Hoe erg was de NSB?

Zedelijk onder de maat

De NSB werd in haar tijd vooral gezien als een clubje losers waar je verder niet te veel aandacht aan moest besteden. Het gevaar van de beweging werd daarmee schromelijk onderschat.

Iedere tijd kijkt op zijn eigen manier naar de geschiedenis. Zo bestaat er over de nsb een breed scala van meningen. Die meningen zijn soms ongezouten en zelden gebaseerd op zorgvuldig archiefonderzoek, en toch zijn ze interessant. Van verachting, bespotting en onderschatting, maar ook van angst en beven tijdens de bezetting overlopend in een scherpe politieke veroordeling en eindigend met een milde, vergoelijkende blik tonen ze ons hoe opinies en beelden veranderen.

De historicus Herman von der Dunk schetste Anton Mussert in 2005 als ‘die potsierlijke kopie van buitenlandse voorbeelden (…) die in veel te grote laarzen liep terwijl zijn politieke horizon iets had van een doorgeschoten padvinder en een puberale romanticus’. Von der Dunk sluit daarmee aan bij Loe de Jong die enkele decennia eerder ook een nogal onschuldig ogend portret van de Leider had geschilderd. ‘In veel van zijn eigenschappen, in al zijn beperktheden, en in zijn betrekkelijke gematigdheid’ was hij ‘een typisch Nederlandse kleinburger’, besluit De Jong. Waaraan Jan Meyers, die in zijn biografie van Mussert sterk leunt op De Jong, een mijmering toevoegt. Misschien was Mussert tijdens het proces tegen hem wel terecht te voorschijn gekomen als een ‘politieke dilettant, een kind in het kwaad in een boze wereld, een dwaas misschien, maar iemand die het goede had gewild, geen politieke Judas, een politieke Don Quichotte’.

Mild was aanvankelijk ook de blik van de toen befaamde strafrechtgeleerde prof. dr. Willem P.J. Pompe. Hij was hoogleraar in Utrecht en pionier van de humanisering van het strafrecht, een beweging die ook wel bekend staat als de Utrechtse School. De tendens het strafrecht te humaniseren dateerde van de late jaren twintig van de vorige eeuw. De kern ervan was een pleidooi voor respect en barmhartigheid: de delinquent was een medemens, en dé mens was een zwak wezen dat respect verdiende en recht had op liefde, ook al was zij/hij nog zo’n boef.

In mei 1945 publiceerde Pompe de brochure Bevrijding. Ook hij negeerde het politieke karakter van de nsb. Hij noemt de nsb de ‘verzamelbak van landverraders’. Sociologisch bestond die verzamelbak uit drie lagen: onderaan stond de ‘recidivist’; waarvan hij recidiveerde vermeldt Pompe niet. In de middenlaag bevond zich ‘den gefailleerden middenstander’ en de bovenlaag droeg ‘het stempel van de teleurgestelde ambitie’. nsb’er werd je dus niet uit politieke overtuiging, maar omdat je mislukt was.

Maar eenmaal raadsheer bij de Bijzondere Raad van Cassatie (de instantie voor hoger beroep voor collaborateurs) kwam hij tot ander inzicht: zijn mildheid sloeg om in onrust over de vergoelijkende blik waarmee men enkele jaren na de bevrijding naar de nsb keek; zo werd de misdadigheid weggemoffeld.

Peter Romijn (Niod) en Ido de Haan (Universiteit Utrecht) knoopten daarbij aan. Zij vroegen zich al jaren geleden af waarom deze beweging met een schokkend crimineel karakter in de verbeelding van Nederland kon inkrimpen tot een marginale club van mensen die het spoor wat bijster was? Was het zo dat in het Nederlandse zelfbeeld de Duitsers misdadig waren, niet wij?

In 2005, bijna zestig jaar later, kwam de kwestie van het landverraad opeens weer aan de orde en wel in het openbaar. Aanleiding was de verschijning van het boek Anton Mussert, nagelaten bekentenissen: Verantwoording en celbrieven van de NSB-leider, bezorgd en ingeleid door Gerard Groeneveld. Musserts opinie over zichzelf, waarin landverraad zeker niet aan de orde was, bracht Herman von der Dunk in NRC Handelsblad van 17 november 2005 tot zijn opmerkelijke bijdrage. Mussert zou geen landverrader zijn en had recht op rehabilitatie (later teruggebracht tot correctie). Von der Dunk was niet de eerste die twijfelde aan dat landverraad; Groeneveld verwees in de inleiding op zijn boek naar een artikel van M.R. Mok uit 1987, die ook twijfels had.

Von der Dunks artikel lokte reacties uit: Peter Romijn en David Barnouw (beiden werkzaam op het Niod) spraken over het politiek land­verraad van de Leider. Chris van der Heijden dacht evenzo. Maar ‘landverraad of niet’ is een discussie die moeilijk in een krant of nawoord gevoerd kan worden; daar is een uitvoerig en juridisch goed gefundeerd betoog voor nodig. Hoe dat betoog ook uitvalt, wat altijd overblijft is de vraag of Mussert straf heeft verdiend. Daar twijfelde toen niemand aan. Zijn collaboratie, ‘hulpverleening aan den vijand’, stond vast en was strafbaar, zelfs met de dood.

Wie nu aan die collaboratie twijfelt, en die twijfel wordt wel eens verwoord door mensen die Mussert eerder belachelijk dan slecht en eerder idealistisch dan gewiekst achten, begeeft zich op glad ijs. Als Mussert als Leider van een honderdduizend-koppige nsb niet samenspande met de vijand, wie deed dat dan wel? Het afleggen van de eed op de Führer, het oprichten van de Nederlandsche (later Germaansche) SS, het confereren over de toekomst van Nederland met Hitler, het helpen benoemen van Nederlandse nazi’s als burgemeesters en hoofd­commissarissen van politie die de joden­vervolging mee ­organiseerden, het bevorderen van intrede in Duitse krijgdienst door nsb’ers, het principieel ­aanvaarden dat joods bezit aan niet-joden (Nederlanders, onder wie Mussert zelf, en Duitsers) toeviel – hoorde dat alles niet tot ­hulp­verlening aan de ­vijand?

Anton Adriaan Mussert werd geëxecuteerd op 7 mei 1946. Wat was nu de aanklacht die tot de doodstraf leidde? Aanklager J. Zaaijer vatte hem zelf kort samen:

1e. de aanslag om Nederland onder vreemde heerschappij te brengen;

2e. het in gereedheid brengen en onder zich hebben van een plan voor een aanslag om den grondwettigen regeeringsvorm te vernietigen;

3e. hulpverleening aan den vijand.

Zaaijer sprak van land­verraad toen hij in de herinnering riep hoe Mussert op 22 juni 1940 tot zijn mede-nsb’ers had gesproken. Mussert had toen zijn gehoor gevraagd of men zich in oorlog met Duitsland achtte. Een donderend nee was het antwoord, maar Nederland wás wel in staat van oorlog met Duitsland, tot in mei 1945.

Er kwam naast een nee ook een ja. Toen Mussert opperde de grote klok met klepel, die hoorde bij het nsb-terrein De Goudsberg te Lunteren, te schenken aan Hermann Goering, ‘den schepper van de Duitsche luchtmacht, als een offer dat wij met liefde brengen voor hen die nu metterdaad ons Volk en Vaderland beschermen’, werd dat voorstel met een donderend ja beantwoord. Het was ruim één maand nadat diezelfde luchtmacht Rotterdam had gebombardeerd. Tot zo ver het geestelijk landverraad.

Zaaijer sprak ook van Musserts idee om van Nederland een onderdeel te maken van een Germaanse statenbond, en dat was dus een ‘aanslag om Nederland onder vreemde heerschappij te brengen’. Dat betitelde hij niet als geestelijk, maar als werkelijk landverraad. Binnen die statenbond zou Nederland dan wel een beetje autonoom zijn, maar defensie en economie zouden gemeenschappelijk geleid moeten worden, waarbij Duitsland (Hitler) de leiding zou hebben. De Bijzondere Raad van Cassatie oordeelde dan ook dat ‘het gezag, door den Führer aller Germanen over ons Rijk na deszelfs opneming in dien Statenbond uit te oefenen, is te beschouwen als genoemde vreemde heerschappij’. Naast landverraad werd Mussert ook de collaboratie, de hulpverlening aan de vijand, ten laste gelegd.

Maar moest Mussert daarom dood? Voor de onderzoeker – het is een praktisch argument, dat besef ik – had een lange detentie veel voordelen gehad. Een uitvoeriger proces met een grondiger voorbereiding trouwens ook. Mussert had in beide gevallen veel intensiever verhoord kunnen worden over het reilen en zeilen van de nsb. Hij had ook veel vaker dan het geval is geweest als getuige opgeroepen kunnen worden bij de vele onderzoeken die later naar andere nsb’ers zijn gedaan. Vanaf september 1944 heeft Mussert niet alleen veel archiefmateriaal over de nsb doen verdwijnen, hij heeft op 7 mei 1946 ook veel wetenswaardigs mee het graf in genomen.

Moreel gesproken was de doodstraf vanaf het begin van de Bijzondere Rechtspleging (de rechtspleging tegen verraders, collaborateurs en anderen) omstreden. Eenmaal vastgelegd als dé definitieve straf was het onvermijdelijk dat Mussert ertoe veroordeeld werd. Vreemd was wel dat Zaaijer in zijn requisitoir zei dat ‘men zonder proces óók al’ weten kon ‘welke straf Mussert verdient’. Waarom dan nog een proces, kunnen we ons afvragen. Natuurlijk, omdat het zo hoort in een rechtsstaat. Maar voor Zaaijer gold een ander argument: het proces had hij, naar eigen zeggen, ‘zo opgezet dat niet alleen een ieder wete’ wat Mussert deed, maar ook opdat ‘voor de geschiedenis de rol van de Nationaal Socialistische Beweging der Nederlanden en van haar Leider in deze bezettingsjaren zal zijn vastgesteld’.

Volgens Mussert kreeg hij een politiek proces. Dat was niet onwaar en het sprak vanzelf, want het ging over politiek leiderschap, maar daarmee was het nog geen politieke afrekening. Het proces ging onder meer over handelingen die al bij het vooroorlogse Wetboek van Strafrecht verboden waren, namelijk hulpverlening aan de vijand in tijd van oorlog. Dat artikel uit het strafrecht werd toegepast zoals het bedoeld was, en niet als afrekening. Dat het behalve een politiek ook een historisch proces werd, was te danken aan Zaaijers wens geschiedenis te schrijven.

Mussert was nummer 1 van het stamboek – de nsb noemde de ledenlijst stamboeken. Nummer 2 was Kees van Geelkerken, die samen met Mussert de nsb had opgericht. Van Geelkerken, een man met charme en welbespraakt, was lang Musserts vertrouwdste medewerker en zijn plaatsvervanger. Na allerlei conflicten eindigde hij als de inspecteur-generaal van de Landwacht Nederland, een paramilitaire nsb-organisatie die wreed en hard optrad tegen joden, (vermeende) verzetsmensen, en zomaar wildvreemden.

Van Geelkerken zat lang in voorarrest en werd als enige van de nsb-top psychiatrisch onderzocht. Bij zijn onderzoek profiteerde hij van het klimaat van welwillendheid dat rond de nsb ontstaan was, en dus ook van de idee dat nsb’ers niet zozeer crimineel als wel in de war waren.

De psychiater jhr. dr. J.J. van der Does de Willebois deed het onderzoek, en vond hem lijden aan onverantwoordelijke lichtzinnigheid, enige hysterie, hypomanie en psychopathie. De geneesheer legde niet uit hoe of waarom of vanuit welke motieven deze man zoveel mensen ertoe had verleid toe te treden tot de SS. Noch hoe hij bij de Landwacht Nederland medeplichtig was aan zoveel arrestaties met verschrikkelijke gevolgen als moord, uitlevering aan de SS, roof, brandstichting en plundering. De vraag is natuurlijk of De Willebois de tijd had de vier volle archiefdozen plus het financiële archief van het dossier-Van Geelkerken echt goed te bekijken. Soms maakt zijn rapport de indruk dat hij ingepakt werd door de flair waarmee Van Geelkerken zichzelf presenteerde. De Willebois schreef hem de gave (‘geschenken’ zegt hij letterlijk) toe van gemakkelijke omgangs­vormen, ‘levendige belangstelling, warme sympathie, gezelligheid en zijn euphore, misschien hypomaan te noemen grondstemming’.

De Willebois werkte dit thema uitvoerig uit en sprak onder meer over ‘het affectief deelnemen aan het leven van anderen’ door Van Geelkerken. En hij schreef: ‘Sympathie, warmte, beweeglijkheid, bewogenheid, pathos behoren tot het wereldbeeld van de verdachte.’ Hoewel hij diens flair en sociale vaardigheden niet ‘helemaal normaal’ vond, was hij toch positief over Van Geelkerken: ‘Niet ijdelheid, eerzucht, machtswellust, niet in de eerste plaats deze ik versterkende strevingen, maar in de eerste plaats de drijfveren van de ik-overgave, waarmede hij van de jeugd af de vijandige buiten­wereld verzoende. Hij heeft zijn “ik” gegeven. Aan zijn familie, aan zijn werk, aan zijn volk, aan zijn vaderland (helaas aan “Volk en Vaderland”), aan zijn idealen, aan zijn helden, aan de wereld, aan God.’

Het politieke optreden typeerde De Willebois als ‘altijd hetzelfde goedmoedige spel met de buitenwereld’ en hij vond Van Geelkerken ‘a good loser’. Want ‘toen het spel was uitgespeeld, heeft hij ruiterlijk zijn verlies genomen’. Met deze benadering behandelde De Willebois de politieke keuze van Van Geelkerken als een psychologische aberratie van een goed mens. Dat paste in een tijd van bagatellisering van de nsb, maar ook voor die tijd ging het wel ver: hulp­verlening aan de vijand als goedmoedig spel.

Maar in één opzicht is het alsof Van Geelkerken een spel speelde, maar dan met de psychiater. Hij bracht de psychiater tot ontzetting toen hij sprak over het requisitoir van de aanklager bij het eerste deel van zijn proces. Dat had voor de Bijzondere Strafkamer op 26 oktober 1950 zijn beslag gekregen met een veroordeling tot levenslange gevangenisstraf. De aanklager had fors uitgehaald en de doodstraf geëist. Toen de aanklager klaar was, aldus Van Geelkerken, ‘had ik hem wel een knipoogje willen geven’. De psychiater noemde dit ‘maniakaal’ gedrag, ‘alsof hij volkomen vergat dat zijn leven in de waagschaal lag’. Het bevestigde hem in de mening dat Van Geelkerken een ziektebeeld vertoonde. Maar dat verhaal over dat knipoogje kon ook iets heel anders betekenen. Van Geelkerken had er ook mee kunnen aanduiden: ‘Dokter, u zult het wel gek vinden, maar ik vond dat de aanklager gelijk had, ik bén inderdaad een boef.’

En inderdaad, De Willebois vónd dat gek, en voor Van Geelkerken verhoogde dat de kans op een verklaring van ontoerekeningsvatbaarheid. Juist omdat zijn leven (doodstraf, levenslang of toch een andere strafmaat) in de waagschaal lag, verklaarde hij zichzelf voor gek, en dus voor ziek. En De Willebois ging daarin mee. Dat paste goed in een maatschappelijk klimaat waarin het criminele van het nsb-optreden in twijfel werd getrokken, en de verklaring al snel werd gezocht in pathologie. Langemeijer, die als aanklager in tweede instantie, toen Van Geelkerken voor de Bijzondere Raad van Cassatie stond, een straf moest eisen, reageerde koel op het psychiatrisch rapport. Wie na mei 1940 lid van de nsb bleef of werd, was ‘zedelijk onder de maat’ en in de regel toerekeningsvatbaar. Hij eiste levenslang, en zo luidde ook het vonnis.

Een belangrijk man voor Mussert was ook de advocaat van de nsb, mr. Anton J. van Vessem, in de jaren dertig lid van de Eerste Kamer voor de nsb, tijdens de bezetting nsb-functionaris en raadsman van Mussert en de nsb. Van Vessem schiep zich het imago van de man die eigenlijk geen nationaalsocialist was. Hij was een goed advocaat en zei na de oorlog dat hij nooit iets tegen joden had gehad. Maar tijdens de bezetting zag hij niet op tegen de aanschaf van onroerend goed dat van joden was geweest.

Van Vessem (1887-1966) werd geboren in Rotterdam. Hij studeerde in 1914 af in de rechten en vestigde zich in Utrecht als advocaat en procureur. In 1925 associeerde hij zich met mr. Robert van Genechten (1895-1945). Beiden waren fervente aanhangers van de Dietse gedachte. Van Vessem imponeerde, maar maakte ook een arrogante indruk, aldus een tijdgenote, mevrouw G. van Arkel, ambtenaar op het Provinciehuis. Hij was, in haar opinie, uitermate lichtgeraakt, bereid tot wraak en vond dat hij altijd gelijk had. Maar hij was ook onbaatzuchtig als het om geld ging en hij maakte tijdens de bezetting gebruik van zijn goede relaties met de bezetter om mensen vrij te krijgen. Meestal tegen betaling, overigens. Als hij het voor niets deed en niet naar behoren werd bedankt, dreigde hij met aangifte en definitieve opsluiting. De tijdgenote twijfelde er geen seconde aan of Van Vessem zou zo’n bedreiging hebben uitgevoerd.

Zijn gedrag tijdens de bezetting vond ze ‘slap en onduidelijk’. En ze vond dat hij wonderlijke ideeën had. Een voorbeeld daarvan was zijn vooroorlogse definitie van joods: on-Nederlands. Ritter jr., hoofdredacteur van het Utrechts Dagblad en prof. dr. C.G.N. de Vooys, neerlandicus, beiden geen jood, vond hij ‘joods’, want on-Nederlands. Hij had joodse vrienden die hij heel Nederlands vond. Hij had ook vijanden; de nsb-journalist George Kettmann vond hem star en ongenaakbaar en een onvoorstelbare muggenzifter, exclusief en ijzig-verstandelijk.

In 1935 werd hij officieel nsb-lid en nam voor de nsb zitting in de Eerste Kamer. Vóór de beëdiging tot lid bracht hij de fascistengroet. Zelf zei hij na de bevrijding tegen zijn rechters dat hij als senator vooral waarschuwde voor de beïnvloeding door Duitsland en de _Lebensraum-_theorieën van de nazi’s. Van Vessem, die als advocaat veel ervaring had met de rechterlijke macht, rekende er ongetwijfeld op dat de aanklager en de rechters de Handelingen van de Eerste Kamer niet zouden nalezen op wat hij daar had gezegd, en zo was het ook. Zijn vermaning toch vooral niet Duits te worden, dateerde niet van zijn periode als senator, maar van vele jaren her. Daarbij ging het echter niet om een politieke, maar om een taalpuristische strijd tegen verduitsing.

Zoals de Vlamingen Franse uitdrukkingen begonnen te weren, zo vond Van Vessem lang voor de oorlog dat je gerust mocht roken als er in een Nederlandse trein een schildje Nicht-Raucher hing. Als student procedeerde hij daarover tot aan de Hoge Raad. Na de bevrijding gebruikte hij deze ‘anti-Duitsheid’ als de reden voor zijn aanblijven als nsb-lid tijdens de bezetting. Als hij na de capitulatie van Nederland in 1940 zijn lidmaatschap van de nsb had opgezegd, zo zei hij, dan ‘had hij zich evengoed in een rood-wit-blauwe vlag kunnen laten wikkelen en laten fusilleren’. Alsof de bezetter in tijdschriftjes van voor en in de Eerste Wereldoorlog ging pluizen naar het taalpurisme van een nsb’er.

Van Vessem besloot in mei 1940 zich uit de Eerste Kamer en het openbare leven terug te trekken. Dat is achteraf door hemzelf en daarna door zijn pleitbezorgers, die hij uitvoerig informeerde met talloze epistels, als een blijk van een principiële levenshouding gepresenteerd. Maar wat waren dan die principes? Een voorbeeld maakt dat duidelijk. Musserts broer Jo, officier bij de Koninklijke Landmacht, was door eigen mensen doodgeschoten in de meidagen. Het was een onnodige dood, want Jo was geen landverrader. Van Vessem regelde een schadevergoeding van 35.000 gulden voor de weduwe, Dora (Th.C.M.) Mussert-Van der Kaay.

Toen het geld er was, moest het belegd worden. Er is een stapel brieven van Van Vessem aan de makelaar van Dora Mussert, aan haarzelf, en aan de anbo, de nazi-organisatie die de verkoop regelde. Die brieven gaan expliciet over ‘jodenpanden’ en over joods en arisch bezit. Uitdrukkelijk wordt gezegd dat mevrouw via de anbo geconfisqueerde huizen van joden wil kopen en van de ‘jodenpanden’ worden straat en huisnummer genoemd. In het geval van mevrouw Mussert zegde de anbo toe vóór de koop het ‘jodenpand’ in de Memlinghstraat op te knappen. Het strafdossier van Dora Mussert-Van der Kaay bevat bovendien een overzicht van alle bedragen die Van Vessem als zaakwaarnemer voor haar behuizing uitgaf of inde. Hij wist, net als zij, precies waar ze mee bezig waren: met profiteren van de roof van joods bezit. Het werd hem, met nog veel meer, ten laste gelegd tijdens een proces waar Van Vessem zeer verbolgen over was. Een man als hij, voormalig senator en advocaat, had eventueel voor een Ereraad willen verschijnen, maar een proces – dat was voor criminelen.

Na de bevrijding zocht van Vessem hulp bij zijn uitgebreide netwerk; hij beriep zich op het feit dat hij wel advocaat van de nsb was geweest, en zaakwaarnemer, maar van de bezetter geen hoge posten had aanvaard. Dat klopte, zijn vrouw had een afkeer van de nsb. Vermoedelijk daarom bleef Van Vessem advocaat.

Van Vessem presenteerde zich na de bevrijding als vurig nationalist, en ontkende dat hij nazi was, al had hij in de Eerste Kamer wel anders beweerd. Maar wie ging dat allemaal nalezen? Niemand. Bovendien had hij zelf een eersteklas advocaat. Hij werd ook geholpen door een gunstige getuigenis à décharge van bijvoorbeeld verzetsman en historicus Pieter Geyl, zijn oude strijdmakker uit 1926-1927, toen het Verdrag met België getorpedeerd moest worden. Van Vessem had hem daarover al voor het einde van de oorlog benaderd. Ook oud-verzetsman en voormalig Eerste-Kamerlid Koos Vorrink, ‘van meerdere zijden opmerkelijk gemaakt’ op het lot van Van Vessem, pleitte voor hem bij het hoofd van Bijzondere Rechtspleging op het ministerie van Justitie, mr. B.I.A.A. ter Veer. Vorrink vroeg om Van Vessem met voorrang te berechten, want ‘de man zit nu op Fort de Bilt met een slechte gezondheid’. Het Waterliniefort De Bilt was een interneringskamp waar het inderdaad zeer akelig en vochtig was. Tijdens de bezetting, zo vervolgde Vorrink, had Van Vessem immers weinig kwaad gedaan?

Het Tribunaal (tuchtrechtspraak met ook lekenrechters) adviseerde in 1947 om Van Vessem zes jaar vast te zetten, gerekend vanaf de arrestatie, en een verbeurdverklaring van vijftigduizend gulden. Tegen Tribunaal-vonnissen kon men niet in beroep gaan. Maar een hogere rechter (de Hoge Autoriteit) hield ze wel tegen het licht en die kon een nieuwe behandeling gelasten. Nogmaals werden getuigen gehoord, onder wie Pieter Geyl, en hij sprak over Van Vessem als ‘een ijdel, koppig, scherpzinnig, min of meer lafhartig mens, die niettegenstaande zijn scherpzinnigheid van alle politiek gevoel gespeend was’. De zes jaar werden teruggebracht tot vier. De aanvankelijke verbeurdverklaring van vijftigduizend gulden werd gehalveerd.

Van Vessem bleef een virtuoos in het bewerken van mensen. In de jaren vijftig meldde hij zich bij het Rijksinstituut voor Oorlogs­documentatie (Riod, nu het Niod) bij dr. A.E. Cohen, hoofd van de afdeling Bronnen­publicaties. Hij had steun nodig van het Riod omdat hij zijn praktijk als advocaat wilde hervatten. Cohen gaf hem die steun. In dat kader schreef Cohen een aardige brief over hem aan Geyl; waartoe die diende, blijft overigens duister. Cohen had Van Vessem ‘nooit tevoren ontmoet, hij leefde in mijn herinnering hoofdzakelijk voort uit zijn zelf­verzekerde, parmantige redevoeringen in de Eerste Kamer’. Van Vessems antisemitisme noemde hij niet; ook Cohen had de Handelingen van de Eerste Kamer klaarblijkelijk niet gelezen.


Dit is een voorpublicatie uit Mussert & Co, de NSB-leider en zijn vertrouwelingen, dat eind deze week verschijnt bij uitgeverij Boom