De frontlinie tegen Trump en alt-rechts

‘Ze willen fascisme normaliseren’

De gewelddadigheid van de antifascistische beweging in de VS (‘Antifa’) speelt alt-rechts in de kaart, stellen critici. Mars van Grunsven bezocht een bolwerk van Antifa, de van oudsher radicale universiteitsstad Berkeley. ‘Preventieve zelfverdediging werkt.’

Medium hh 70787143
Berkeley, 24 september 2017. Anti-marxisme, pro-Amerika-demonstratie. Een aanhanger van agitator Milo Yiannopoulos vecht om een vlag waar Antifa-activisten op stonden © Mark Peterson / Redux / HH

HET TAFEREEL op Sproul Plaza, een plein op de campus van University of California in Berkeley, doet denken aan Occupy Wall Street in 2011: de alle kanten op schietende leuzen en spandoeken hadden niet misstaan in Zuccotti Park, evenals de drums en de overwegend jonge activisten die ageren voor vrouwenrechten, vrede, het milieu en alternatieve munteenheden – en tegen racisme, ongelijkheid, de banken en het grootbedrijf. Ook nu houdt een militair aandoend kordon van tot op de tanden gewapende politieagenten het geheel in de gaten. Wat ontbreekt zijn de tenten. En er is nog een verschil met de vrolijke anarchistische bende van 2011: de sfeer is bij tijd en wijle grimmig.

Dat laatste heeft alles te maken met het groepje rechtse activisten dat zich ophoudt in het midden van het plein. Het zijn er hoogstens dertig, herkenbaar aan Maga-petjes (Maga staat voor ‘Make America Great Again’), Amerikaanse vlaggen en militaire kleding, of een combinatie daarvan, en het zijn voornamelijk mannen: grote blanke kerels die uitstralen niet bang te zijn voor een fysieke confrontatie – en die daar misschien ook wel op uit zijn. Onder hen bevindt zich de 42-jarige Kyle Chapman, beter bekend als ‘Based Stickman’, die in maart 2017 nog gearresteerd werd toen hij in Berkeley enkele demonstranten te lijf ging met een loden pijp.

Vandaag draagt Chapman geen gasmasker, zoals op die dag, want de politie heeft uit angst voor de gemaskerde activisten van Antifa het dragen van alle maskers verboden. De rechtse voorman heeft ook zijn schild, pepperspray en messen thuisgelaten, dat laatste op last van de rechter (Chapman is op borgtocht vrij, in afwachting van zijn rechtszaak naar aanleiding van het loden-pijp-akkefietje). Chapman wordt geflankeerd door enkele Oath Keepers, een groep die gezworen heeft ‘de constitutie te beschermen tegen alle vijanden, uit binnen- of buitenland’. De leden zijn afkomstig uit het leger, de politie en de inlichtingenwereld. Een van hen draagt een spanbord waarop staat geschreven: ‘Liberalisme is een mentale ziekte’.

Chapman cum suis zijn eerder op de dag in Berkeley neergestreken in het kader van Free Speech Week, een door de rechtse agitator Milo Yiannopoulos georganiseerd evenement dat vier dagen achtereen het recht op vrije meningsuiting moet uitdragen. De voormalige Breitbart News-redacteur heeft niet voor niets Berkeley, en in het bijzonder Sproul Plaza, als plek voor zijn evenement gekozen: hier werd in 1964 de vermaarde Free Speech Movement geboren, de studentenprotesten onder leiding van Mario Savio die de hiërarchie van het regenteske universiteitsbestuur aan de kaak stelden en waarin met succes meer vrije meningsuiting en academische vrijheden voor studenten werden geëist. De protesten gingen gepaard met stevige confrontaties met de politie en zelfs de Nationale Garde, de binnenlandse tak van het leger. Toen de beweging vervolgens samensmolt met de anti-Vietnam-beweging en ook begon te sympathiseren met de militante Black Panthers, kwamen daar ook confrontaties bij met de Hells Angels en andere rechtse groeperingen, die speciaal naar Berkeley togen om die linkse studenten een lesje te leren.

Zelf kreeg Yiannopoulos, meestal kortweg ‘Milo’ genoemd, in februari 2017 met het radicale karakter van de Berkeley-campus te maken, toen hem er het spreken onmogelijk werd gemaakt door gemaskerde, in het zwart geklede Antifa-activisten, die vervolgens in gevecht raakten met zowel Milo-sympathisanten als de politie. Door terug te keren naar Sproul Plaza wil Milo eerst en vooral het recht op vrije meningsuiting doen zegevieren, zo laat hij keer op keer weten.

Het staat overigens nu al vast dat Milo’s evenement een fiasco is. Hij heeft namelijk verzuimd om tijdig bij de universiteit vergunningen aan te vragen om met geluidsversterking op het plein te spreken, waarop de sprekers die hij vol bravoure had aangekondigd – waaronder voormalig Trump-adviseur Steve Bannon en de extreem-rechtse mediafiguren Ann Coulter en Laura Ingraham – voor de eer bedankten. Wat resteerde is de speech die hij deze ochtend voor het handjevol aanhangers gaf. Opnieuw werd het spreken hem nagenoeg onmogelijk gemaakt, ditmaal door in het zwart geklede leden van de groep Refuse Fascism, die elk woord van Milo overstemden met de litanie: ‘No Trump! No KKK! No fascist USA!’ Een kwartier later was Milo al weer verdwenen.

Debatteren is moeilijk, blijkt vervolgens, als de overgebleven Milo-aanhangers de dialoog aangaan met de Antifa-activisten die zojuist hun held de mond hebben gesnoerd. Bijna elke woordenwisseling eindigt met het over en weer roepen van leuzen – ‘USA, USA, USA!’ versus ‘No fascist USA!’ Als de boel verhit dreigt te raken, vaak dus, komt de politie er meteen tussen staan.

Dat doet ook de rechtenstudente Chanté Eliaszadeh. Zij heeft zich als een flower-powermeisje uit de jaren zestig gekleed en probeert de strubbelingen te sussen door ruziemakers een knuffel te geven. Gedesillusioneerd staat ze even later onder haar ‘Love, Peace & Crypto’-spandoek, tien meter van de heetgebakerden.

De studenten die Speech Week hebben aangegrepen om andersoortige grieven en wensen duidelijk te maken beginnen inmiddels af te druipen. Een activist die een tafeltje met gedrukt promotiemateriaal voor zich heeft neergezet wordt omringd door Maga-petjes. Hij vertegenwoordigt de Leading Light Communist Organization en draagt zowaar een masker. ‘Ik ben niet Antifa’, houdt hij vol, ‘ik wil gewoon niet herkend worden.’ Een slimmerik met Maga-pet houdt hem voor: ‘Zie je de ironie? Je commie propaganda is gedrukt op een kapitalistisch product.’

Na twee uur zijn voornamelijk Maga’s overgebleven. Ze voelen het als een overwinning. ‘Waar zijn die pussies van Antifa nou?’ vraagt Chapman aan niemand in het bijzonder.

‘In Charlottesville hebben de activisten mensen gered, want de politie stak geen poot uit tegen de bewapende fascisten’

BEELDEN VAN in het zwart gehulde, gemaskerde Antifa-activisten die afgelopen nazomer in Charlottesville, Virginia, de strijd aangingen met blanke suprematisten hebben ertoe geleid dat de beweging breed bekritiseerd wordt om haar gewelddadigheid. Die zou alt-rechts alleen maar in de kaart spelen. De kritiek komt van alle kanten, zelfs van bijvoorbeeld Noam Chomsky, die zichzelf nota bene, net als veel Antifa-activisten, als een anarchist omschrijft. ‘Als confrontatie naar de arena van geweld verschuift, dan zijn het de kwaadaardigsten en wreedsten die winnen, en we weten wie dat zijn’, zei hij tegen de Washington Examiner. ‘En dan is er ook nog de gemiste kans op educatie en serieus en constructief activisme.’

Dergelijke kritiek gaat voorbij aan wat Antifa is en waarvoor het staat, vindt de historicus Mark Bray, schrijver van het boek Antifa: The Anti-Fascist Handbook, waarin hij het heden en verleden van antifascistisch activisme uitdiept. ‘Antifa is een pan-radicaal-linkse politiek van militante zelfverdediging tegen extreem-rechts, die al meer dan een eeuw oud is en gestoeld is op een strategie van directe actie’, zegt Bray in een interview. ‘Antifa wacht niet tot de politie of de staat de opkomst van extreem-rechts stopt. In plaats daarvan bepleiten ze publieke oppositie en, als nodig, een militant antwoord.’

Kritiek als die van Chomsky is vooral onterecht in het licht van wat Antifa daadwerkelijk doet, vervolgt Bray. ‘Dat behelst in overgrote meerderheid geen enkele fysieke confrontatie. De focus ligt op het researchen van blanke suprematisten en neonazi’s op sociale media, wie hun leiders zijn, waar en wanneer ze evenementen houden, zodat ze zaaleigenaren kunnen bewegen die evenementen af te zeggen. Ook organiseren ze voorlichtingscampagnes en vormen ze allianties met vakbonden en sociale bewegingen om samen grote demonstraties te organiseren.’

Zelfverdediging is voor Antifa het sleutelwoord, zegt Bray, zowel in onmiddellijke als preventieve zin. ‘Dat gaat terug op de wortels van antifascisme in de jaren twintig en dertig, naar de noodzaak tot zelfverdediging tegen Mussolini’s zwarthemden en Hitlers bruinhemden. In de afgelopen decennia waren onder meer immigranten, punkers en skinheads gedwongen zichzelf te verdedigen en terug te vechten tegen extreem-rechts.’

Over zelfverdediging als een preventieve maatregel zegt Bray: ‘Antifa weigert blanke suprematisten en fascisten het voordeel van de twijfel te geven dat hun opkomst niet op een zeker moment zal leiden tot aanvallen op kwetsbare gemeenschappen. Als fysieke confrontatie de enige manier is om te voorkomen dat ze politiek momentum krijgen, dan moet dat maar.’

Een vorm van preventieve zelfverdediging is het door critici verguisde no platforming: het voorkomen dat fascisten een platform hebben waarop ze zich kunnen organiseren en hun ideeën promoten. ‘De geschiedenis leert namelijk dat de manier waarop fascistische groepen groeien is door genormaliseerd te raken, door een plek te veroveren in gemeenschappen, op de werkvloer, in de cultuur. Zonder platform kunnen ze daartoe nooit die eerste stap zetten.’

In de ogen van antifascisten is blanke suprematie niet zomaar een ‘mening’, benadrukt Bray: ‘Een politiek die erop is gericht om mensen hun menselijkheid te ontnemen zou niet moeten worden behandeld als een “andere mening” maar als een bedreiging van de maatschappij die daarom moet worden gestopt.’

Militant antifascisme kan in zijn huidige vorm worden teruggevoerd op de oprichting van het Anti-Racist Action-netwerk eind jaren tachtig, zegt Bray, dat in de jaren negentig vele duizenden leden had. ‘Dat was een brede beweging, die zich behalve op het traceren van extreem-rechtse groeperingen richtte op bijvoorbeeld het verdedigen van reproductieve rechten. Soms toerden ze mee met punk- en alternative-rockbands om zo anti-racistische ideeën te promoten onder de jonge mensen. Na 2000 kromp het Anti-Racist Action-netwerk ietwat, maar het was wel degelijk de voorloper van de huidige Antifa-beweging.’

In al die jaren zijn militante antifascistische groeperingen succesvol geweest in het voorkomen van de opkomst van extreem-rechtse groeperingen, weet Bray: ‘Dat dit bij het grote publiek nauwelijks bekend is, komt doordat Antifa het effectiefst is als deze groepen nog te klein zijn om de aandacht te trekken.’

Niet dat Antifa niet ook succes kan boeken als het om grotere groepen gaat. ‘Het verzet tegen de Unite the Right-rally in Charlottesville was echt heel belangrijk, en niet alleen omdat de activisten daar letterlijk mensen gered hebben, want de politie stak vaak geen poot uit tegen de zwaar bewapende fascisten. Sindsdien is het alt-rechts-etiket besmet en hebben nauwelijks nog dergelijke rally’s plaatsgevonden. Van veel deelnemers werden de namen bekendgemaakt (“ge-doxxt”), met als gevolg dat hun families zich van hen afkeerden of dat ze hun baan verloren. Antifa heeft er veel kritiek voor gekregen, maar het was wel effectief.’

‘Het is zinloos om iemand een fascist te noemen, want hij zal dat toch ontkennen en daar gaat het dan alleen nog over’

De huidige opleving van de Antifa-beweging heeft volgens Bray veel te maken met de mate waarin alt-rechts zich gesterkt voelt door het presidentschap van Trump. ‘De plotselinge toename van hate crimes en aanvallen op moskeeën, synagogen en lgbt-centra heeft geleid tot extra behoefte aan een georganiseerde respons. Vooral jonge radicalen willen terugvechten en voelen zich aangetrokken tot het Antifa-model.’

De toekomst van Antifa hangt dan ook af van wat alt-rechts doet, stelt Bray: ‘Op dit moment lijkt alt-rechts verdeeld; hun leiders en groepen zitten niet op één lijn, wat wellicht ook geïllustreerd wordt door de breuk tussen Donald Trump en Steve Bannon. Feit is dat het ze nauwelijks nog lukt om demonstraties of marsen te organiseren of anderszins hun stempel op het publieke debat te drukken. Dat is voor een groot deel de verdienste van Antifa, dat onder meer in Charlottesville en Berkeley als een soort frontlinie tegen alt-rechts heeft gefungeerd.’

Bray hoopt dat de neergang van alt-rechts doorzet: ‘Dat zal er ook toe leiden dat Antifa meer naar de achtergrond verschuift en dat die mensen op andere manieren de wereld een betere plek kunnen maken. Als het mee zit, is dit over een jaar of vijf geen belangrijk gesprek meer. Maar tot het zo ver is, moeten we de dreiging van extreem-rechts met de grootst denkbare ernst behandelen.’

OP DE VIERDE en laatste dag van de in feite nooit van de grond gekomen Speech Week heeft Refuse Fascism een teach-in/speakout georganiseerd op Sproul Plaza. Op de trappen van Sproul Hall legt woordvoerster Sunsara Taylor aan enkele tientallen belangstellenden uit waarom ‘blanke suprematisten, vrouwenhaters, xenofoben en fascisten’ steeds maar weer naar Berkeley komen: ‘Het gaat ze niet om het uitdragen van vrije meningsuiting, maar om fascisme te normaliseren.’

Taylors woorden zijn nauwelijks verstaanbaar, want ze wordt overstemd door ‘USA, USA, USA!’-spreekkoren, afkomstig van dezelfde Maga-petjes dragende figuren die vanaf de eerste dag op het plein rondhangen. Als de Refuse Fascism-activisten beseffen dat hun voorvrouw geen kans maakt om nog gehoord te worden, zetten zij zich maar aan hun eigen leuzen: ‘No Trump, no KKK, no fascist USA!’ en ‘Hey hey, ho ho, Donald Trump has got to go!’

Terwijl zwart tegen rood-wit-blauw brult, passeren de meeste Berkeley-studenten alsof de activisten er niet staan. Slechts een enkeling houdt kortstondig de pas in en beschouwt het tafereel meewarig. Met evenveel ennui bekijken de wederom zwaar bewapende agenten het geharrewar. Zij zijn overigens in groteren getale aanwezig dan de demonstranten.

Achter het kordon van agenten neemt een oudere vrouw, haar lange grijze haar los over de schouders, het geheel in zich op. Haar naam is Barbara Erfani en ze was een van de ‘bloemenmeisjes’ die in de jaren zestig voor iconische beelden uit Berkeley zorgden door madeliefjes in de geweerlopen van soldaten te steken. Ze ziet maar één parallel met de woelige jaren zestig, zegt ze: ‘Ook toen werden de meeste gewelddadige confrontaties veroorzaakt door de provocaties van mensen van buitenaf.’ Overigens vindt Erfani het met dat geweld van nu wel loslopen. Vooral de kritiek op de gewelddadigheid van Antifa begrijpt ze niet. ‘Dat wordt zwaar overdreven in de media. Bij ons ging het er veel harder aan toe.’

Iets verderop bespreken twee studenten de schreeuwpartij tussen Antifa en alt-rechts op het plein. Politicologiestudent Alex toont zich vooral geïrriteerd door Refuse Fascism: ‘Ik begrijp het gevaar van fascisme, maar deze mensen studeren hier niet eens, sommigen komen niet eens uit Berkeley en geven de universiteit een slechte naam door andersdenkenden hun vrije meningsuiting te ontnemen.’ Geschiedenisstudent James, die transgender is, vindt het juist geweldig dat ‘fascisten als Milo’ een platform wordt onthouden, ‘haat verdient geen podium’. Alex heeft problemen met de term fascist. ‘Het is zinloos om iemand een fascist te noemen, want hij zal dat toch ontkennen en daar gaat het vervolgens alleen nog maar over.’ ‘Nou ja’, besluit James, een hoofdgebaar makend richting Sproul Hall, ‘in ieder geval praten wij erover zonder te schreeuwen.’

Ondertussen weigert een man die voor de radicale boekhandel Revolutionary Books werkt om een pamflet van de Revolutionary Communist Party USA aan een vrouw met een Maga-petje te geven. Gevraagd naar de reden daarvoor zegt hij: ‘Ze is met die man’ – wijst op een Oath Keeper – ‘en die zei me eerder: “Geef me dat pamflet, zodat ik het in de fik kan steken en op je doodskist kan leggen.”’

Dan klinkt plots luide muziek: een groepje zwarte studenten begint aan de andere kant van het plein te dansen op hiphopbeats. ‘Dit is geen politiek statement of iets dergelijks’, zegt een van de studenten. ‘Het is gewoon de zwarte gemeenschap op Berkeley die hier elke woensdagmiddag bijeenkomt. We hadden al toestemming van de universiteit voor de muziek en zagen geen reden om het feest niet door te laten gaan.’

Als even later enkele Maga-petjes zich onder de zwarte studenten mengen, verlegt een deel van de politieagenten meteen de aandacht naar de openluchtdansvloer. Het lijkt de feestvierders allemaal niet te deren. Zij zingen vrolijk mee met 2Pac: ‘Everything’s gonna be alright.’