Groen

Zeehonden

Op Orkney, een eilandengroep waar de gemiddelde zomertemperatuur veertien graden bedraagt, het onaflatend waait en regen zo vanzelfsprekend is als ademhalen, groeien nauwelijks bomen. De esdoorn is de enige boom die het er nog een beetje uithoudt, maar is meestal meer een struik dan een boom. Gedrongen zijn ze, alsof ze begrijpen dat lange takken onmiddellijk af zullen breken in de beukende winterwind. Wonderlijk is de overweldigende hoeveelheid fuchsia’s, waaronder rode tapijten liggen, want ook in de zomer waait het onaflatend. Dat juist zo’n struik – hier meestal gezien als perkgoed, dat aan het einde van de zomer op de composthoop belandt, zó teer en truttig dat je hem in het voorjaar nauwelijks in de grond durft te stoppen – de sterkste blijkt in zo’n bar klimaat was bijna hartverwarmend, en dat was nodig, want het was er dus frisjes.
Veel hei ook, daar. Op de een of andere manier heb ik, als ik midden in een uitgestrekt heideveld sta, het idee dat de aarde zo bedoeld is. Dan overvalt mij een oerwereldgevoel. We liepen naar Mull Head, over een pad langs een ruige kliffenkust. Heuvels, storm, zoutig stuifwater, geen boom te bekennen. Hei en woeste zee, totale verlatenheid. En ineens twee grijze zeehonden, deinend op de golven. We zwaaiden naar ze. Het leuke aan zeehonden in het wild is dat ze daarop lijken te reageren: ze komen een heel stuk uit het water omhoog, alsof ze eens goed willen zien wie ze staat te bekijken. Als je geluk hebt, zwemmen ze een stuk met je mee. Ik heb Lenie ’t Hart wel eens horen zeggen dat ze gemeen kunnen bijten, maar dat geloof ik niet.
Op het veerbootje, oud en versleten, veel te klein voor de grote zee, vooral als het hard waait, hielpen ze me mijn verdrinkingsangst te onderdrukken. Tientallen zwommen er met het stampende bootje mee en ze bekeken ons, nietige landrotten, met zachtmoedige bruine ogen. Die gaan me zeker redden, dacht ik; mochten we zinken, dan neemt zo’n beest mij op de rug en dropt me op het strand. Zo hoort dat in een oerwereld.