Vredesapostelen in Amerika

«Ze missen de Koude Oorlog»

Er is moed voor nodig om met een vredelievend geluid de straat op te gaan in een land waar negentig procent van de bevolking achter zijn oorlogszuchtige president staat. Toch zijn ze er: de tegenkrachten in het Amerika van vandaag.

New York — Zondagmiddag begint de vredesdemonstratie met een oecumenische gebedsdienst op Union Square; terwijl een dominee verzoenende woorden spreekt, verspreidt zich onder de honderden aanwezigen het nieuws dat de bombardementen op Afghanistan zijn begonnen. Het is oorlog. Iemand flanst in een minuut een vers bord in elkaar met de dringende aanbeveling dat de aanval nu moet ophouden. Via een radiootje zegt de burgemeester dat de burgers van New York vooral kalm moeten blijven en dat de veiligheid in de stad wel in orde is met veertigduizend politiemensen en vierduizend militairen.

Tijdens de optocht groeit het aantal demonstranten tot over de duizend, terwijl de meeste toeschouwers op de stoep van Sixth Avenue het geheel gelaten gadeslaan. Hier en daar klinken tegengeluiden. «Waar is de Amerikaanse vlag?» roept een man. «Vuile communisten!» schreeuwt een ander verderop. «Ga het land uit als het je hier niet bevalt», oppert een derde. In zijstraten staat het verkeer vast en beginnen boze automobilisten een claxonconcert.

Er is enige moed voor nodig om met een vredelievend geluid de straat op te gaan in een land met een oorlogszuchtige president wiens optreden door zo'n negentig procent van de bevolking wordt gewaardeerd. Een land waar de stemming beïnvloedende komieken onvervalst patriottistische geluiden uitslaan; waar de kritische presentator van een praatprogramma door de presiden tiële woordvoerder is berispt; waar een paar deviante columnisten zijn ontslagen; waar een genuanceerde radiopresentator is uitgekotst door collega’s; waar het enige parlementslid dat tegen militaire actie durfde te stemmen met de dood is bedreigd, en waar een weekblad het «Susan Sontag-certificaat» in het leven heeft geroepen «ter erkenning van de stupiditeit onder intellectuelen en kunstenaars na de terroristische aanvallen» (Sontag had het buitenlandbeleid van de VS gekritiseerd).

De demonstranten achten dit klimaat een reden te meer voor een optocht. Tegelijk wijzen ze erop dat er meer tegengeluiden zijn dan de massamedia wensen door te geven. Al op de dag van de aanslag klonken op Union Square, op rookafstand van de WTC-puinhopen, protesten tegen de oorlog. En in meer dan dertig staten verspreid over het land werd op universiteiten door duizenden gedemonstreerd, zegt vredesmarsorganisator Carmen Trotta (m) van de War Resisters League in Manhattan (WRL), de organisatie die de optocht coördineert namens een brede coalitie van vredesgroeperingen.

Twee dagen voor de demonstratie oogt het kantoor van de WRL aan Lafayette Street als een typisch actiekantoor met versleten bruin meubilair, stalen archiefkasten, posters aan de wand, en overal folders en brochures en vlugschriften en enveloppen en rolletjes met adresetiketten. Terwijl buiten de nationale driekleur onontkoombaar is, valt binnen geen vlag te bekennen. «Die zul je hier niet zien», zegt Trotta. «Hooguit ondersteboven; dat is niet onvaderlands bedoeld, maar een signaal dat het land in grote moeilijkheden verkeert. Tijdens de demonstratie is de vlag wel toegestaan maar alleen in gezelschap van andere vlaggen.»

Zo kort voor D-day is het er relatief rustig omdat veel al is geregeld. Zoals de bijeenkomst zaterdag waar borden en spandoeken worden gemaakt. En de plek waar «marshals» te horen krijgen hoe de optocht in goede banen te leiden. Ook de sprekerslijst is rond, en mag er wezen: met de Nobelprijswinnaars Aldopho Perez Esquivel uit Argentinië, Rigoberta Menchu Tum uit Guatemala, en Mairead Maguire uit Ierland.

Wordt hij niet ontmoedigd door landelijke opiniepeilingen waarin meer dan zeventig procent van de ondervraagden zegt voorstander te zijn van militaire actie? Trotta: «Het hangt er altijd van af welke vragen zijn gesteld en hoe die waren geformuleerd. De uitslagen van de diverse peilingen lopen zeer uiteen. Zodra wordt gevraagd of militair ingrijpen ook mag als het tot burgerslachtoffers leidt, is de positieve respons al veel minder. En de stemming hier, op nog geen drie kilometer van het WTC, is het meest afgewogen. Zeker, ik heb mensen gezien die kwaad reageren op onze voorstellen, maar er is ook duidelijke steun. Overal hoor je dat tijdens wakes de reacties nu meer uitgesproken zijn dan tijdens bijeenkomsten vóór de aanslag. Zowel voor- als tegenstanders. Maar meer dan voorheen horen ze instemmende reacties. Vaak van mensen die niks te maken hebben met de vredesbeweging, doorsnee Amerikanen overal in het land.

Van de week sprak ik een collega in Nashville, waar elk jaar een vredespicknick wordt georganiseerd. Het is bepaald geen progressieve stad en er kwamen nooit meer dan zestig mensen op af. Nu waren er ineens meer dan driehonderd. Een demonstratie bij Boston trok meer dan duizend deelnemers. In New York ook. Hier hadden we op een nogal wraakzuchtige stemming gerekend, omdat deze stad zo zwaar is getroffen. Dat bleek niet het geval.

Van wraakzucht was vooral sprake in het Witte Huis en in de media. De retoriek van de president was af en toe die van een adolescent; soms gewoon idioot, zoals de uitspraak over een kruistocht. Je krijgt de indruk dat ze de Koude Oorlog missen, dat ze terug willen naar de tijd van het zwart-witdenken waarin een president kan spreken over het uitroeien van het Kwaad. Ze hebben het over een langdurige oorlog, als een vervanging van de Koude Oorlog die een exceptioneel defensiebudget rechtvaardigde gedurende lange tijd.»

Over de vraag of links baat heeft bij de nieuwe oorlog lopen de meningen uiteen. Er is het verhaal dat links de afgelopen jaren aan kracht won dankzij de groeiende beweging inzake globalisering, maar dat die winst nu verloren gaat door ernstige verdeeldheid over de aanpak van terrorisme en een gebrek aan animo om lelijk te doen tegen het vaderland nu de barbaren voor de poort staan. Carmen Trotta meent het tegenovergestelde. Hij ziet twee groepen samenkomen: de oude vredesbeweging en de globalisten. De eerste voert al jarenlang actie tegen fout buitenlands beleid, maar zonder groot succes. Trotta: «Amerikanen zijn er sinds de Vietnamoorlog heel goed in geweest te doen alsof allerlei kwaadaardige Amerikaanse acties er niet waren, in het Midden-Oosten maar ook in Latijns Amerika, waar de VS nauw betrokken waren bij het opleiden van paramilitaire troepen en doodseskaders.» Hij omschrijft de andere groep als «professioneel van aanpak, naïef door een gebrek aan ervaring, en met een energie die jongeren altijd hebben». Na de elfde september hebben die twee groepen elkaar eindelijk gevonden, en «we hopen dat het leidt tot een bredere beweging dan we ooit eerder hebben gezien».

Over de vraag hoe de VS het terrorisme moeten bestrijden, bestaat binnen de vredesbeweging geen eenduidig antwoord. De website van de WRL sluit een vorm van militair ingrijpen niet uit, wat opmerkelijk is voor een pacifistische organisatie. «Dat zijn dan ook discussiepunten. Daar moet iets staan dat voor een grote groep aanvaardbaar is. De WRL is wel pacifistisch maar we begrijpen hoe de wereld werkt. Je kunt wel willen dat Amerika eenzijdig alle kernwapens weg doet, maar dat is niet haalbaar. Dus je begint met een standpunt dat door een publiek wordt ervaren als redelijk, en vanaf daar ga je verder.

Persoonlijk ben ik geen voorstander van Amerikaanse interventie waar dan ook. Landen zouden het zelf moeten doen. Sommigen bepleiten een wereldregering om vrede te bereiken, maar een wereldregering kan onvoorstelbare misdaden begaan. Ik zie het liever minder gecentraliseerd met goed functionerende onderdelen. Milosevic is alleen maar overgedragen wegens de enorme economische druk. Het was beter geweest als een land dat wordt bestuurd volgens wetten en een besef van menselijke waardigheid, zelf zo iemand laat terechtstaan. Inzake Bin Laden zie ik graag zo min mogelijk gebruik van geweld, en geen militair ingrijpen door de VS. We weten hoeveel schade daarmee kan worden aangericht. Elke andere optie is beter.»

Zelfs een internationaal gerechtshof ligt gevoelig, zo bleek toen de coalitie de actiepunten opstelde. «Er was een intens debat over de vraag of we de daders van de aanslagen voor een internationaal tribunaal gebracht willen zien. Zo'n driekwart vond dat nodig, om een alternatief aan te dragen voor een oorlog. Maar vooral gekleurde deelnemers waren er tegen; ze wantrouwen het internationale rechtssysteem omdat het altijd is gedomineerd door de heersende macht.»

Twee dagen later, op zondagavond, lijkt de demonstratie geen grote indruk te hebben gemaakt. Het lokale tv-nieuws gaat over de bombardementen op Afghanistan, over de veiligheid in de stad, over de voorrondes van de burgemeesterverkiezingen, over de geschrapte Emmy’s, sport en weer. Geen woord over de optocht, zelfs niet op NY1, een zender die de hele dag alleen plaatselijk nieuws brengt en in kalmer tijden zelfs de bridgekampioenschappen in zuid-Brooklyn verslaat. Voor de rest van het land stonden eveneens optochten op het programma, maar via het indrukwekkende nieuwsaanbod op tv en internet is er niets over te vinden. Wie er vandaag niet bij was, heeft geen idee.

In de jaren zestig werd op grote schaal gedemonstreerd tegen de Vietnamoorlog terwijl de media nog meeliepen met het Witte Huis. Na het Tet-offensief in 1968 verklaarde de gezaghebbende nieuwslezer Walter Cronkite dat de oorlog niet te winnen was, waarna president Johnson gezegd zou hebben: «Als ik Cronkite kwijt ben, ben ik doorsnee Amerika kwijt.» De oorlog duurde daarna nog zeven jaar.