Zedenzaken blijven drassig terrein

De auteur is hoogleraar aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van Rijksuniversiteit Limburg
Zedenmisdrijven worden veelal in het geniep gepleegd. Het gevolg is dat de slachtoffers ervan nogal eens in bewijsproblemen komen wanneer zij zich bij de rechter over het hun aangedane beklagen. Ontkent de dader, dan staat het woord van het slachtoffer tegenover dat van de dader. De Hoge Raad is in een op 17 november gewezen arrest de slachtoffers van zulke zedendelicten te hulp geschoten, althans in burgerlijke zaken, dat wil zeggen gevallen waarin het slachtoffer schadevergoeding van de dader eist.

Nogal wat slachtoffers van zedendelicten stellen zich onder behandeling van hulpverleners. Dat gebeurde ook in dit geval: het slachtoffer raadpleegde haar huisarts, een psychiater en een haptonome. Bovendien werden zij en de vermeende dader ondervraagd door een gedragsdeskundige. Deze laatste schreef een rapport waarin hij de beschuldiging van het slachtoffer geloofwaardig oordeelde.
Nu oordeelden in het verleden rechters nogal eens dat zo'n deskundigenbericht het bewijstekort van het slachtoffer niet oplost, omdat zulke deskundigen ‘hun wetenschap enkel ontlenen aan wat hun door de vrouw zelf is medegedeeld en ook het overige bewijsmateriaal louter berust op uitlatingen van de vrouw zelve’. Dat standpunt houdt de burgerlijke kamer van de Hoge Raad nu voor onjuist: zo'n deskundigenbericht levert wel degelijk extra bewijs op, 'onder meer door (de) mededelingen (van het slachtoffer) in verband te brengen met aan de deskundige bekende, in dergelijke gevallen optredende psychische verschijnselen’. Te zamen met de mededelingen van het slachtoffer zelf kan dit extra gegeven het bewijsprobleem wel degelijk oplossen. Kan, omdat het nog steeds aan de rechter is om zo'n deskundigenbericht te waarderen 'met bijzondere, op de delicate aard van dit materiaal afgestemde behoedzaamheid’.
Een goed of een slecht idee? Goed omdat de Hoge Raad nu eindelijk begrip toont voor de onmogelijke positie waarin slachtoffers van zedendelicten nogal eens verkeren. Maar de gekozen oplossing gaat ervan uit dat er 'psychische verschijnselen’ zijn die afzonderlijk of in combinatie een betrouwbare aanwijzing voor verkrachting vormen: het zogenoemde Rape Trauma Syndrom. Zulke verschijnselen zijn er inderdaad, maar zij zijn in onderzoek niet zo specifiek voor verkrachtingsslachtoffers gebleken dat zij echte van voorgewende gevallen met voldoende zekerheid onderscheiden. In het onderhavige geval doet zich het extra probleem voor dat het slachtoffer naar eigen zeggen in haar jeugd door meer personen is misbruikt.
Een ernstiger probleem met dit arrest is dat men er niet op kan rekenen dat ieder die zich als gedragsdeskundige aanbiedt, ook competent is. Er lopen in de hulpverleningswereld niet weinig kwakzalvers rond, die er de voorkeur aan geven om hun diepe inzichten niet aan de feiten bloot te stellen. Daaronder zijn er niet weinigen met keurig ogende academische titels. Hoe weet de rechter dat de Hoge Raad in zijn arrest het bewijsprobleem in zedenzaken niet heeft opgelost, maar het slechts heeft verplaatst naar drassige grond.