Het eerlijke verhaal Marietje Schaake

‘Ze schrikken van hun eigen macht’

Als luis in de pels van Silicon Valley zag Marietje Schaake jarenlang hoe tech-bedrijven hun macht bagatelliseerden. De coronacomplotten en de Capitool-bestorming legden pijnlijk bloot dat wat online gezegd wordt, de democratie kan ontwrichten.

Marietje Schaake – ‘Mensen hebben recht op vrijheid van meningsuiting, maar niet per se op een bepaald bereik’ © Linelle Deunk / Lumen Photo

Het wel of niet uitbannen van nazisymbolen, een adverteerdersboycot tegen Facebook en de talloze andere voorbeelden van controverse rond sociale-mediabedrijven maskeren een veel sluipender gevaar: in de online wereld heersen private bedrijven en is weinig democratische controle mogelijk, schreef tech-criticus Marietje Schaake een half jaar geleden. ‘De technologie- en databedrijven zijn bezig een stille coup te plegen.’

Twee weken geleden vond een belangrijke slag in die strijd plaats. Het Twitter-account van Donald Trump werd offline gehaald nadat hij door bleef twitteren terwijl het Capitool werd belaagd. Volgens Twitter hadden zijn tweets de woede gevoed die voor het oog van de wereld werd gebotvierd op de mensen, het meubilair en het gebouw van het Amerikaanse parlement. Facebook en YouTube volgden korte tijd later en draaiden de president ook op zwart. Daarnaast weerden de tech-giganten alternatieve sociale platformen door ze uit hun appstores te weren uit vrees dat ook zij broedplaatsen voor extreem-rechts zouden worden. Amazon trok zelfs serverruimte in, waarmee het doek definitief viel.

‘Dit is niet de eerste slag’, verbetert Schaake. ‘Maar het is wel de meest zichtbare manifestatie van de macht die zij al lange tijd hebben. Die brak nu door naar de oppervlakte. Tegelijkertijd is het belangrijk om je te realiseren dat die macht er ook was geweest als ze hadden besloten om de tweets van de president niet weg te halen. Zij hebben hun positie lang gebruikt om te zeggen: bij ons kan min of meer alles. Zij hadden een houding van: wij optimaliseren en sturen op onze eigen winst en trekken ons niets aan van de maatschappij waarin wij opereren. Je ziet nu dat ze schrik hebben gekregen van hun eigen rol, ze trekken zich voor het eerst hun eigen macht aan.’

Marietje Schaake bevindt zich sinds twee jaar in het hart van die macht. Sinds het najaar van 2019 woont ze in Silicon Valley als directeur beleid van het Cyber Policy Center aan de Universiteit van Stanford. Een wereld die ze even weerzinwekkend als fascinerend vindt. ‘Je Uber-chauffeur is dakloos en je weet dat de mensen van de catering bij de universiteit misschien wel twee uur op en neer moeten rijden naar hun werk omdat de omgeving onbetaalbaar is’, zegt ze. In de straten van Silicon Valley staan campers en trailers waar mensen wonen die werken in de service industry die is opgetuigd rond de rijken. ‘Ik woonde in een heel suburbian gedeelte en kwam er snel achter dat 25 tot 40 procent van de scholieren op de middelbare school op vijf minuten fietsen dakloos is. Toen ik dat las was ik daar een week van ontdaan. Tegelijkertijd ken ik mensen die tientallen miljoenen hebben verdiend en onzeker zijn over hun succes omdat er ook mensen zijn die met één deal een miljard dollar hebben verdiend.’

Haar instituut in de steenrijke baai van San Francisco ligt op een kwartier rijden van de hoofdkwartieren van Facebook, Apple en Google. Als ze iets langer zou doorrijden zou Schaake bij Twitter kunnen binnenstappen. ‘Deze plek is onmiskenbaar het machtsbolwerk van de digitale wereld. Ik wil begrijpen hoe het in elkaar zit.’

Maar op dit moment loopt ze door het Vondelpark in Amsterdam. De coronapandemie dwong haar terug naar huis waar ze het minstens net zo druk heeft als in Californië. Ze geeft les aan haar studenten over kunstmatige intelligentie en de rechtsstaat en treedt tegelijkertijd op tal van plaatsen op als commentator, allemaal via een videoscherm. ‘Als ik niet elke dag een groot stuk loop, dan gaat het niet goed met mijn hoofd. Mijn grote probleem is schrijftijd bewaken, die wordt altijd opgeknabbeld, het is het constante gevecht met mezelf: focus houden.’

Ze schrijft aan een boek over hoe democratische regeringen zich moeten verhouden ten opzichte van technologiebedrijven. Op dit moment komt daar een essayreeks bij die zij samen met haar collega’s op de universiteit schrijft als adviezen aan de aanstaande regering van Joe Biden. Haar naam staat ook onder het verkiezingsprogramma van D66, de partij waarvoor ze tien jaar in het Europees Parlement zat. ‘Ja, dat is er inderdaad ook nog.’

De rode lijn in al die plannen en analyses? De macht van de tech-bedrijven is in de online wereld de politieke macht gaan overschaduwen waardoor het waarborgen van liberaal-democratische waarden is geprivatiseerd. Keuzevrijheid, eerlijke concurrentie, non-discriminatie en rechtvaardigheid staan op het spel – en moeten door de samenleving terugveroverd worden.

U zei dat de sociale-mediabedrijven zich de eigen macht beginnen aan te trekken. Hoe verklaart u die kentering?

‘Sociale-mediabedrijven wilden eerder nooit ingrijpen bij politieke uitspraken, nu wel’

‘De coronapandemie is een belangrijk kantelmoment geweest. Zeker in het begin is er heel veel geïntervenieerd toen desinformatie over het virus tot problemen voor de publieke gezondheid ging leiden. Daarvoor grepen sociale-mediabedrijven al in bij overduidelijk illegale content zoals terreur, kinderporno of door auteursrecht beschermd materiaal. Maar aan het begin van de crisis zag je een overgang van wat illegaal is volgens de wet naar een veel ingewikkelder gebied: schade als gevolg van content die op zich niet verboden is. Denk bijvoorbeeld aan samenzweringstheorieën. Je mag best beweren dat een bepaald soort thee de allerbeste remedie is tegen covid, maar op het moment dat een substantieel deel van de mensen daar ook naar gaat handelen, ben je misschien blij als je de thee verkoopt, maar heb je als maatschappij een probleem. Dit gebied is veel ingewikkelder omdat het juridisch onduidelijker is. Rond covid zag je dat de sociale-mediabedrijven die eerder nooit hadden willen ingrijpen bij politieke uitspraken, nu wel meteen ingrepen omdat het over leven en dood ging.

Maar als we dit jaar iets hebben geleerd, dan is het dat je deze zaken – leven en dood of politiek – niet uit elkaar kunt knippen. Op het moment dat de president zelf ontkent dat er maatregelen nodig zijn tegen het virus, smelt dat allemaal samen. Filosofisch zou je kunnen beargumenteren dat meningsuiting eigenlijk altijd een politieke component heeft. Meningsuiting is áltijd politiek en het ingrijpen daarop ook.’

Is het blokkeren van Trumps sociale-media-accounts censuur?

‘Als de president niet meer een platform van 88 miljoen volgers heeft, kun je zeggen dat hij binnen dat kader iets is beperkt in zijn bereik. Dus ja, strikt genomen wel. Maar het hangt af van welk perspectief je kiest. Om vast te stellen of iemand is beperkt in zijn meningsuiting is het goed om de hele context te schetsen: is er nog een ander platform? Stel dat je het hebt over oppositiefiguren in een land waar de meningsvrijheid en de persvrijheid ernstig beperkt zijn, en hun Facebook-pagina wordt verboden, dan heeft dat veel meer impact dan op een president van de Verenigde Staten. Trump heeft via de pressroom van het Witte Huis, talloze kranten, radiozenders en televisiekanalen nog steeds een heel groot platform.’

U schreef al eerder dat in Silicon Valley de mantra dat ‘vrijheid voor meningsuiting voor alles gaat’ is gesneuveld. Wat is daarvoor in de plaats gekomen?

‘Dat is nog niet heel duidelijk, je ziet nu vooral veel kuddegedrag. Als één bedrijf, Twitter in dit geval, een stap zet, dan zie je dat de andere snel volgen. Hetzelfde zag je met het labelen van tweets waar leugens in stonden. Wat denk ik echt nieuw is, is dat ze niet alleen kijken naar de uiting, maar ook naar de context en de impact daarvan. Een aantal van ons, zeker in Europa, zegt al heel lang: je kunt niet door een kokertje van vrijheid van meningsuiting naar de wereld kijken en doen alsof dat het enige recht is dat van belang is. Dat zag je ook bij de verdediging van Twitter van het blokkeren van de president: het ging niet om wat er precies was gezegd, maar om het vermoeden dat het gewelddadige gevolgen gehad zou hebben.

Tegelijkertijd kun je je afvragen waarom ze, als ze hier bang voor waren, dat niet ook bij anderen hebben gedaan. De Braziliaanse president ontkent ook corona en Iraanse machthebbers slingeren via dezelfde platformen propaganda de wereld in. Toen de IS-accounts met duizenden tegelijk van sociale media werden afgegooid, hoorden we niemand uit het kamp van vrije meningsuiting een protest aantekenen. Je kunt het zien als voortschrijdend inzicht, je kunt het zien als een soort tegen de lamp lopen en je kunt het zien als dubbele standaarden van een heleboel mensen die zich nu ineens wel roeren.’

Dat felle debat over vrije meningsuiting woedt niet alleen tussen ideologische groepen in de samenleving, maar ook tussen continenten. Als Marietje Schaake enkele uren na ons gesprek aanschuift bij een online panelgesprek van denktank The Atlantic Council, wordt duidelijk hoe Europees haar liberalisme is. ‘Laat mij eerlijk zijn over de gevoelens van veel Europeanen’, zegt ze. ‘Natuurlijk hebben veel Europeanen met afschuw en zorg gekeken naar de bestorming van het Capitool vorige week. Tegelijkertijd voelen veel Europeanen zich gesterkt in hun jarenlange zorgen over hoe democratische rechten onder druk staan door een algehele commercialisering van de publieke sfeer online. Deze zorgen zijn door Amerikanen altijd weggewuifd als emotioneel, irrationeel en alsof Europa alleen maar jaloers was dat zij zelf niet zoiets groots hadden als Silicon Valley.’

Terwijl Amerikaanse experts het woord nemen en de tijd wegtikt, neemt het gesprek een wending richting de bezwaren van ingrijpen. Is dat niet in strijd met het eerste artikel van de Amerikaanse grondwet? Als Schaake weer aan de beurt is, zet ze het debat terug op scherp. ‘De focus van dit gesprek ligt opnieuw te veel op vrije meningsuiting. Je kunt niet stellen dat wat wij zien op sociale media een strijd is tussen argumenten van mensen met dezelfde keuzevrijheid en dezelfde macht. Wat sociale-mediaplatformen bieden is een megafoon en een matching-service. Of je nu een tennisser bent op zoek naar een tennismaatje of een extreem-rechtse activist op zoek naar medestanders. Of je nu desinformatie deelt, oproept tot geweld of online haat verspreidt, de platformen helpen je omdat ze dat geld oplevert. Mensen hebben recht op vrijheid van meningsuiting, maar niet per se op een bepaald bereik. Ik denk dat het nuttig is om ingrijpen niet te zien als het muten van mensen maar als het muten van de megafoon. Mensen mogen nog steeds op een hoek van het publieke plein hun mening delen, maar in hoeverre moet hun geluid versterkt worden door een door commerciële motieven gedreven algoritme?’

‘Ik geloof ontzettend in vrijheid van meningsuiting, maar ook in het wegen van rechten’

Ze verwijst naar haar collega aan Stanford, de politicoloog Francis Fukuyama, die twitterde hoe verrassend prettig het was om niet meer dagelijks geconfronteerd te worden met de tweets van de president. ‘Natuurlijk zijn er ook mensen die het drama missen, maar velen zijn opgelucht. Dat ze niet meer worden gepest en lastiggevallen. Als wij ons écht bekommeren om de vrijheid van meningsuiting, moeten we ons ook afvragen wat de impact is van mensen die niet meer op de platforms inloggen en niet meer deelnemen aan het debat, die zichzelf censureren uit angst. Vooral vrouwen en minderheden hebben hier last van.’

Problematisch aan de discussie over de vraag of het blokkeren van de president censuur is of niet, is volgens Schaake dat het opnieuw een schaduw werpt over de belangrijkere vraag die op tafel ligt: mag een klein clubje bedrijven deze beslissing nemen? ‘Ik geloof ontzettend in vrijheid van meningsuiting, maar ik geloof ook in het wegen van rechten. Doorgaans zeggen wij in een democratie: het vaststellen van rechten is een taak van wetgevers en het is aan een onafhankelijke macht om die te wegen én te borgen. Dit probleem is helemaal niet nieuw en heeft in de offline samenleving door de eeuwen heen vorm gekregen. Maar nu ligt dat plots op het bord van commerciële bedrijven die daar niet voor geëquipeerd zijn. Ik vind dat fundamenteel onwenselijk.’

Tegelijkertijd hoorden we de afgelopen jaren juist van politici, of ze nou in Den Haag, Brussel of Washington zaten, dat het tijd was dat tech-bedrijven ‘hun verantwoordelijkheid nemen’. Nu doen ze dat en is het ook niet goed. Was die oproep van politici een vergissing?

‘Als je niet helder maakt langs welke wettelijke lijnen dat zou moeten gebeuren, vind ik het te gemakkelijk, want dan zeg je eigenlijk: degene die het probleem creëert, moet het ook oplossen – terwijl het vertrouwen in hun vermogen om tot goede resultaten te komen juist helemaal niet zo hoog was en ook steeds verder afkalfde. Dus ik vond die oproep eigenlijk vooral een bekentenis van onvermogen.’

Wat moeten uw oud-collega’s wel doen?

‘Ik weet hoe hard er gewerkt wordt, maar ik denk wel dat er in Europa enige zelfgenoegzaamheid was over dat vooroplopen met regelgeving. Het doel is natuurlijk ook nooit om regels te maken, maar om principes te verdedigen, rechten helder te houden en vrijheden veilig te stellen. Er wordt nu om de haverklap nieuwe wetgeving gepresenteerd. Ik kan dat nog net volgen omdat ik er zelf midden in heb gezeten, maar daardoor is het voor mensen in Amerika heel gemakkelijk om te zeggen: another day, another regulation from Brussels. Volgens mij is er de afgelopen jaren iets te veel gesproken over regels en iets te weinig geleverd.

In een ideale situatie zouden democratische regeringen zo veel mogelijk één lijn trekken en zeggen: als jij in een democratie woont en je wil gebruikmaken van deze platformen, dan hebben zij zich aan een aantal regels te houden. Als een farmaceut geneesmiddelen wil verkopen, dan worden die getest en goedgekeurd, daar zijn hele processen voor ingericht inclusief duidelijke gebruikersvoorwaarden. Nog belangrijker is om vooraf het mandaat vast te leggen en verantwoordelijkheden te splitsen. Ik kan me onafhankelijke toezichthouders voorstellen die kijken of databescherming en non-discriminatie worden gerespecteerd.’

In het D66-verkiezingsprogramma staat een idee waarvan het niet anders kan dan dat het van u komt: een internationale standaard voor de aanpak van trollen en nepnieuwsverspreiders die de samenleving ondermijnen. Sociale-mediabedrijven opereren over grenzen heen, moeten we iets bij de Verenigde Naties gaan inrichten?

‘Het probleem met de Verenigde Naties is dat daar de democratische landen vaak aan het kortste eind trekken. Dus als je wil dat de democratische rechtsstatelijke kaders leidend zijn, dan lijkt dit mij niet de meest voor de hand liggende vorm. Ik kan me voorstellen dat we beginnen met een standaard waar alle democratische landen, of de landen die mensenrechten onderschrijven, zich aan houden. Maar we kunnen ook beginnen op Europees niveau. Kijk naar hoe daar één standaard, de Algemene verordening gegevensbescherming, is afgesproken voor het beschermen van de rechten van Europese burgers als het gaat om data. Dat wordt nu door nationale rechtbanken gehandhaafd.’

Mensen vertrouwen Silicon Valley niet, maar ze vertrouwen ook niet per se de staat als het gaat om ingrijpen in het debat. Hoe verander je dat?

‘De donkere wolk die je altijd ziet in deze discussies is het beeld dat wordt opgeroepen van het autoritaire alternatief: de staat die ingrijpt in het debat. Maar dat is een valse dichotomie. Ik geloof dat je heel duidelijk moet maken dat democratische principes en het scheiden van machten voorop staan, zodat ook mensen die nu bang zijn voor staatscensuur zich kunnen beroepen op wetten die hen daartegen beschermen. Dat is iets wat ik altijd heb gemist in deze discussie, zeker in de Verenigde Staten: er wordt altijd gedaan alsof wetten per definitie een beperking zijn, terwijl ze juist vrijheid kunnen waarborgen.’