Ger Groot

Zeekleur

Zij klotst in eindeloze deining voort — maar buiten het spreekwoord geworden vers onderhoudt de zee met de literatuur een ongemakkelijke verhouding. Alsof ze de rand was van wat zich nog beschrijven laat. Lang was de zee de absolute woestenij die tegelijk angst en fascinatie inboezemde: niet toevallig ook de definitie van het heilige volgens Rudolf Otto. In achttiende-eeuwse kunst theorieën heette dat het sublieme: een nauw verhulde vingerwijzing naar Gods grootheid. «De oneindige oceaan in woede ontstoken», geeft Kant er als voorbeeld van.

Yves van Kempen citeert Kant in zijn inleiding van de zojuist verschenen zeespecial van het tijdschrift Bzzlletin, alsof ook daar de catastrofe al dreigt. Terecht: over twee nummers houdt het blad op te bestaan. Ten onder gegaan in welke storm? Op het omslag van dit nummer klotst de zee nog bedrieglijk vreedzaam in zilveren tegenlicht.

Als aan de zee alles ontsproten is, dan ook de literatuur. Zonder haar was de Odyssee er nooit geweest. Waarom dan «ongemakkelijk»? Omdat die twee zich alleen maar op afstand comfortabel verenigen. Op zee schrijft het niet lekker, en leest het alleen maar prettig sinds er grote oceaanstomers zijn. Die tijd duurde maar kort, al vegeteert ze in het cruisewezen nog wat na. Lezen tegen de verveling: ook op vrachtschepen floreren de boordbibliotheekjes, net als in gevangenissen.

Water is, samen met vuur, de eerste vijand van het boek, en daarom wagen lezers en schrijvers zich slechts omzichtig aan de zee. Er zijn uitzonderingen: Iris Murdoch, Le Clézio en een reeks mindere literatoren als Patrick O’Brian, uit wier boeken de pekgeur opwalmt. Ze hebben hun eigen publiek en soms zelfs hun gespecialiseerde uitgeverijen, waaromheen iets sektarisch hangt. De meeste schrijvers wagen zich hoogstens aan een uitstapje buitengaats. Julio Cortázar is met zijn onlangs vertaalde scheepsroman De prijswinnaars zijn carrière begonnen (uitgeverij IJzer), maar daar bleef het bij. Méér dan een decor mag de zee ook daarin al niet zijn.

Bzzlletin bespreekt een bont gezelschap van al dan niet incidentele zeeschrijvers, van Daniel Defoe, Jules Verne, Van Schendel, Alberts en Allard Schröder tot de onoverkomelijke Slauerhoff. Meer dan de laatste is Pessoa, in de gestalte van zijn heteroniem Álvaro de Campos, de archetypische zeeschrijver: de man op de scheepskade die droomt over piraten en orkanen maar die — zo schrijft Harrie Lemmens — net als Pessoa zelf doodsbang is voor spokend onweer.

Het meest poëtisch wordt dit nummer in het onverwachtste stuk. Oceanograaf Marcel Wernand schrijft over de kleuren van de zee en tovert een klinkende staalkaart aan kleurwoorden te voorschijn. Aquamarijn, azuriet, karmijnrood, indigo en vooral olivijn: woorden om te koesteren en misschien ook wel om hun draagkracht te testen. Bij het stuk is een recept gevoegd voor de vervaardiging van een kleurenschaal van getinte watertjes — bestemd voor lezers die ook eens zoiets willen proberen, zou detective Nick Knatterton uit een oude Volkskrant-strip hebben gezegd.

Wernands conclusie: de zee mag bruin, groen, grijs of zelfs rood ogen, maar water is blauw. Toon Hermans bezong dat al in de jaren zestig, toen de Méditerranée voor sommigen reeds een vakantiebestemming maar voor de meesten nog een afbeelding in reclamefolders was. Aan Joris van Casteren blijkt dat, elders in dit Bzzlletin-nummer, niet besteed. Na onvrijwillig doorslikken van wat Middellandse-Zee-water waagde hij zich sindsdien alleen nog in kraakheldere Zweedse meertjes.

Water is zuiver en zuiver is wit, of beter nog doorzichtig: dat wil een krachtige mythe, waarin ook het vocabulaire van de maagdelijkheid thuishoort. Kleuren hebben hun moraal, maar Wernand haalt die waterhuishoudelijk ruw onderuit. Zwaar vervuild water doodt alle leven en verschijnt, als het gif zelf geen kleur heeft, juist daarom nogal eens als kristallijn.

Het is de onschuld die ontaarding en bederf verbergt. Dat er geen betere schuilplaats is dan de meest zichtbare plek beschreef Poe al in The Purloined Letter. Dat niets zichtbaarder is dan transparantie liet Arturo Pérez-Reverte zien in zijn heldin Tánger Soto: blond, beeldschoon en ondanks haar mediterrane naam blank genoeg om sproeten te hebben. Ook haar verraad vertelt hij in een zeeverhaal: De oude zeekaart (uitgeverij De Fontijn). Je moet ervan houden.