Zeer precies geklets

Ja hoor, het klopt! In de korte impressie RobertMangold: Town & Country | Art21 ‘Extended Play’, het eerste YouTube-filmpje dat verschijnt als je zoekt onder ‘Robert Mangold’, is de Amerikaanse schilder aan het frisbeeën met zijn hondje, precies zoals in ‘Robert Mangold en ik’, het eerste gedicht in de vierde afdeling ‘De schilderijententoonstelling’ van Tom Van de Voorde’s vierde bundel Jouw zwaartekracht mijn veer:

Op het eerste YouTube-filmpje zie je
de schuren van Robert Mangold
in vooraanzicht als achtergrond
voor een tafereel waarin hij
frisbee speelt met zijn hond

Best een dik hondje trouwens, het rent waarschijnlijk niet heel vaak achter frisbees aan. Waarom wil ik dat filmpje zien? Waarschijnlijk omdat ik gaandeweg het gedicht begin te twijfelen aan wat waarheid is en wat verbeelding. Veel opzienbarends gebeurt er overigens niet in de tien bladzijden die het gedicht beslaat. De ik, ‘Tom’ geheten, ligt lethargisch op de sofa, ‘half lezend,/ half surfend’. Een vriendin op Facebook belooft om voor iedereen die haar status met een ‘like’ beloont ‘een kunstenaar/ te noemen die bij hem of haar past’. Als Tom wel erg lang moet wachten op zijn kunstenaar, bedenkt hij dat niemand anders dan Mangold bij hem past. Immers, ‘zijn lijnen en curves hebben me/ in het verleden vaak getroost,/ of beter: een moment/ van atmosferische rust gegeven’. En: ‘Hij is ook zo’n artiest over wie/ ik vaak boutades heb,/ zo van: als ik rijk was,/ kocht ik een Robert Mangold’. Tom heeft de kunstenaar nog nooit gezien en kan zich eigenlijk geen mens voorstellen ‘bij al die lijnen en curves’. Dus begint hij te googelen, en stuit onder andere op het filmpje waarin Mangold met zijn hondje frisbeet.

Terloops raakt het gedicht aan kwesties als stad versus platteland, behoudzucht versus vernieuwing, en bovendien is het een commentaar op ‘de hele arty-farty reutemeteut’ en het narcisme van de elite. Wanneer het nummer van de kunstenaar op het scherm verschijnt, denkt Tom: ‘Misschien moet ik hem eens bellen’. Ja, waarom ook niet. En wát een telefonisch weerzien! Opeens blijken de twee elkaar goed te kennen, zelfs dikke vrienden te zijn. Wat volgt is een hilarische dialoog (‘But how are you, Tom?/ How’s your writing?’), waarin Mangold Tom feliciteert met zijn driejarige dochter – wellicht een sneer naar het hippe rechttoe rechtaan exhibitionisme dat we zo vaak aantreffen in literatuur en kunst en op sociale media. En passant adviseert Mangold Tom over de kleur die hij voor de muren van zijn nieuwe huis moet gebruiken: ‘In jouw geval zou ik/ een RAL 9003 overwegen/ Ik heb die kleur altijd/ bij je vinden passen’. De kunstenaar is geen onbereikbare heilige maar een maker die prima verdient aan de goede smaak van de bourgeoisie. Hoe anders is het gesteld met de dichtkunst: ‘waarom betaalt men/ voor een schilderij fortuinen terwijl/ een gedicht hooguit geestelijke waarde heeft?’

De crux van het gedicht is de vraag die Mangold hardop stelt: wat moet ik anders doen? Wat is het nut van kunst (en literatuur), die alleen bestaat op het moment dat ze wordt bekeken of gelezen? Het virtuoze van ‘Robert Mangold en ik’, en van Jouw zwaartekracht mijn veer als geheel, schuilt echter niet in de vragen of thema’s die worden aangeboord. Die zijn weliswaar óók van belang, maar op de eerste plaats word ik aangetrokken door het temperament van deze poëzie, de stem in deze gedichten, het onnadrukkelijk vreemde, het subtiele ritme en de timing, het meesterlijke en zeer precieze geklets (‘zo van: als ik rijk was’).

Het is verleidelijk om een ander lang gedicht in dezelfde afdeling, ‘Who’s afraid of red, yellow and blue’, enkel als een poëticaal statement te lezen. Het lyrisch ik, dat evenals Van de Voorde poëzie vertaalt, is in de weer met wat gedichten van een Amerikaanse dichter en constateert dat hij bezig is ‘een soort essays in versvorm’ te vertalen:

Zelf schrijf ik al jaren geen essays meer
en willens nillens slagen mijn verzen er niet altijd in
om de helderheid van essayistiek te evenaren
Veel blijft in het ongewisse, weinig wordt uitgelegd

Poëzie ‘laat weinig betekenis toe, althans van de soort/ die zich laat uitleggen’, het gedicht is geen rebus ‘die je je na het oplossen slimmer doet voelen’, een dichter is ‘geen idiot savant’ en moet liefst niet, zoals veel collega-dichters doen, de ‘muze’ verleiden ‘tot een loopsheid/ die aan het onnatuurlijke grenst, door middel van drank, ego/ of een narcistische omarming van een van hun neuroses’.

Wallace Stevens stelde dat het ultieme gedicht abstract is, en in zijn gedicht ‘Of Modern Poetry’ heeft hij het over ‘the poem of the act of mind’. De poëzie van Van de Voorde sluit bij die opvattingen aan: veel in deze gedichten blijft in het ongewisse, weinig wordt uitgelegd, zonder dat de dichter vervalt in al te makkelijk obscurantisme. In elk van de vijf afdelingen ‘gaat’ het in korte en langere gedichten weliswaar over van alles en nog wat, ‘over’ liefdesperikelen, ‘over’ kunst, ‘over’ de bombast van politiek, de absurditeit van machts- en groepsdenken, maar op de eerste plaats zijn ze uitingen van beeld, ritme en klank (‘Vang mij hemeltje wet/ wijsgeertje pret’).

Jouw zwaartekracht mijn veer opent allemaal deurtjes die je binnen kunt gaan om duidelijk voor je te zien wat je niet helemaal kunt uitleggen. Poëzie met pretoogjes, met strofen als hazensprongen. Geraffineerd, wonderlijk werk, om langzaam te lezen en te herlezen.

Het waait en ik tuur
naar een scherm
waarop de wind is te zien
tenminste, wat hij beweegt
over de vlakte
tegen de grond

Ik verbeeld me een haas
zijn poten langer
dan het rietgras waartegen
de zandkorrels schuren

Hij maakt een dansje
lijkend op de horlepiep,
ik sla de maat met duim en ring
en roep verrukt genade

Spijt is een hinderlaag
die innig aanvoelt,
in haar scherpte
soms glashelder is

‘Het leven als natuurdocumentaire’
Uit: Jouw zwaartekracht mijn veer