Wordt Veenhuizen het nieuwe Orvelte?

‘Ze noemden ons koloniekak’

Het Drentse dorp Veenhuizen wordt steeds meer ontdaan van zijn enige functie, dat van gevangenisdorp. Terwijl de regio toch al weinig economische activiteiten kent. Gevreesd wordt voor een voortbestaan als openluchtmuseum.

© Gevangenismuseum Veenhuizen

Het is stil op de kleine begraafplaats aan de rand van Veenhuizen. Gehurkt bij een van de graven zit een jonge vrouw. Ze schikt de bloemen op de donkere aarde van een graf dat nog vers is. Het is koud en mistig, misschien wel de enige sfeer die past bij een stuk grond waar duizenden kinderen, mannen en vrouwen naamloos werden begraven. Ze stierven in de drie gesloten inrichtingen die generaal Johannes van den Bosch hier in 1823 opende voor arme gezinnen, bedelaars en landlopers uit de grote steden in het westen van het land. Aan het einde van een lange, zware reis over land en water wachtte hier een nieuw leven in armoede en gevangenschap.

‘Net als bij Auschwitz, denk ik hier aan die poort.’ Hein Moes zit aan een lange houten tafel in het oude koetshuis van Veenhuizen. Samen met zijn vrouw Jittie transformeerde hij het koetshuis en de omliggende gebouwen tot de culturele ontmoetingsplaats Coco Maria. Aan de overkant van het weggetje dat langs hun terrein loopt stond ooit het Derde Gesticht. Een lange laan voerde naar de stenen toegangspoort. ‘Die kinderen kwamen hier aan, blij dat ze de Zuiderzee hadden overleefd’, zegt Moes. ‘En dan kwamen ze hier het terrein op…’ De onwetendheid over wat hun te wachten stond grijpt hem nu nog aan. Te veel mensen, te weinig eten, honger en ziekte – van de goede bedoelingen van Van den Bosch kwam in de praktijk niets terecht.

Over een uur komt een personeelsuitje van de fnv langs. Met de oude boevenbus maakt het gezelschap een rondrit door het dorp; het is onderdeel van het Pauperarrangement van het Gevangenismuseum, verderop in het dorp. Bij Coco Maria krijgen ze koffie en thee en een korte film over het Derde Gesticht. De groepen bezoekers zijn een prettige bron van inkomsten. Bovendien doet Hein niets liever dan vertellen over de beladen geschiedenis van het grasveld aan de overkant. Met geld van de provincie en in samenwerking met de Agrarische Natuurvereniging Drenthe heeft hij de afgelopen jaren een bloemenrand gepland die precies de contouren van het voormalige gesticht volgt.

Het was schrijfster Suzanna Jansen die Veenhuizen met haar megabestseller Het Pauperparadijs opnieuw op de kaart zette. In het boek gaat ze op zoek naar haar familiegeschiedenis, die zich voor een deel afspeelde in de Drentse kolonie. Haar oma, overgrootmoeder en betovergrootmoeder werden er geboren. Oprichter Johannes van den Bosch wilde onaangepasten uit de grote stad de kans bieden om zich op het Drentse platteland te ontwikkelen tot nuttige burgers. Door de heilzame werking van arbeid zouden zij als herboren terugkeren naar huis. De gestichten van de Maatschappij van Weldadigheid bleken evenwel geen opstap te zijn naar een beter leven maar een moeras van ellende, waaruit nauwelijks viel te ontsnappen.

‘Jansen is een vriendin geworden’, zegt Hein Moes. ‘Ze liep hier een tijd veel rond voor haar onderzoek.’ Dat was in de eerste jaren nadat Moes en zijn vrouw zelf in het dorp kwamen wonen. Ze woonden op dat moment in Assen, boven hun eigen antroposofische kinderwinkel, en waren toe aan iets anders. Hein Moes, een vrijgevochten ondernemer met wortels in de kraakbeweging, had al een fascinatie voor Veenhuizen. Op een dag in 2004 zag hij een ‘te koop’-bord staan bij de voormalige boerderij Stoomhoeve aan de rand van het dorp.

Het Rijksvastgoedbedrijf, van oudsher eigenaar van al het vastgoed in het dorp, wilde het kwijt. De boerderij had geen functie meer voor de rijksoverheid, die als eigenaar wel verantwoordelijk was voor het onderhoud. Zijn bod bleek goed genoeg om een plan te mogen indienen en het plan bleek goed genoeg om te worden uitverkoren tot nieuwe eigenaar. Daarmee kwam Stoomhoeve terecht op de groeiende lijst panden in Veenhuizen met particuliere eigenaren. Eerder werd een flink aantal woonhuizen voor bodemprijzen verkocht aan de bewoners en de voormalige directeurswoning Klein Soestdijk ging in 2007 naar Stichting Het Drentse Landschap. Maar het overgrote deel van de gebouwen en gronden in het dorp is nog altijd eigendom van het rijk.

Veenhuizen en de rijksoverheid zijn al meer dan 150 jaar onlosmakelijk met elkaar verbonden. Toen de Maatschappij van Weldadigheid halverwege de negentiende eeuw in financiële problemen kwam, nam de staat de volledige inventaris over: de gestichten, de boerderijen en landbouwgronden, de werkplaatsen en de kerken. Er kwam een einde aan de opvang van wezen en vondelingen en geleidelijk veranderde het van een armenopvang in een strafinrichting.

Onder bewind van het ministerie van Justitie bleef het experimentele karakter van de kolonie echter bewaard. Gevangenen kregen relatief veel vrijheid, ze werkten buiten de poorten van de gevangenis en gingen naar dezelfde kerk als de bewaarders en de directeur. Rondom de gevangenissen werd geleidelijk een volledig dorp gebouwd voor de ambtenaren van Justitie. De architecten Johan Frederik Metzelaar en Willem Cornelis Metzelaar, vader en zoon, ontwierpen de monumentale straten, de rijtjeshuizen en villa’s, de kazerne, het ziekenhuis en de gevangenissen Esserheem en Norgerhaven, die Veenhuizen nog altijd karakteriseren.

Net als in de periode van de Maatschappij van Weldadigheid stond ook bij het regime van Justitie de heropvoeding centraal. Wie het dorp binnenrijdt, ziet direct de stichtelijke spreuken op de gevels van de gebouwen: ‘Orde en tucht’, ‘Werk en bid’, ‘Arbeid is zegen’, ‘Leering naar voorbeeld’. Ze verwijzen naar de functies van de gebouwen. ‘Nauwgezetheid’ was de apothekerswoning, ‘Geestkracht’ de domineeswoning en ‘Kennis is macht’ die van de schoolmeester. Het zijn imposante huizen die een groot contrast vormden met de omgeving. Terugkijkend wordt het Drenthe van toen wel het Siberië van Nederland genoemd. Ruig, onontgonnen, ver van de bewoonde wereld. Geen plek van rijkdom en luxe, maar van zware levens en troosteloze perspectieven.

Iedereen die werkte in het dorp was in dienst van het ministerie van Justitie, op de postbode en de schoolmeester na, die werden betaald door andere overheidsdiensten. Het overgrote deel kwam uit andere delen van het land en koos mede vanwege de gunstige arbeidsvoorwaarden voor een betrekking in Veenhuizen. Grote huizen, lage huren en allerlei extra’s zoals gratis hulp in de tuin, gratis naar het theater en een gratis graf bij het Vierde Gesticht.

Daar zal ooit ook schrijfster Mariët Meester komen te liggen. Jaren geleden belde haar moeder vanuit het ouderlijk huis in Veenhuizen met de vraag of ze later in het dorp wil worden begraven. Nu het grafrecht voor (voormalig) ambtenaren in het Drentse dorp zou veranderen, moest er een keuze worden gemaakt. Hoewel Mariët al 25 jaar in Amsterdam woont, zei ze toch ja.

In een Amsterdams café vertelt ze over haar jeugd als dochter van de schoolmeester van de School met de Bijbel. Over gevangenen die de tuin deden, jehova’s die als veroordeelde dienstweigeraars het behang plakten en gestichtswachters die 24 uur per dag de wacht hielden in het dorp. Wie niet woonde of werkte in het dorp was niet zomaar welkom. Bezoek voor de bewoners moest netjes worden aangemeld en werd bij binnenkomst in het dorp gecontroleerd. Wie even wilde bellen met familie in het dorp deed dat via de telefooncentrale van de gevangenissen. Ook uitgaande gesprekken liepen via de gevangenisportier, die altijd kon meeluisteren.

Pas toen ze naar de middelbare school in Assen ging merkte Meester dat de omgeving waarin ze opgroeide anders was: ‘Andere kinderen noemden ons koloniekak. Ons dorp was rijk en ontwikkeld vergeleken bij andere dorpen in de buurt. Wij praatten algemeen beschaafd Nederlands, terwijl andere kinderen in dialect spraken.’ Bovendien kreeg ze van het ministerie een gratis buskaart.

De ouders van Meester woonden met de pasgeboren Mariët op een zolder in Den Haag toen de gelegenheid zich voordeed naar Veenhuizen te verhuizen. Vrijgevochten twintigers waren het, die wel zin hadden in een avontuur. Bovendien was het voorgestelde salaris goed en was de huur van de riante woning in het Drentse dorp lager dan die van de krappe Haagse zolderetage.

‘Nauwgezetheid’ was de apothekerswoning, ‘Geestkracht’ de domineeswoning en ‘Kennis is macht’ die van de schoolmeester

Meester merkte aan haar klasgenoten op de middelbare school dat het niet vanzelfsprekend was dat je een dorp deelde met honderden gevangenen. Ze vonden het vreemd, eng; ouders lieten hun kinderen niet bij haar spelen. ‘In Veenhuizen was een symbiose tussen bewoners en gevangenen’, vertelt ze. ‘Buiten het dorp was een veel sterker zwart-witdenken over gewone mensen en criminelen. Dat kende ik helemaal niet. Ik heb me ook altijd erg betrokken gevoeld bij mensen die “gemarginaliseerden” worden genoemd.’ Het zijn voor haar nog altijd de jongens die schoffelden en koffie dronken in de tuin, die vlak voor de kerkdienst begon binnenkwamen en gingen zitten op de voorste rij, die hier en daar een affaire hadden met een verveelde huisvrouw. Stoere jongemannen, met een shagje in de mond, die in niets leken op de keurige vaders van de buurkinderen.

Dat haar vader nog steeds in het dorp woont en Meester er ook zelf wil worden begraven zegt veel over de charme van het leven in de experimentele enclave. Toch stond tegenover de symbiose ook een extreme rechtlijnigheid. Iedere functionaris droeg een uniform waarop met strepen de rang binnen de gemeenschap werd aangegeven. De apotheker, de dominee, de gevangenisbewaarder, ze hadden allemaal een duidelijke positie in een strikt hiërarchisch systeem. Ook de locatie en omvang van de woning, de afmetingen van de tuin en het salaris pasten precies bij de toegewezen status.

‘Als een bewoner een extra streep op zijn pak kreeg’, zegt Meester, ‘dan wist het hele dorp dat hij ook een hoger salaris kreeg. Iedereen hield elkaar constant in de gaten. Dat was heel benauwend.’ Bovendien betekende een andere functie vaak ook een ander huis. ‘En als je met pensioen ging, moest je weg uit het dorp. Als de vader overleed ook. Heel pijnlijk.’

Deelnemers aan de toer in de voormalige heropvoedingskolonie in Veenhuizen © Gevangenismuseum Veenhuizen

Afgelopen juni maakte minister van Rechtsbescherming Sander Dekker bekend dat de gevangenis Norgerhaven, onderdeel van de Penitentiaire Inrichting (PI) Veenhuizen, voorlopig open blijft. Maandenlang hadden de bewoners en de bestuurders van het dorp en ook de medewerkers van de PI in onzekerheid geleefd over de toekomst van Norgerhaven en dat was niet voor het eerst. Al meer dan tien jaar neemt het aantal gedetineerden in Nederland in hoog tempo af en worden gevangenissen gesloten. Van de ruim 50.000 gevangenen in 2005 zijn er minder dan 35.000 over.

Je zou dat op zich goed nieuws kunnen noemen. Het aantal delicten is afgenomen en gevangenisstraffen worden steeds meer vervangen door taakstraffen, voorwaardelijke straffen en boetes. Daar komt bij dat een deel van de Nederlandse cellen geschikt is gemaakt voor twee personen. Toch leidt deze trend in het gevangeniswezen tot grote zorgen. Sinds 2013 sloot het ministerie van Justitie al negentien gevangenissen, waaronder de beroemde koepelgevangenissen in Haarlem en Breda, de Bijlmerbajes in Amsterdam, de Blokhuispoort in Leeuwarden en de Grittenborgh in Hoogeveen. Ook in Veenhuizen werden drie locaties gesloten: de kleine complexen Oude Gracht en Fleddervoort en het grotere Groot Bankenbosch, gelegen in het bos aan de rand van het dorp. In dit relatief open complex met kleine bakstenen gebouwen uit de jaren zeventig brachten in de loop der jaren duizenden gevangenen de laatste fase van hun detentie door. Ook werden er veel korte straffen uitgezeten voor onbetaalde boetes, verkeersovertredingen en andere kleine vergrijpen.

Na de sluiting in 2014 deed Groot Bankenbosch dienst als opvanglocatie voor asielzoekers, voornamelijk uit Syrië. Maar nu er ook niet veel asielzoekers meer zijn, staat Groot Bankenbosch leeg. Dat betekent niet alleen opnieuw een verlies van banen in Veenhuizen, maar ook opnieuw een verlies van betekenis. Van de duizend banen in de tweede helft van de vorige eeuw zijn er nog 550 over. Het aantal cellen daalde van 650 in 2012 naar 480 nu. Langzaam wordt het dorp steeds meer ontdaan van de enige functie die het kent, dat van gevangenisdorp.

‘We hebben veel lobbywerk gedaan om te voorkomen dat Norgerhaven zou worden gesloten.’ Directeur Marie-Anne de Groot zit aan haar bureau in de directeurskamer van de PI Veenhuizen. Norgerhaven is een van de twee laatste functionerende gevangenissen in het dorp. De andere is Esserheem, drie kilometer verderop. De kamer heeft klassieke paneeldeuren, ornamenten en hoge ramen, overal liggen boeken en stapels papieren. Binnenkort verhuist De Groot naar een kleinere kamer aan de overkant van de parkeerplaats. Nu loopt ze zo naar binnen, dan moet ze elke dag het hek en de sluis door, net als de gedetineerden. ‘Daar ben ik heel blij mee’, zegt De Groot oprecht. ‘Dit vind ik niks. Wij zitten hier, zij zitten daar. Dat voelt niet prettig. Ik wil tussen de mensen zijn, horen en voelen wat er leeft.’

Het zijn zware maanden geweest, vertelt ze. Redelijk onverwacht stond Norgerhaven begin dit jaar ineens op de nominatielijst voor een volgende sluitingsronde. Op dat moment was de gevangenis, beroemd om de ruime groene binnentuin en het mooie uitzicht op het Drentse landschap, gevuld met 240 Noren. Zij arriveerden in 2015, na een zakelijke overeenkomst tussen de Nederlandse en de Noorse overheid. Omdat Noorwegen nog kampte met een cellentekort, terwijl Nederland een overschot had, werd een huurovereenkomst gesloten voor drie jaar. De Nederlandse gevangenen die op dat moment in Norgerhaven verbleven werden overgeplaatst.

‘In Noorwegen is het uitgangspunt anders’, zegt De Groot. ‘Daar krijg je als gevangene vertrouwen en kun je dat behouden of verliezen. In Nederland moet je vertrouwen verdienen.’ Het was ook geen toeval dat de Noorse minister van Justitie juist Veenhuizen koos als uitvalsbasis. Ook onder Nederlandse gevangenen staat het bekend als de prettigste plek om een straf uit te zitten. Dat is niet alleen vanwege het grote, groene binnenterrein, maar ook omdat gevangenen in Norgerhaven veel buiten zijn, eigen verantwoordelijkheid krijgen bij het indelen van hun dag en veel keuze hebben tussen verschillende soorten arbeid. Van lassen in de eigen lasfabriek tot werken op het grote stuk landbouwgrond of in de kassen direct achter de gevangenis.

Toen bekend werd dat de Noren hun intrek zouden nemen in Veenhuizen stapten achttien Nederlandse gevangenen naar de rechter. Het waren de mannen van afdeling K, die naar Veenhuizen waren overgeplaatst omdat daar een experiment werd opgezet voor langgestraften. ‘Daar was ook een eerste groep bij die tot levenslang is veroordeeld’, vertelt Marie-Anne De Groot. ‘Dat brengt heel nieuwe vragen met zich mee over zingeving en een waardevol leven. Kun je dat mogelijk maken in een gevangenis?’ De groep kreeg een eigen afdeling ter beschikking, die ze zelf opknapten, waar ze zelf kookten en waar ze leefden in gemeenschappelijkheid. Maar ze moesten weg, ook van de rechter. ‘Dat was heel pijnlijk. Juist met zo’n groep moet je zorgvuldig omgaan.’

Met terugwerkende kracht is die overplaatsing extra pijnlijk. Begin 2018 maakte de Noorse minister vrij onverwacht bekend dat de Noren per augustus zouden vertrekken. Men had gerekend op een verlenging van twee jaar, maar ook in Noorwegen is het aantal gevangenen sneller afgenomen dan verwacht. In de wetenschap dat er in het voorjaar van 2018 door minister Dekker een nieuwe sluitingsronde bekend zou worden gemaakt was dat een behoorlijke schok. Het einde van Norgerhaven zou niet alleen een nieuwe kras zijn op de ziel van het dorp, maar ook een verlies van 250 banen betekenen. En dat in een regio die toch al worstelt met een relatief hoge werkloosheid en een verlies van economische activiteiten. Het was een van de afwegingen die minister Dekker ertoe aanzette om Norgerhaven te sparen en te kiezen voor sluiting van de gevangenissen in Almere, Zwaag, Zeist en Zoetermeer.

‘Voor ons zijn het hoge aantallen’, zegt burgemeester Klaas Smid van de gemeente Noordenveld. Drenthe heeft de afgelopen decennia zware klappen te verduren gekregen. Fabrieken zijn gesloten, overheidsdiensten werden gecentraliseerd waardoor lokale en regionale kantoren zijn opgedoekt, de bevolking vergrijst en ontgroent. Onder die omstandigheden is het niet makkelijk om nieuwe economische dynamiek te creëren. Tien jaar geleden vertrok katheterproducent Cordis van het Amerikaanse concern Johnson & Johnson uit Roden, dat ook deel uitmaakt van de gemeente Noordenveld. Daarmee gingen meer dan zeshonderd banen verloren. ‘En dit jaar sloot kampeerwinkel de Vrijbuiter’, zegt Smid. ‘Dat waren weer 120 banen. In de hoogtijdagen kwamen daar jaarlijks meer dan een miljoen mensen op af.’

Het goede nieuws is dat er na het vertrek van Cordis een bescheiden maar relatief succesvol medisch-technologisch cluster is ontstaan. Om verdere groei hiervan te stimuleren kochten de provincie Drenthe en de gemeente samen een pand in Roden, dat sinds september functioneert als Health Hub. Bedrijven werken hier samen met de Hanzehogeschool Groningen en ROC Noorderpoort. Daarnaast is het versterken van recreatieve economie een van de speerpunten van de provincie. ‘Maar we willen niet alleen de grijze golf aantrekken’, zegt Smid. Hij doelt op de grote groep welvarende senioren die graag fiets- en wandeltochten maken, een kopje koffie drinken en zo nu en dan overnachten in een van de vele Nederlandse hotels. ‘We willen ook gezinnen met kinderen.’

‘Het lage tempo zorgt wel weer voor stabiliteit. Er is een stevig fundament en er is geen ruimte voor snelle exploitatie gericht op snelle winst’

Een van de populairste attracties daarvoor is sinds 2008 te vinden in zijn eigen Veenhuizen. Na een grondige renovatie opende in het voormalige Tweede Gesticht in het hart van het dorp het Nationaal Gevangenismuseum. Voor de opening werd stiekem gehoopt op vijftigduizend bezoekers per jaar, maar al jaren trekt het museum er meer dan honderdduizend. Gezinnen met kinderen die in de buurt op vakantie zijn, schoolreisjes, heidagen inclusief rollenspel in boevenpak, senioren die een weekendje in Drenthe zijn, ze komen allemaal.

Als het goed is, opent volgend jaar een nieuwe aanbouw om het museum en de bezoekers iets meer lucht te geven. Met dertienhonderd bezoekers per dag is het in de zomer soms te druk. Het gevoel van drukte werd de afgelopen twee zomers vergroot doordat het binnenterrein functioneerde als set voor het theaterspektakel Het Pauperparadijs. Dat bracht drukte en herrie met zich mee, maar vooral ook veel media-aandacht en extra inkomsten voor de lokale ondernemers. Bitter en Zoet, een boetiekhotel in het voormalige hospitaal Vertrouw op God, was in 2013 bijna failliet, maar was de hele zomer van 2017 volgeboekt. Ook in het café-restaurant waren alle tafels avond na avond bezet.

Het was een impuls die de lokale ondernemers goed konden gebruiken. Na ruim twintig jaar van verval en toenemende leegstand kreeg Veenhuizen tien jaar geleden een grondige opknapbeurt. De gemeente, de provincie en het Rijksvastgoedbedrijf investeerden zestig miljoen euro om de openbare ruimte en een aantal iconische gebouwen een facelift te geven. Streekproductenwinkel Lokaal Verhaal huist in het voormalige schoolgebouw, het Tourist Info Punt zit in het oude slachthuis, het Gevangenismuseum was het Tweede Gesticht en Bitter en Zoet het ziekenhuis. Met steun van Het Drentse Landschap kreeg de vervallen boerderij Essererf een nieuw leven als de Tuinen van Weldadigheid. De boerderij Stoomhoeve is nu ontmoetingsplaats Coco Maria, de oude zuivelfabriek wordt gebruikt als ambachtelijke kaasmakerij en de oude graanmaalderij Maallust werd een bierbrouwerij. De oprichters van de brouwerij noemen zich de Zware Jongens en de bieren hebben namen als de Pauper Spelt, de Landloper Bock en de Zware Jongen Tripel.

Tussen de muren van het voormalige Tweede Gesticht worden bezoekers ondergedompeld in de roerige geschiedenis van Veenhuizen, maar ook geconfronteerd met de ethische vraagstukken die detentie met zich meebrengt. Veranderende opvattingen over goed en kwaad, over de behandeling van gevangenen en strafmaten, over de dunne grens tussen een gedetineerde en ieder ander mens komen aan bod. ‘In de korte tijd dat iemand door het museum loopt, kan hiernaast in gevangenis Esserheem een gedetineerde worden vrijgelaten’, zegt museumdirecteur Peter Sluiter. ‘Van het ene op het andere moment staat hij aan de andere kant, terwijl hij nog steeds dezelfde persoon is.’ Eén op de 25 Nederlandse mannen heeft ooit vastgezeten, zegt hij. ‘Denk daar maar eens over na. Het kan je buurman zijn, de groenteboer of je oom.’ Sluiter was twee jaar directeur van Esserheem, voordat hij in 2009 overstapte naar het museum.

Het zegt iets over de innige relatie tussen de nog bestaande gevangenissen en het nieuwe ondernemerschap in het dorp en over de hechtheid van de plaatselijke gemeenschap. Gevangenisdirecteur Marie-Anne de Groot is voorzitter van de vriendenvereniging van het museum, Hein Moes deed de inrichting van de museumwinkel, oprichter Henk Timmerman van Maallust was namens het Rijksvastgoedbedrijf betrokken bij de eerste fase van herontwikkeling van het dorp. Het Pauperarrangement van het museum stuurt de boevenbus langs Coco Maria en naar Norgerhaven en de gevangenissen doneren regelmatig spullen aan het museum. Het museum heeft ook een arrangement met Maallust, dat zijn hop met hulp van gedetineerden verbouwt op de landbouwgrond van de PI Veenhuizen. Het groen op het binnenterrein van het museum wordt onderhouden door gedetineerden en een voormalig gedetineerde werkt in het museum bij de facilitaire dienst.

Het is echter de vraag hoe lang de bijzondere relatie tussen dorp en gevangenen nog blijft bestaan. Norgerhaven en Esserheem zijn voorlopig gered, maar als het aantal gedetineerden blijft dalen is er geen enkele garantie. Een leegstaande gevangenis kost bakken met geld. Het ministerie van Justitie kijkt naar de personeelskosten, het Rijksvastgoedbedrijf ziet onderhoudskosten. Bovendien wordt de gevoelsmatige stap om de poorten te sluiten voor de bewindvoerders steeds kleiner. De symbiotische relatie tussen gevangenen en bewoners eindigde in 1985 toen het dorp werd opengesteld en er rondom de gevangenissen hekken verrezen. In de loop der jaren verkocht het Rijksvastgoedbedrijf al flink wat panden om kosten te besparen en de schatkist aan te vullen. Het is een ontwikkeling die niet alleen in Veenhuizen speelt, maar overal in het land. Naarmate de overheid zich verder terugtrekt en diensten worden samengevoegd of geclusterd op centrale locaties neemt de last van leegstaand vastgoed voor de rijksoverheid toe.

Klimbos in de voormalige heropvoedingskolonie in Veenhuizen © Gevangenismuseum Veenhuizen

Verspreid over het land zijn sinds de jaren tachtig duizenden kantoorgebouwen, kazernes, dienstwoningen, gevangenissen en andere vastgoedobjecten verkocht. Alleen al in 2017 ging het om 75 gebouwen, waarvan tien kantoorgebouwen, vier gerechtsgebouwen, vier gevangenissen en zo’n 35 defensiegebouwen. Variërend van een belastingkantoor in Oss en een uwv-kantoor in Emmen tot Paleis Soestdijk en de Koepelgevangenis in Haarlem. Paleis Soestdijk ging voor anderhalf miljoen euro naar het consortium Made by Holland, dat het monumentale pand gaat inrichten als centrum voor innovatie en ondernemerschap. De gemeente Haarlem kocht de Koepelgevangenis voor 6,3 miljoen euro en transformeert het tot University College.

Ook voor de tientallen gebouwen in Veenhuizen die nog in bezit zijn van het Rijksvastgoedbedrijf is de toekomst nog ongewis. Behalve de twee nog functionerende gevangenissen Norgerhaven en Esserheem en de justitiële jeugdinrichting Het Poortje bezit het rijk nog vele tientallen panden in het dorp. Daarvan staat een deel leeg en wordt een deel verhuurd. De grootste angst in Veenhuizen is dat het Rijksvastgoedbedrijf de panden los van elkaar verkoopt, aan willekeurige hoogste bieders. Daarmee zou het unieke karakter van het dorp verloren gaan. Het gesprek tussen gemeente, provincie en het Rijksvastgoedbedrijf over de toekomst verloopt stroef. ‘Het bestuurlijk overleg heeft jaren stilgelegen’, zegt burgemeester Smid. ‘Daardoor ligt de ontwikkeling van het dorp nu eigenlijk ook stil.’

De verkoop van het vastgoed in Veenhuizen ligt ambtelijk en politiek bijzonder gevoelig. Een woordvoerder van staatssecretaris Raymond Knops laat na lang intern overleg weten dat deze geen reactie kan geven. In opdracht van het Rijksvastgoedbedrijf werkt onderzoeks- en adviesbureau SteenhuisMeurs aan een nota van uitgangspunten voor de toekomst van Veenhuizen. Het bureau is gespecialiseerd in de herbestemming van cultureel erfgoed en is sinds 2010 betrokken bij de aanvraag voor een Unesco-status voor Veenhuizen. De verwachting is dat het dorp als onderdeel van de Koloniën van Weldadigheid in 2020 inderdaad de status van Unesco Cultureel Erfgoed verkrijgt.

In afwachting van het besluit is een partnerschap ontstaan van Het Drentse Landschap, de Nationale Monumenten Organisatie (nmo) en vastgoedontwikkelaar Boei, die is gespecialiseerd in de restauratie en herbestemming van monumentale panden en hoopt het gehele vastgoedpakket van het rijk over te kunnen nemen. In steden en dorpen overal in het land blies Boei leegstaande fabrieken, watertorens, kerken en andere gebouwen nieuw leven in. De drie organisaties hebben de volledige steun van de gemeente Noordenveld en de provincie Drenthe. ‘We willen het als ensemble behouden en voorkomen dat onderdelen uit het pakket worden genomen en los op de markt terechtkomen’, zegt directeur Robert Quarles van Ufford van nmo.

Hoewel het goed zou kunnen dat het Rijksvastgoedbedrijf hier welwillend tegenover staat, zou het de nodige financiële consequenties hebben. Zoals wel vaker bij monumenten verlangt het partnerschap van het Rijksvastgoedbedrijf een instandhoudingsbijdrage. Het rijk verdient dan geen geld aan de verkoop, maar legt geld bij om op langere termijn een bijdrage te leveren aan de onderhoudskosten. Het is een vaker gebruikte manier om de exploitatie van monumentale panden voor de nieuwe eigenaar mogelijk te maken. Het onderhoud van de meer dan honderd monumenten in Veenhuizen is peperduur. ‘Wij hebben alleen al 167 kozijnen met tralies ervoor’, zegt museumdirecteur Sluiter. ‘Bedenk maar eens hoeveel werk het is om dat te schilderen.’

Sluiter hoopt dan ook dat er op korte termijn een besluit wordt genomen over de toekomst van het dorp. Met zijn museum is hij ook huurder van het Rijksvastgoedbedrijf. ‘Het feit dat het dorp altijd eigendom is geweest van het rijk heeft ervoor gezorgd dat het zo goed bewaard is gebleven. Twintig jaar geleden was het een bouwvallig dorp, sindsdien is er veel opgeknapt, maar nu stagneert het.’ Als voorbeeld noemt hij de aanbouw die hij zo graag volgend jaar wil openen. Dat kan alleen als het ontwerp ervoor wordt goedgekeurd door de huisbaas, maar de huisbaas is het niet eens met de gemeente, die het bestemmingsplan moet goedkeuren. Sluiter noemt het de schaduwkant van het feit dat iedereen van Veenhuizen is gaan houden: ‘Het laat niemand onverschillig.’

Toch ziet hij ook een voordeel: ‘Het lage tempo zorgt wel weer voor stabiliteit. Er is een stevig fundament en er is geen ruimte voor snelle exploitatie gericht op snelle winst.’ Want dat is het grootste angstbeeld in Veenhuizen. Een toekomst zonder functionerende gevangenissen, met enkel nog toeristische attracties. Het Drentse monumentendorp Orvelte is onder de plaatselijke bevolking het schrikbeeld. Sluiter: ‘Zolang de gevangenissen open blijven, zal het geen openluchtmuseum worden.’ En als de gevangenissen wel sluiten? ‘Dan moeten we zorgen dat hier een diverse economie ontstaat die niet alleen draait om toerisme.’


Dit artikel kwam tot stand in opdracht van het Atelier Rijksbouwmeester