Ze zeggen niet veel, ze doen gewoon

Jan van Mersbergen vertelt in zijn nieuwe roman een onvervalst sprookje. Ergens in Altena, een streek in Noord-Brabant, bevindt zich in een verlaten meer een ‘schat’. Marlies en Frankie komen erachter, ze houden het geheim, want je moet zoiets niet aan de grote klok hangen. En wat er dan verder gebeurt. Een eenvoudig maar doeltreffend verhaal, zoals alle verhalen bij deze, in de grond, sentimentele schrijver. Onderschat het maar niet. Veel gewoner kun je je personages nauwelijks voorstellen: Marlies werkt in de zorg, Frankie bouwt vijvers en legt zwembaden aan voor de welgestelden. Ze hebben een zoontje, Willem, dat niet goed kan lopen. Gewone mensen van het platteland, Van Mersbergen is er langzamerhand een specialist in. Hij creëerde sinds zijn debuut (De grasbijter, 2001) een nieuw menstype dat hij keer op keer in zijn romans laat opduiken. De gewone man en vrouw van de kleinere stad of van het platteland. Ze zeggen niet veel, ze doen gewoon, ze hebben geheimen, ze houden hun hoofd boven water, ze hebben een probleem (Willem in dit geval), ze houden van elkaar, ze haten tierlantijnen en opscheppers, en ze wantrouwen ‘de stad’.

In het echt ben ik ze nog nooit tegengekomen, maar Van Mersbergen schrijft geen realistische romans, al doet hij graag alsof. Hij creëert verhalen en mythen rond ‘gewone mensen’. Hij bouwt de tegenstelling ‘stad-platteland’ die zijn hele werk doordesemt niet rancuneus uit, bij hem geen botte tegenstellingen en al te belachelijke vooroordelen. Hij werkt liever met verwondering en zachte ironie. Hij wil ten koste van alles zijn figuren niet bitter naar de wereld laten kijken en verbergt zijn af en toe aanzwellende weerzin tegen de maatschappelijke verloedering en teloorgang van het platteland liever in voorzichtige ironische statements. Van Mersbergens werk is altijd een aanklacht, maar dat wil hij zelf liever niet weten. Soms denk ik wel eens: waarom zo ingehouden, ga er een keer voor zitten en schrijf gewoon wat je echt vindt. Dat onschuld (het dorp) verdwijnt en dat opscheppers (de stad) het steeds meer voor het zeggen krijgen. Geef ze er toch van langs, die kapitalistische mooischrijvers en intellectuele betweters!

Maar goed, hij weet dat hij zelf ook allang een schrijver is aan wie zijn personages een hekel hebben, met een grote mond en nog intellectueel ook. Hij schrijft graag tegen zichzelf in. Bovendien weet hij dat je met rancuneuze aanklachten geen interessante romans krijgt, al haal je er wel de praatprogramma’s mee.

Geef ze er toch van langs, die kapitalistische mooi­schrijvers!

In deze roman vertelt Marlies het verhaal over de vondst van de schat. Ze zit op een terrasje ergens in een wintersportgebied in de Alpen en lost een cryptogram op. Elk hoofdstuk draagt als titel zo’n cryptogrambeschrijving: ‘4 verticaal: Loyaal en lekker’, ‘22 horizontaal: En anderen in het kort’. Soms vergeet je dat ze het verhaal op dat terras aan je zit te vertellen. Je zit dus als lezer aan haar tafeltje en drinkt een glaasje mee. Zeer fraaie vertelopzet! Ze vertelt op laconieke toon wat er allemaal gebeurd is, laat dat maar aan Van Mersbergen over: ‘Maar goed, ik ga naar mijn eigen werk en aan het einde van die dag komen Frankie en Willem naar huis en heb ik de nasi klaar.’ Kort en krachtig. Geen omhaal. Af en toe sentimenteel tot op het bot. Marlies heeft iets babbelkouserigs over zich: ‘Je zult je wel afvragen hoe deze kletser hier tussen de Alpentoppen terechtgekomen is (…).’ Ja, inderdaad, maar goed, het heeft allemaal iets te maken met mossels en met parels, het zou flauw zijn als ik er te veel over loslaat. Lees zelf maar.

Van Mersbergen weeft er steeds allerlei Japans georiënteerde sprookjesachtige teksten en verhalen met moralistische boodschappen tussendoor. ‘Leave the outside/ Is’s all about the inside.’ En: ‘Zodra stenen kunnen zwemmen/ Zullen bladeren zinken.’ En sentimentele teksten van zangeres Sade: ‘I will be your friend till the end of time.’ Plus boodschappen over menselijk geluk en hoe dat te bereiken is. Ik geef toe dat ik van de veelheid van die opwekkende teksten zenuwachtig werd. ‘Durven, voelen, doen’, staat er bijvoorbeeld ineens, ja, dat zou ik ook wel willen. En dat het belangrijk is geluk met elkaar te delen. Dat wil ik natuurlijk ook, zij het niet altijd. Deze boodschappen geven aan de roman een merkwaardig weeïge ondertoon, terwijl ik van Marlies toch ook ging houden, met haar weinig genuanceerde bespiegelingen over schrijvers en schrijven. Hou toch op met dat ‘samenwerken’ dacht ik alleen af en toe.

Hoopte ik, cynicus als ik ben, op een slecht einde? Dat dat leuke jongetje Willem alsnog in een ravijn lazert? En Marlies en Frankie wegens kleine misdaad in het gevang belanden? Nee, zo gaat het nu eenmaal niet in romans als deze. Van Mersbergen wilde een gelukkig sprookje en dat kreeg hij prima voor elkaar. Ik had alleen wat last van een bepaald gevoel dat ik altijd heb wanneer ik sprookjes lees, neem bijvoorbeeld ‘Repelsteeltje’. Wat fijn voor die molenaarsdochter dat het toch goed afloopt en dat dat enge mannetje in stukken is gescheurd. Wat fijn voor deze leuke, aardige, zo normale mensen, Marlies en Frankie, dat ze rijk worden en nog gelukkig blijven ook! Nu ik nog, denk ik altijd bij sprookjes, maar dan is het verhaal alweer uit.