Burgerschapsonderwijs: een stap op weg naar een betere toekomst

‘Ze moeten de schoolladder beklimmen, niet de straatladder’

Van het sinds 2006 verplichte burgerschapsonderwijs komt weinig terecht. Daarom komt er een nieuwe wet. Wat kunnen scholen leren van een zwarte vmbo in Amsterdam-West en een witte school in het Gooi?

Coffie en Francisca in de pauze in het trappenhuis van het Mundus College Amsterdam

Ping. Om 15.39 uur krijgt politicoloog en vmbo-docent burgerschap Maxe de Rijk die 25ste maart het eerste WhatsAppje van een leerling over de aanslag in Utrecht. Daarna volgen er meer: ‘Juf! Ik ben bang’, appt een meisje. Om 19.24 uur ontvangt ze een doorgestuurd spraakbericht. Een gehaaste stem zegt: ‘Jongens en meisjes, let op, de aanslag was bedoeld voor een vrouw met hoofddoek. Houd je zussen en moeders in de gaten. Dit is een bericht dat je niet op de gewone nieuwssites gaat lezen.’ De Rijk probeert haar leerlingen via de app gerust te stellen: niet zomaar alles geloven; morgen zullen ze erover praten.

Als ze haar mentorklas de volgende dag spreekt, zijn ze bezorgd. De meesten hebben in het weekend ook de livestreambeelden van de aanslag op de moskee in Christchurch gezien. En dan nu de aanslag in Utrecht en dat spraakbericht! Een van de meisjes mocht van haar moeder niet met hoofddoek naar school.

‘Hebben jullie de informatie gecheckt?’ vraagt De Rijk rustig. Eerder dit jaar heeft ze in de les ‘Nep/echt’ de leerlingen een lijstje met betrouwbare nieuwssites laten opstellen waarmee ze sociale-mediaberichten moeten controleren vóór ze die doorsturen. ‘Nee’, zegt het meisje, ‘die jongen zei toch dat het bericht daar niet zou staan?’ Op zulke momenten realiseert De Rijk zich hoe belangrijk haar lessen persoonsvorming & socialisatie zijn, zoals het burgerschapsonderwijs heet op het Mundus College, een vmbo-school met ruim zestig nationaliteiten in Amsterdam Slotervaart. Zelf nadenken, weten hoe je feiten checkt, hoe je deelneemt aan een democratische samenleving.

Hoewel scholen al sinds 2006 verplicht zijn burgerschapsonderwijs te geven, komt het maar op een paar scholen echt van de grond. ‘Scholen en leraren vinden het ingewikkeld om te bepalen waar burgerschap over gaat. Vaak gaat het alle kanten op’, zegt Hessel Nieuwelink, lector burgerschapsonderwijs aan de Hogeschool van Amsterdam. ‘Er zijn zelfs scholen die hun anti-pestprogramma eronder scharen.’

En dat zet geen zoden aan de dijk, constateerde de Onderwijsinspectie. In 2017 oordeelt ze hard over het gros van de scholen: de activiteiten hebben weinig verband; scholen hebben geen duidelijk idee wat ze hun leerlingen willen leren, en de invulling hangt te vaak af van de capaciteiten van de individuele leraar. Niet verrassend dus dat Nederlandse kinderen veel minder kennis hebben over de democratische rechtsstaat dan kinderen in vergelijkbare Europese landen. Een internationale studie (International Citizenship and Civic Education Study) onder leerlingen uit 24 landen liet zien dat de helft van de Nederlandse scholieren geen idee had hoe het stemproces in elkaar stak; slechts 37 procent wist hoe een wet tot stand kwam.

Dat moest anders. Binnenkort buigt de Tweede Kamer zich daarom over een nieuw wetsvoorstel van minister Arie Slob van Onderwijs. Het burgerschapsonderwijs gaat als het aan de regering ligt flink op de schop. En dan gaat het om meer dan het kunnen zingen van het Wilhelmus en een schoolbezoek aan het Rijksmuseum. Scholen moeten leerlingen kennis van en eerbied voor de democratische rechtsstaat bijbrengen en dat geldt eveneens voor mensenrechten. Simpel gezegd: kinderen moeten leren om respect voor elkaar te hebben, voor de democratie, de rechtsstaat en voor de vrijheden van anderen.

Een van de scholen die burgerschap nu al structureel in hun curriculum hebben opgenomen, is het Mundus College. Daar ging het in 2013 zo vreselijk mis – leraren werden fysiek bedreigd, de straatcultuur heerste in de lokalen, bij de politie waren er meer dan honderdvijftig incidenten gemeld – dat de burgemeester de school dreigde te sluiten. Inmiddels hebben alle afdelingen een positief inspectierapport, de politie is niet meer op school, het aantal incidenten is met 85 procent afgenomen. Burgerschapsonderwijs was onderdeel van de oplossing.

Het uitgangspunt was om kinderen te laten zien dat de schoolcultuur de stepping stone is naar een toekomst waarin plek voor hen is, waarin ze iets kunnen betekenen voor de wereld. Een paar jaar daarvoor was het boek Hoe de straat de school binnenkomt verschenen van Iliass el Hadioui, socioloog aan de Erasmus Universiteit, Vrije Universiteit en lid van de Onderwijsraad. Hij werd aangetrokken om de school te adviseren en leraren te trainen. El Hadioui gelooft niet dat je het gezag met harde hand moet herstellen, maar dat je leerlingen daar als het ware zelf voor moet laten kiezen. ‘Als jij in Amsterdam-West opgroeit, je cognitief niet de sterkste bent, op het vmbo zit en niet zo veel voorstelt volgens je omgeving’, zegt hij, ‘kun je via de drugscriminaliteit hier in één klap betekenis en status verwerven, zowel materieel als immaterieel. Dat is de ingewikkelde situatie waarin kinderen zich bevinden. Je moet ze verleiden om de schoolladder te beklimmen en niet de straatladder.’

Dat doe je niet door ze te corrigeren en te drillen, maar door ze zo te benaderen dat ze zich ‘gekend en gewaardeerd’ voelen op school. Dit betekent niet dat de leraar een vriend moet worden van leerlingen; de leraar geeft leiding vanuit gezag. Op het Mundus is de schoolcultuur ook duidelijk anders dan de straatcultuur: op school draag je geen pet, geen oortjes en je zegt je docent bij de deur gedag met een hand.

De school zet nu breed in op persoonlijke ontwikkeling: weten wie je bent, wat je kunt, maar ook wat je passies zijn. ‘Wij denken dat je je pas gaat interesseren voor de maatschappij als je een toekomstperspectief hebt in die maatschappij en denkt: dit is wat ik kan en ik ga later een leuke baan vinden’, legt De Rijk uit. ‘Want deze kinderen voelen dat er op ze neergekeken wordt, dat ze dom gevonden worden.’ En dus is er veel aandacht voor talentontwikkeling (van fitness, ict en beauty tot elektrotechniek) en biedt de school leerlingen een uitgebreid naschools activiteitenprogramma met pianolessen, mindfulness en sport, waar ze hun passies kunnen ontdekken.

Kinderen leren in de lessen persoonsvorming & socialisatie ook met emoties om te gaan. Haar leerlingen weten vaak niet goed wat ze voelen, merkt De Rijk. ‘Bij de aanslag in Utrecht bijvoorbeeld zag ik dat een jongen met gebalde vuisten zat. Ik vroeg hem wat hij voelde. Het maakte hem boos, zei hij. Maar na enig doorvragen bleek hij verdrietig te zijn omdat de dader Turk was net als hij. De klas reageerde: maar daar kun jij toch niets aan doen! Zo leert zo’n jongen dat zeggen dat je verdrietig bent een hulpreactie oproept bij anderen, terwijl boosheid vaak boosheid uitlokt. Zonder de eerdere lessen over emoties had hij nooit de taal gehad om dat te benoemen.’

‘Veel van onze kinderen groeien thuis op in een sterk hiërarchische cultuur, waarin niet zo snel om hun mening wordt gevraagd’, zegt de directeur van het Mundus, Dyane Brummelhuis. ‘Onze taak is het om ze te leren verantwoordelijkheid te nemen als individu. We leren ze zelf nadenken. Niet iets doen omdat een ander het zegt, of omdat de sociale media het zeggen.’

Daarnaast gaat het bij de burgerschapslessen natuurlijk ook gewoon over hoe de maatschappij is georganiseerd, zegt De Rijk. ‘Dat is ook belangrijk om aan de samenleving deel te kunnen nemen.’ De klas is volgens El Hadioui immers een mini-samenleving waarin je die burgerschapsvaardigheden moet oefenen: ‘Je moet geen abstracte begrippen onderwijzen, maar ze heel concreet maken in de klas. Laat ze die kernwaarden maar ervaren.’

Laura viert haar vijftiende verjaardag
‘Deze lessen zijn er dus niet om jullie met linkse denkbeelden te indoctrineren. Het gaat ons erom jullie te leren hoe je een mening vormt’

In de ruime frisgroen geverfde klas van De Rijk staat vandaag – een dag na de Provinciale-Statenverkiezingen – de les politiek op het programma. De Rijk is van huis uit politicoloog, maar door het buurtwerk in de Transvaalbuurt raakte ze verknocht aan deze doelgroep, ‘waar je echt het verschil kunt maken’, en ging er de lerarenopleiding maatschappijleer bij doen.

‘Wat is er gister gebeurd?’ begint ze haar les.

‘Aanslagen!’ roept Huseyin, om er meteen aan toe te voegen: ‘O nee, stemmen.’ De meesten weten nog dat er gestemd kon worden voor de provincie en de waterschappen. ‘Wiens ouders hebben gestemd?’ wil De Rijk weten. Vier van de achttien steken hun vingers op. Hebben de kinderen de uitslag ook gezien?

De Rijk laat een kaartje van Nederland zien met de grootste partij per provincie. Ze bekijken de legenda. ‘Nederland vindt dus niet overal hetzelfde’, concludeert ze. Dat is heel belangrijk voor deze kinderen om te weten, zegt ze later. Ze hebben het gevoel dat heel Nederland tegen ze is, dat ze er niet bij horen. Vorige week heeft ze daarom ook een filmpje laten zien van de herdenking van de aanslag op Christchurch op de Dam, waar ze zelf bij was. ‘Ik kreeg kippenvel toen ik om me heen keek en zag hoe gemengd het publiek was. Onze leerlingen komen Nieuw-West nauwelijks uit. Ik laat ze zien dat iedereen daar staat. Eerst zijn ze verward als ze ook joodse vlaggen zien: die zijn toch tegen ons? Maar dan horen ze de rabbijn zeggen dat we allemaal tegen geweld zijn. Het is goed om hun wereld te vergroten.’

De Rijk kijkt met de kinderen naar de zetelverdeling van de Eerste Kamer. Forum voor Democratie is de grootste, constateert ze. ‘Maar zijn ze dan ook de baas?’ Ja, vinden de kinderen. De Rijk deelt de klas in drieën. ‘Stel, jullie zes zijn Groep A, de grootste groep, en jullie hebben een idee. Wat wordt jullie plan?’ ‘Alleen nog baklava eten!’ roept een jongen.

‘Oké’, zegt De Rijk. ‘Stel dat Groep B en C, die allebei uit vijf kinderen bestaan, dat niks vinden: “Gatver, niet weer baklava!” Is groep A in de meerderheid? Nee hè. Dus je kunt de grootste zijn en toch niet de baas zijn. Het plannetje gaat dus niet door, tenzij jullie gaan samenwerken. Misschien zegt groep B wel: “We willen niet iedere dag baklava, maar wel op dinsdag.”’

Daarna mogen de kinderen hun zelf bedachte politieke partij presenteren. Hamza en zijn vriend – allebei in een zwart Nike-shirt – mogen hun partij Belastingloos als eerste introduceren. Ze zijn tegen nutteloze winkels, tegen belasting en tegen iets wat ze ineens niet meer hardop durven uit te spreken (de Wallen). Als de klas vragen mag stellen, priemen alle meisjes direct hun vingers in de lucht: ‘Als er geen belasting is, heb je geen geld voor scholen en ziekenhuizen’, roept Helin van de mmv (Meiden Milieu Vriendelijk) ‘En is er ook minder werk’, zegt Soumaya die even later met haar Help de wereld! pleit voor minder wegen. Dan is het de beurt aan de jongens om verontwaardigd te reageren: ‘Hoe wou je dan naar het ziekenhuis als er geen wegen zijn!’ smaalt Huseyin. ‘Wojo!’ bijt Soumaya hem toe, ‘ik zei: minder wegen, niet: geen wegen!’

Kinderen uit hogere kringen schatten de kans dat ze later een bijdrage leveren aan de samenleving hoger in dan kinderen uit lagere sociaal-economische milieus; ze hebben ook meer burgerschapskennis en denken vaker dat ze later gaan stemmen. Dat is in verschillende landen het geval, blijkt volgens lector Hessel Nieuwelink uit internationale onderzoeken. ‘Maar in Nederland is het groter dan elders en het verschil neemt toe.’ Uit Nieuwelinks eigen onderzoek bleek dat vmbo’ers veel minder les krijgen over politieke verkiezingen dan leerlingen op het vwo. Dat zou te ingewikkeld zijn voor de vmbo’ers. ‘Onzin’, vindt hij. ‘Als je het maar op de juiste manier didactiseert voor deze leerlingen.’ Lessen over democratie gaan volgens hem vaak over instituties. ‘Het verschil leren tussen de rechten van de Eerste en de Tweede Kamer is natuurlijk hartstikke belangrijk, maar je moet eerst de achterliggende principes leren. Hoe werkt representatie en hoe besluitvorming?’ Dat politiek op het vmbo nauwelijks onderwezen wordt, is buitengewoon schadelijk omdat het invloed heeft op de rest van het leven van die leerlingen. ‘De eerste keer stemmen is een bepalende factor voor het stemmen op latere leeftijd. Zij krijgen dat minder van huis uit mee. Juist daarom moet je vmbo’ers bekend maken met verkiezingen!’

Er is inmiddels veel onderzoek gedaan naar wat werkt om democratisch burgerschap bij jongeren te stimuleren. Onderzoekers van de UvA, de HvA en het Kohnstamm Instituut zetten ze onlangs op een rij. Met stip op nummer één: een structureel onderwijsaanbod, liefst door docenten die daarover iets in hun opleiding hebben geleerd zoals maatschappijleerdocenten. ‘Als je één keer per jaar cricket speelt, sla je ook alle ballen mis’, zegt Nieuwelink, die ook meewerkte aan het onderzoek. ‘Je leert het door regelmatig te oefenen.

Tegelijkertijd moet het burgerschapsonderwijs juist niet tot één uurtje beperkt worden en werkt het beter als er schoolbreed aandacht voor is; als een school nadenkt over het pedagogisch klimaat, over de vraag: waartoe leiden we onze leerlingen op? Zo’n koppeling met persoonsvorming op het Mundus vindt hij een goed voorbeeld, maar ook de geïntegreerde aanpak van het Roland Holst College in Hilversum waar burgerschap behalve bij maatschappijleer ook in andere lessen terugkomt. ‘Bij Nederlands kun je begrijpend lezen leren aan de hand van teksten over burgerschap; bij economie of wiskunde kan het gaan over statistiek en verkiezingen of de opvattingen van mensen.’

Een open klimaat, waarin je vrij kunt discussiëren, is ook een vereiste. Dat bereik je door als docent een vertrouwensband op te bouwen met leerlingen. ‘En het is handig’, vindt docente De Rijk, ‘als je begint met minder controversiële en emotionele onderwerpen. Dan ontwikkelen kinderen een taal om over ingewikkelde thema’s te spreken en kunnen ze het ook bij heftige gebeurtenissen.’ Zelf draait ze inmiddels haar hand niet meer om voor een thema als gemengde relaties – ook niet op een zwarte vmbo als het hare. ‘Aanvankelijk is de reactie vaak: homoliefde kan niet. Maar als ik vertel dat ik zelf op vrouwen val, worden ze nieuwsgierig. Door in gesprek te gaan, komen ze er positiever tegenover te staan.’

Er zijn ook allerlei technieken om controversiële thema’s makkelijker bespreekbaar te maken, zegt Nieuwelink. Het socratische gesprek, waarin je de ander alleen bevraagt en een oordeel uitstelt, bijvoorbeeld. Of de ‘stille-wanddiscussie’, waarbij iedereen zijn mening op papier schrijft en waarop anderen schriftelijk en in stilte reageren.

Het is overigens een misverstand volgens Nieuwelink dat burgerschap op het vmbo moeilijker is om te geven dan in een havo- of vwo-klas omdat allerlei thema’s (zoals de holocaust of homoliefde) daar onbespreekbaar zouden zijn. Kinderen met een migratie-achtergrond onderschrijven tolerantie in grote mate en zijn vaak zeer sociaal geëngageerd, laat onderzoek bijvoorbeeld zien. ‘Op een wit vwo in het Gooi stuit je bovendien misschien wel op andere vooroordelen, zoals tegen vluchtelingen. Of zijn leerlingen zeer elitair en minachten zij vmbo’ers.’

In een lommerrijke villawijk in Hilversum staat het Roland Holst College. Buiten zitten groepjes leerlingen op gevelde boomstammen in de zon; bij het bord ‘Rookvrije generatie’ staan twee jongens te roken. In 2 havo beginnen ze de les taal & maatschappij (binnenkort omgedoopt tot democratie & burgerschap) zoals iedere week met een rondje nieuws: wat is er die week gebeurd? Net als op het vmbo gaat het ook hier over het belang van feiten checken in plaats van te snelle conclusies trekken. ‘De schietpartij in Utrecht’, antwoordt Thomas, ‘ook al is dat anderhalve week geleden: er wordt nog steeds over gepraat, dus.’ Volgens hem is het geen terreur trouwens, ‘gewoon een schietpartij door een man die een vrouw heeft verkracht’.

‘Hoi wij zijn Zara en Beau en we gaan jullie iets vertellen over l… lhb… eh hihi lhbte?’ ‘Neehee! L H B T I.’ ‘O shit, ik kan het niet onthouden’

Lotte Tiesing, docent burgerschap, vraagt of zeker is dat hij die vrouw heeft verkracht – ‘Nee, hè, hij wordt ervan verdacht.’ En hoe weten we of het terreur is? Wanneer is een daad een terroristische daad? ‘Inderdaad, als er geweld wordt gebruikt’, zegt Tiesing en schrijft het woord ‘geweld’ op het bord. ‘Wanneer nog meer?’ Iemand zegt: ‘Als mensen bang worden.’ ‘Zeker, terreur heeft tot doel om mensen angst aan te jagen. En…?’ ‘Iets met geloof…?’ oppert iemand. ‘Niet helemaal. Als iemand een politiek doel heeft.’ ‘Deze deed het gewoon voor zichzelf’, vindt Noa. Al denkt Zara dat het ook zo kan zijn dat hij gedwongen werd door iemand anders, maar dat we dat nog niet weten. ‘Wat moet er gebeuren om dat te weten?’ vraagt Tiesing. ‘Onderzoek. Juist. En wie beslist vervolgens of hij een terrorist is?’ ‘De rechter.’ ‘Heel goed.’

Anderhalf jaar terug – rond dezelfde tijd dat uit het internationale onderzoek bleek dat Nederlandse leerlingen laag scoorden op burgerschapskennis – kwam er geld beschikbaar vanuit het innovatiefonds van de scholengroep waartoe het Roland Holst behoort. ‘Wij besloten als school om in te zetten op burgerschap’, zegt Thomas Klijnstra, docent maatschappijleer en ook verbonden aan de lerarenopleiding van de UvA. Ze wilden het vakoverschrijdend aanpakken, dus vormden ze een team van docenten wiskunde, Nederlands, aardrijkskunde, geschiedenis, biologie en maatschappijleer. Ze spraken met het MT en de sectiehoofden: wat vinden wij belangrijk om aan onze leerlingen mee te geven? Welke waarden passen bij ons? ‘Daar kwam uit: democratisch handelen, omgaan met verschillen (diversiteit) en participatie: hoe leer je dat je stem ertoe doet’, zegt Klijnstra.

‘Qua themalessen zijn we op de goede weg, maar qua participatie zou het beter kunnen’, zegt Lotte Tiesing. ‘We hebben nu een eco-raad waarin leerlingen meedenken over het verduurzamen van de school, maar nog geen jongerenrechtbank bijvoorbeeld, die conflicten van leerlingen beslecht.’

Shamiro (met blikje) maakt tijdens een tussenuur huiswerk in de kantine

In een warm lokaal presenteren leerlingen uit 4 vwo de resultaten van het onderzoek onder leerlingen en docenten, waar ze al weken aan hebben gewerkt voor het project ‘Beeldvorming over vluchtelingen’. Voorbeeld was het I&O-onderzoek dat verwerkt werd in de Volkskrant-productie Fort Europa. Docent Klijnstra recapituleert nog even: ‘Een van de conclusies van dat onderzoek was dat mensen aangaven dat er veel meer mensen op de vlucht waren dan feitelijk het geval was en dat de beeldvorming over vluchtelingen dus misschien wel gebaseerd was op onjuiste feiten.’

En voor de zekerheid voegt hij eraan toe: ‘En deze lessen zijn er dus niet om jullie met linkse denkbeelden te indoctrineren. Het gaat ons erom jullie te leren hoe je een mening vormt: eerst de feiten kennen en er pas dan iets van vinden in plaats van andersom.’ Ook uit het onderzoek van deze groep blijkt dat kinderen het aantal vluchtelingen veel hoger inschatten dan het werkelijk is. ‘Onze hypothese was dat de bovenbouw een realistischer inschatting zou maken dan de onderbouw, en die klopte; vermoedelijk zijn die beter geïnformeerd’, zegt Mireille, een blinde leerling die in paragraafzinnen spreekt. En ze onderbouwt ook die uitspraak door te laten zien dat die oudere groep haar informatie vaker uit betrouwbaardere media haalt dan de jongere kinderen.

Groepsgenoot Ffion vindt dat onderzoek nuttig: ‘Je gaat ook meer letten op hoe ander onderzoek gedaan is.’ En Ryen vindt het een verademing dat je niet alleen maar droge theorie leert voor de toets en daarna weer meteen vergeet, maar de theorie over betrouwbaarheid en validatie toepast, waardoor het ‘beter blijft hangen’. Hij is benieuwd naar het verhaal van de vluchteling die over twee weken in de klas komt om zijn ervaringen te vertellen.

Tiesing en Klijnstra hadden het geluk dat ze van hun school alle ruimte kregen om het onderwijs te ontwikkelen. ‘Het kost ongelooflijk veel tijd.’ Het huidige lerarentekort en de werkdruk zijn dan ook serieuze bedreigingen voor de nieuwe burgerschapswet, vreest Nieuwelink: ‘Het gaat niet van de grond komen als je docenten niet vrijmaakt om zich bij te scholen. Dat is prioriteit een, twee en drie. En dat lerarentekort en die werkdruk zijn het grootst op die zogenaamd moeilijke vmbo’s…’

De politiek moet wat hem betreft leren van 2006 toen burgerschap werd ingevoerd, maar totaal niet van de grond kwam. 9/11, de moorden op Fortuyn en Van Gogh, de multiculturele samenleving die spaak zou zijn gelopen gaven politici het gevoel dat er iets moest gebeuren om alle burgers bij de democratische rechtsstaat te betrekken. En zoals dat vaak gebeurt als er maatschappelijke spanningen zijn, werd er naar het onderwijs gekeken. ‘Maar specifieke eisen of concrete invullingen kwamen er niet’, zegt Nieuwelink, ‘want: vrijheid van onderwijs. Scholen mochten de lessen naar eigen inzicht invullen, maar hadden vaak geen idee hoe ze dat moesten doen.’

‘Tegelijkertijd werd van het onderwijs steeds meer verlangd dat zij zich richtten op de zogenaamde “kernvakken”: taal en rekenen’, zegt Nieuwelink. De commissie-Dijsselbloem had geconstateerd dat Nederlandse kinderen het op allerlei internationale kennislijstjes niet zo geweldig deden. Leraren, zo luidde zijn conclusie, moesten dus weer gewoon taal en rekenen onderwijzen in plaats van lastiggevallen te worden met onderwijsvernieuwingen. Er moest gewoon weer gepresteerd worden. ‘Daardoor raakte het burgerschapsonderwijs nog verder op de achtergrond.’

Deze keer worden er in de nieuwe wet wel duidelijke eisen aan gesteld, maar kan de werkdruk en het schreeuwend tekort aan docenten opnieuw roet in het eten gooien. Nu al zie je tientallen bedrijfjes die in dat gat springen en kant-en-klare burgerschapslessen aanbieden die gebruik maken van kekke vormen als VR-brillen. ‘Het nadeel is dat het handen vol geld kost en niet structureel is’, vindt Nieuwelink. Hij hoopt dat deze bedreiging aan de orde komt in het debat over de wet in de Tweede Kamer.

2 havo van het Roland Holst is inmiddels bezig met een opdracht waarmee ze het project van de afgelopen maand, seksuele diversiteit, moeten afsluiten: een persoonlijke vlog over wat ze geleerd hebben.

Zara en Beau halen voor de planning een mindmap uit hun leren shoppers. Ze willen eerst iets algemeens over het project vertellen en ‘dan ga ik jou interviewen over je neef die een nicht wil worden, toch?’. ‘Nicht die een transgender wil worden.’ ‘O ja!’ Haha hihi.

Het volgende kwartier zijn ze bezig met het stand-upje. Ze schikken hun paardenstaarten, glimlachen geroutineerd naar de smartphone en zeggen voor de elfde keer: ‘Hoi wij zijn Zara en Beau en we gaan jullie iets vertellen over l… lhb… eh hihi lhbte?’ ‘Neehee! L H B T I.’ ‘O shit, ik kan het niet onthouden.’ Ze nemen hun positie weer in: ‘Hoi wij zijn hihi, haha…’

Ze vinden het heel belangrijk, deze lessen, zeggen ze als ze even later weer naar de klas lopen langs vitrinekasten vol opgezette dieren. ‘Iedereen moet zich kunnen voelen zoals-ie is’, vindt Beau. ‘En als je erover hoort en je erin verdiept, wordt het gewoon.’ Vinden ze ook dat je dat op schóól moet leren? Ja! Waar anders?


De beelden bij dit verhaal zijn gemaakt door Cees Glastra van Loon, leraar aan het Mundus College Amsterdam, en onderdeel van zijn fotoboek 20, waarin we kennismaken met twintig leerlingen van het Mundus College. De leerlingen op de beelden komen niet in het verhaal voor. ceesglastravanloon.com