Interview met Jesse Goossens

Zeeën van plastic

Volgens de Verenigde Naties bevat de oceaan 46.000 stukjes plastic per vierkante kilometer. En dan gaat het alleen nog om grotere stukken. Er is zes keer zo veel plastic als plankton in de wereldzeeën. Hoe groot is het probleem van de plastic soep?

HET NIEUWS, acht maanden geleden, sprak tot de verbeelding: in de Stille Oceaan drijft een plastic archipel zo groot als Frankrijk, Spanje en Portugal bij elkaar. Het bericht zorgde voor veel vergeefse zoektochten op Google Earth en opmerkingen dat het afval nu in elk geval makkelijk op te ruimen is. Een misverstand. Het verontreinigde gebied is niet zo groot als Frankrijk, Spanje en Portugal, maar beslaat tweemaal de Verenigde Staten. De oceanische schroothoop begint ongeveer vijfhonderd mijl uit de kust van Californië en eindigt tweehonderd mijl voor de kust van Japan. Daarbij, er is geen sprake van een eiland van aan elkaar geklonterde plastic tasjes, flesjes en kratjes waar je overheen kunt lopen, maar van een grote hoeveelheid in steeds kleinere deeltjes uiteenvallend plastic dat zich veelal onder het wateroppervlak bevindt. Een plastic soep.
‘Ik dacht ook, zo’n plastic eiland ruim je wel even op’, zegt Jesse Goossens, schrijfster van het boek Plastic soep, ‘maar hoe meer mensen ik sprak, hoe duidelijker de gigantische omvang van dit probleem werd.’ Goossens reisde drie maanden door de Verenigde Staten en Europa om een beeld te krijgen van de gevolgen van de plasticvervuiling in de oceaan. De blogs die ze ondertussen bijhield (op www.plasticsoep.nl) worden in het boek afgewisseld met interviews die ze had met experts, idealisten, vertegenwoordigers van de plasticindustrie en beleidsmakers, allen betrokken bij de plastic soep.
De plastic soep (of Great Pacific Garbage Patch) werd ruim tien jaar geleden per toeval ontdekt door zeekapitein en oceanograaf Charles Moore. Varend door de Noord-Pacifische maalstroom, de plek waar verschillende zeestromingen in een cirkelvormige beweging bij elkaar komen, werd hij verrast door een enorme hoeveelheid plastic afval. Moore bracht de oceanische schroothoop in kaart. De Great Pacific Garbage Patch bestaat uit twee delen: een oostelijk deel met de eerste generatie plastic afval, soms nog uit de jaren vijftig, en een westelijk deel dat vooral door Japan wordt gevoed. De patch is een afvalkerkhof waar het plastic in steeds kleinere deeltjes uiteenvalt. Hoe verder van de bewoonde wereld, hoe kleiner het plastic afval, tot het uiteindelijk verwordt tot microplastic, stukjes kleiner dan een derde millimeter.
Goossens: ‘Het microplastic vormt het grootste probleem. Het is voor ons eigenlijk niet uit de zee te filteren en voor vissen valt het niet te onderscheiden van plankton.’ Dat je plastic zonder problemen weer kunt uitpoepen is volgens Goossens een logische gedachte, maar niet waar: ‘Een dier met veel plastic in zijn maag kan sterven van de honger, omdat het signaal ontbreekt om te gaan eten. Plastic heeft daarnaast de eigenschap dat het gifstoffen, pesticiden en restanten van brandstof van schepen aantrekt. En plastic scheidt zelf ook giftige stoffen af. Als je bedenkt dat één klein visje al tientallen stukjes plastic in zijn maag heeft en een tonijn honderdduizenden van die visjes eet, dan accumuleert dat gif in het weefsel van de tonijn die wij weer opeten.’
Niet alleen de Stille Oceaan is vervuild. Uit onderzoek van de Universiteit van Plymouth blijkt dat ook de Noordzee een hoge concentratie microplastic bevat. Goossens: ‘De concentratie gifstoffen die zich aan plastic hecht en dus in de zee en in ons voedsel aanwezig is, is voor onze kust hoger dan waar ook in Europa. Dit komt voornamelijk door de rivieren die in de Noordzee uitkomen. Het Waddengebied is eveneens sterk vervuild. Uit Nederlands onderzoek naar de maaginhoud van stormvogels uit dit gebied blijkt dat 98 procent van die magen plastic bevat. En dan gaat het vaak om een luciferdoosje vol. Dat lijkt weinig, maar dat is te vergelijken met een lunchbox in de maag van de mens.’

‘HET BELANGRIJKSTE’, zegt Goossens, ‘is dat er nu geen nieuw plastic afval meer bij komt. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. De chemische industrie produceert per jaar 240 miljard kilo plastic. Een derde daarvan is wegwerpplastic dat wordt gebruikt voor tasjes, bestek en verpakkingen. Hoewel de technologie en kennis aanwezig zijn voor volledig natuurlijk afbreekbaar plastic en Cradle to Cradle-recycling, worden deze processen nog niet op grote schaal toegepast.’
Het concept Cradle to Cradle (wieg tot wieg) werd in 2002 gepresenteerd in het boek Cradle to Cradle: Remaking the Way We Make Things van William A. McDonough en Michael Braungart. Het is een oproep tot duurzaam ontwerpen en ondernemen, dat onder meer een voorstel aan chemisch ontwerpers en de plasticindustrie bevat om plastic in een gesloten systeem te fabriceren. Wegwerpplastic moet volgens deze filosofie gemaakt worden van plantaardige stoffen die zonder problemen in de natuur terecht kunnen komen en daar zelfs een toegevoegde waarde hebben (biologische cyclus), en plastic voor duurzame producten moet op zo’n manier gemaakt worden dat het eenvoudig te recyclen is (technische cyclus). In veel landen, waaronder Nederland, is het idee enthousiast onthaald. Arnold Schwarzenegger wil van Californië een Cradle to Cradle-staat maken en begin dit jaar is het Europese project Cradle to Cradle Islands van start gegaan, wat ertoe moet leiden dat tien Noordzee-eilanden (waaronder Texel en Ameland) op termijn zelfvoorzienend zijn. Maar initiatiefnemers van deze plannen vinden een machtige opponent op hun weg.
Goossens: ‘Achter de plasticlobby gaat de olie-industrie schuil. Voor een kilo plastic heb je twee liter olie nodig en op het moment dat je gaat recyclen is dat nog maar een tiende liter. Alleen al aan wegwerpplastic wordt per jaar een miljard vaten olie gebruikt. Op den duur raakt die olie op, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat in de plasticindustrie een après nous le déluge-mentaliteit heerst. De directeur van het Dutch Polymere Institute, Jacques Joosten, is bijvoorbeeld geen voorstander van recycling. Dat zou te betuttelend zijn en burgerlijke ongehoorzaamheid in de hand werken. Rinus van den Berg, industrieel ontwerper van DSM, werkt aan milieuvriendelijk plastic, maar zegt ook: “Wij hebben de consument toch niet gevraagd om het plastic in de oceaan te gooien?” Maar de consument is zich niet bewust van de omvang van het probleem. Een plastic-tasjesverbod, dat in 2007 in San Francisco is ingevoerd, komt in andere steden en staten in de Verenigde Staten maar niet van de grond, omdat de plasticindustrie rechtszaken aanspant en de middelen heeft om deze zo lang te rekken dat overheden die hier financieel niet tegen opgewassen zijn het verbod op de lange baan schuiven.’

GOOSSENS STELDE bij het aannemen van de opdracht als voorwaarde aan haar uitgever dat ze een optimistisch boek mocht schrijven. Een boek waarin oplossingen werden aangedragen in plaats van na de klimaat- en kredietcrisis weer een nieuw wereldbedreigend doemscenario te ontvouwen. Dat bleek minder makkelijk dan gedacht. Goossens: ‘Nog steeds denk ik dat Plastic soep geen antiplasticboek is geworden, maar ik durf inmiddels wel te beweren dat de plasticvervuiling op z’n minst een even groot vraagstuk is als de klimaatcrisis. Niet alleen is er de plastic soep, die exponentieel groeit en waarvoor niemand zich verantwoordelijk voelt, maar het allergrootste probleem zijn de gifstoffen die de chemische industrie willens en wetens in het plastic verwerkt. Die zijn niet alleen schadelijk voor het mariene leven, maar ook voor de mens’.
Twee stoffen zijn volgens Goossens in het bijzonder schadelijk en van invloed op de menselijke hormoonhuishouding: bisphenol A en ftalaten. Bisphenol A is een bestanddeel van polycarbonaat, hard doorzichtig plastic dat wordt gebruikt voor babyflesjes en tupperware-bakjes. Canada zette deze stof, al sinds de jaren dertig verdacht, vorig jaar op de zwarte lijst van toxische stoffen. Het is op dit moment het enige land ter wereld waar plastic zuigflesjes verboden zijn. De chemische industrie erkent de schadelijkheid van bisphenol A, dat bij verhoogde temperatuur uit het plastic wasemt, maar noemt de hoeveelheden onschadelijk voor de mens.
Ftalaten zijn weekmakers die worden gebruikt voor pvc, wat een bestanddeel is van zeer veel plastic producten, onder meer vloerbedekking en kinderspeelgoed. Al jaren wordt beweerd dat deze weekmakers de hormoonbalans kunnen verstoren. Het zou werken als een pseudo-oestrogeen, dat vrouwen eerder geslachtsrijp en mannen juist onvruchtbaar maakt (Goossens: ‘Volgens de Duitse chemicus en Cradle to Cradle-bedenker Michael Braungart is twintig procent van de Amsterdamse mannen mede hierdoor steriel’). Maar vooralsnog wordt in de wetenschap geen eenduidige verklaring gegeven.
Goossens vindt dit een vertekend beeld: ‘Een groot deel van deze wetenschappelijke onderzoeken wordt door de chemische industrie betaald. Je kunt niet verwachten dat wetenschappers dan nog onafhankelijke resultaten publiceren, maar het zijn wel de gegevens waar de EU haar regelgeving op baseert. Professor Frederick vom Saal van de Universiteit van Missouri heeft 218 studies naar de effecten van bisphenol A bekeken. Veertien onderzoeken waren gesubsidieerd door de plasticlobby, 204 studies waren onafhankelijk: 93 procent van de onafhankelijke studies toonde aan dat bisphenol A schadelijke effecten heeft op de gezondheid. Honderd procent van de door de plasticindustrie gefinancierde onderzoeken toonde aan dat de stof schadeloos was. Het is onbegrijpelijk dat juist op basis van deze laatste onderzoeken beleid wordt gemaakt.’

‘JA, ER IS een parallel met de tabakindustrie. Die heeft ook jarenlang onderzoeken gesubsidieerd die moesten bewijzen dat roken niet schadelijk was. En zolang het kan, houden mensen zich aan deze onderzoeken vast. De ergste boodschap wil niet tussen de oren. Ze denken: het zou toch niet verkocht worden als het schadelijk is? Ik vrees dat ik iets te veel heb gelezen en iets te veel heb gezien om dat nog te kunnen geloven.’

Jesse Goossens, Plastic soep. Lemniscaat, 171 blz., €19,95. Het boek is ook digitaal te lezen op www.jessegoossens.nl