De Beer door ’t Woud Ensemble

Zeeland Nazomerfestival Middelburg

De situatie is ongeveer als volgt. Een oude bediende probeert zijn mevrouw, een niet onbemiddelde weduwe, duidelijk te maken dat er een keer een eind moet komen aan het rouwen om haar man en dat het godgeklaagd is dat ze de deur niet meer uit komt. De weduwe wil van geen frivoliteiten weten. Dan komt een jonge landeigenaar het geld opeisen dat de verstorven echtgenoot nog aan hem schuldig was. De weduwe heeft geen geld in huis. De jonge landeigenaar wordt grof. Patstelling.

Zo begint het korte toneelstuk De Beer (Medved 1888) van Anton Tsjechov. Als schrijver van het grote toneelwerk is Tsjechov zich dan nog aan het warmlopen, voor zijn zes ‘eenakters’ bewerkt hij enkele van zijn korte verhalen (Het aanzoek, Aan de grote weg) of gebruikt hij materiaal dat hij nog heeft liggen (Over de schadelijkheid van tabak). De korte toneelstukken (ook wel ‘vaudeville’ of ‘farce’ geheten) zijn nog tijdens het korte leven van de auteur meteen populair en worden vaak gespeeld, niet zelden als sketches op bonte avonden. Voor de voortdurend in geldzorgen verkerende Tsjechov een aangename bron van inkomsten.
De groep ’t Woud Ensemble heeft De Beer in productie genomen; na voorstellingen op teksten van Ostrovski en Brecht, en vorig jaar Maat voor Maat naar Shakespeare, is dit de vierde van hun zomervoorstellingen. Première was op Oerol, ik zag ze spelen in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen in het kader van de ‘dijkvoorstellingen’ binnen het project Karavaan, over een paar weken strijken ze neer in Zeeland. Het is toneel in de vrije ruimte van het eenvoudigste soort: drie toneelspelers, een tafel en wat stoelen, een mooie locatie en een muziekje. En die geweldige Tsjechov-tekst natuurlijk, die meteen al bij de lijst met dramatis personae een glimlach ontlokt bij de beschrijving van de enige vrouw: Jelena Ivanova Popova, weduwe ‘met kuiltjes in de wangen’. Tsjechovs beroemde subtekst begint hier dus al in de personenlijst: niemand is precies wat hij of zij op het eerste gezicht lijkt te zijn. De weduwe met die kuiltjes begint, als ze ook maar even alleen wordt gelaten, dwars door haar rouwsluiers heen een stevig potje te hakken in de gemarmerde reputatie van haar dooie vent. De bediende Luka is geen butler uit de bestanden van een uitzendbureau maar een weirdo met eigenaardige Jan Arends-zinnetjes als ‘het hele district zit vol met heren’. En de jonge landeigenaar die voor ongelikte beer wordt uitgemaakt ís dat zonder twijfel ook, maar er branden nog wat andere vuurtjes in de inborst van deze bruut.
Bart Klever speelt hem. Het zweet breekt deze Grigori Stepanovitsj Smirnov meteen uit na zijn eerste flamboyante optreden – hij zwiert naar binnen als de witte prins op een dito stalen ros. De eerste schermutselingen tussen de zwarte weduwe (Margien van Doesen) en haar schuldeiser overleeft hij maar net, en daarna heeft-ie niet in de gaten dat Popova het initiatief geheel naar haar kant trekt. Wij aanvankelijk ook niet trouwens, het venijn van deze ontluikende affaire zit ’m in de details, en daar grossieren deze toneelspelers handig in. Butler Luka (Ad van Kempen) is karig met woorden maar smeert smeuïg met stil spel van een hoog slapstickgehalte. Als hij sur place een dansje doet op een subtiel zigeunermuziekje stel ik me voor dat de man nog wel wat aangenamers bij elkaar kan fantaseren dan het angstig serveren van water en wodka. Een toneelparel.

Zeeland Nazomerfestival Middelburg, 3 t/m 5 september om 16.30 en 19.00 uur. www.nazomerfestival.nl