kunt vrouw worden, man, het leven zelf manipuleren. Wat is nog authentiek? Veel dingen raken onbegrensd. Het kerngezin is een baken van rust en zingeving in die ontgrensde wereld. Je ouders zijn de ervaringsdeskundigen die je echt iets kunt vragen in deze prestatiemaatschappij. Als het erop aankomt ga je naar je ouders.’