Zeeuws meisje Carel Willink: ‘ik ben geen vrouwenliefhebber. maar ik kan niet zonder vrouw’

Mathilde Willink, de oppergodin van het Amsterdam van de jaren zeventig en hysterische muze van schilder Carel Willink, maakt twintig jaar na haar dood een glorieuze comeback. In een doodskleed van Fong Leng, waarschijnlijk. Over leven en lijden van een Zeeuwse muze.

IN KUNST TE LEVEN, kunst te zijn, dat was de grote ambitie van Maria Theodora Mathilde de Doelder, beter bekend als Mathilde Willink, alias Het Fenomeen, alias Het Levende Kunstwerk. Met instemming citeerde ze de Romeinse wijsgeer Tacitus: ‘Wie geen talent heeft, doet het beste in de schaduw van een groot man te leven.’ Zichzelf dichtte ze geen bovenmatig talent toe. Dichter Adriaan Roland Holst omschreef haar eens als ‘niet creatief, maar recreatief’, en die kwalificatie droeg zij als een geuzennaam mee tijdens de honderden interviews die haar tijdens haar onweerstaanbare opkomst als oppermuze van de Nederlandse kunsten werden afgenomen.

‘Toen ik op school zat, vereerde ik Willink al’, vertelde ze over haar jeugd. ‘Mijn mama zei: “Ga nou toch eens met leuke jongens uit.” Ik zei: Nee, ik wil een oudere man, die of rijk of beroemd is. Niet iemand die je helemaal moet bijstaan, waarmee je lief en leed moet delen. Ik hou niet van leed.’

Mathilde kwam op 7 juli 1938 in het Zeeuwse Terneuzen ter wereld, als oudste van de vijf dochters van zeeman Pierre Jean Baptiste de Doelder en Elisabeth Cové. Vader was katholiek, moeder streng gereformeerd, en als enige van de kinderen ontving Mathilde de katholieke doopselen. Volgens de dochter zou haar dit de levenslange haat van de fanatieke moeder opleveren. Vader De Doelder verbleef als machinist op de Shell-olietankervloot meestal buitengaats, bijvoorbeeld op de Antillen. Mathilde, toen nog ‘Tilly’, woonde in bij een oom, een oud-zeekapitein, en tante in Terneuzen, die kinderloos waren gebleven. Mathilde oogde als het Zeeuws meisje van de boterreclame (‘Geen cent te veel hoor!’): blond, lang, sterk en blozend gezond. Ook was ze nog gezegend met een bovengemiddelde intelligentie. Ze doorliep het gymnasium A bij de jezuïtische paters van Sint Janssteen. ‘De priesters hadden een ongekende macht’, zo vertelde ze. ‘Ik heb me vroeger te vaak neergelegd bij de grillen van de paters, maar ik heb wel van hen geleerd hoe je het verleiden kunt perfectioneren, wellicht als een soort overlevingsmechanisme.’

Society-journalist Joop van Loon, auteur van twee boeken over Mathilde Willink, waaronder het deze maand verschenen Mathilde Willink, is ervan overtuigd dat zich in het jezuïtische klooster traumatische gebeurtenissen hebben voorgedaan die Mathilde heel haar leven achtervolgden. Van Loon, gezeten achter een glas armagnac in hotel Américain: ‘Mathilde heeft mij dat ook in zoveel woorden verteld. Ze noemde het “mijn grote geheim”. Het zal zich ongetwijfeld hebben afgespeeld in de seksuele sfeer. Vanaf die tijd in het klooster voelde Mathilde zich anders dan de anderen. Ik denk ook dat haar latere talent voor de totale transformatie en het buitenissige een soort therapie was tegen dat trauma.’

De eerste man die voor Mathildes charmes valt, is haar leraar Geschiedenis, een zekere Camiel Lekkerkerker, een kunstzinnig aangelegde weduwnaar, die haar verder wegwijs maakt in schilderkunst en literatuur. De leraar is zodanig geobsedeerd door zijn leerling dat hij vader De Doelder om haar hand vraagt. De zeeman timmert de minnaar resoluut de trap af. Tot grote opluchting van haar familie verhuist Mathilde op negentienjarige leeftijd naar Amsterdam, dat zij ziet als een tussenstop voor het definitieve vertrek naar het Parijs van Sartre, De Beauvoir en Juliette Gréco. Ze vindt een baan als administratief medewerkster bij boekhandel Allert de Lange op het Damrak, studeert letterkunde en klassieke talen, en start onderwijl haar queeste naar een heer van stand. Ze trekt in bij de veel oudere psychotherapeut Julius Bierens de Haan, die echter al spoedig genoeg krijgt van zijn veeleisende minnares, en haar min of meer ‘overdoet’ aan schilder Carel Willink. Willink in zijn mémoires: ‘In het Stedelijk Museum had Mathilde met Bierens de Haan enkele van mijn schilderijen gezien. Toen deze haar vertelde dat hij de schilder kende, stond haar verlangen vast: aan Willink te worden voorgesteld.’ Bierens de Haan arrangeerde de ontmoeting. Willink: ‘Ik vond het best en zei: “Laat haar maar langskomen”. Die avond ging ze meteen op mijn schoot zitten en noemde me lieveling. Ze liet duidelijk merken dat ik haar voorkeur genoot, waardoor ik me als man op leeftijd wel gevleid voelde.’

Carel Willink had twee huwelijken achter de rug toen hij de nog vers uit Zeeland overgekomen Tilly de Doelder ontmoette. In 1926 was hij met onderwijzeres Mies van der Meulen getrouwd, om twee jaar later weer te scheiden omdat Mies verliefd werd op schrijver Reinder Blijstra. In 1933 trad Willink in het huwelijk met de erudiete Wilma Henriëtte Johanna Jeuken, die in 1960, een jaar voor Willinks ontmoeting met Tilly de Doelder, overleed aan de gevolgen van een hersenbloeding. De dood van Wilma had Willink sterker aangegrepen dan hij wilde toegeven. Ze was al die jaren zijn vaste model geweest. Het doek Portret van Wilma (uit 1952) was een van de hoogtepunten van Willinks werk. Toch was hun huwelijk niet bovenmatig liefderijk te noemen. ‘Ik schilderde, werkte hard aan mijn oeuvre, ik at, ik sliep’, aldus Willink in een van zijn koel getoonzette statements. ‘Ik beleefde niet zo veel en Wilma niet met mij. Dertig jaren huwelijk lijkt weggedeind in een verleden dat mij, de observator, niettemin een ongekende picturale voldoening heeft gegeven.’

BIJ HUN KENNISMAKING was Willink zestig jaar oud, Mathilde 21. Het was 1960, en Willink kampte met de voorboden van dreigende vergetelheid. Vanuit zijn woning-atelier aan de Amsterdamse Ruysdaelkade bestookte de meester de wereld weliswaar nog met zijn apocalyptische, ruïneuze stadslandschappen, zijn vaak beklemmende portretten van mens en dier, maar hij had de wind niet mee. Voor de oorlog was Willink de bij uitstek ‘literaire schilder’, hij stond op goede voet met de schrijvers van de Forum-generatie, in het bijzonder Du Perron, Ter Braak en Marsman, met wie hij bevriend was. Het wegvallen van deze drie zielsverwanten in mei 1940 (Ter Braak door gif, Du Perron door een hartaanval, Marsman door de torpedo van een U-boot) was voor Willink een sociaal-artistieke genadeklap.

Tijdens de oorlog werkte hij in opperst isolement gestaag door. Met schilderijen als Simon, de pilaarheilige en Kasteel in Spanje ving hij de ondergangssfeer van een door Albert Speer ontworpen nieuw-antieke heilstaat van het Derde Rijk, zo wordt wel eens gezegd. Na de oorlog stond Willink opeens moederziel alleen. Hij was de erkende meester van het magisch realisme à la Hollandaise, vermaard vanwege zijn precisie en technische virtuositeit, berucht als ruiter van de Apocalyps. Maar al snel werd duidelijk dat de schilderkunst een geheel andere richting was ingeslagen dan hij. Diametraal tegengesteld aan de koele, analytische en vooral tijdrovende stijl van Willink maakten Nieuwe Wilden van de Nederlandse schilderkunst school met abstract-expressionistische werken, sneller op het doek gesmeten dan Willink een tepelhaar kon schilderen, en nog beter verkocht en luider geprezen in de pers ook. Willink zag de opkomst van Appel, Corneille en andere exponenten van Cobra tandenknarsend aan. Preluderend op de literaire vadermoord van W.F. Hermans op Du Perron en Ter Braak sloegen de Vijftigers in de schilderkunst hard toe, en Willink en Pyke Koch behoorden tot de eersten die eraan moesten geloven. Een nieuwe generatie schilders eiste kleur, dynamiek, beweging. Willink bood alleen stilstand, grijstinten, koele vissenogen. Nog voor zijn echte doorbraak - door de oorlog onmogelijk gemaakt - dreigde Willink achterhaald te worden verklaard.

In 1950 publiceert Willink het traktaat De schilderkunst in een kritiek stadium. Het is een openlijke oorlogsverklaring aan de tijdgeest. ‘Er is nog geen schilderij van Appel dat mij heeft ontroerd’, zegt hij. En: ‘De hedendaagse schilderkunst is voer voor psychiaters, niet meer voor kunstminnaars.’ Hij spreekt over het ‘amorf niemandsland van de abstracte kunst’. Op zich heeft Willink over opdrachten niet te klagen. Notabelen en captains of industry zijn dol op zijn technisch vermogen en waarlijk vakmanschap. Willink is een veelgevraagd portrettenschilder. Minister Stikker laat zich door hem vereeuwigen. Ook koningin Wilhelmina toont belangstelling, maar de onderhandelingen in ‘t Loo ketsen af op de prijs. De opdracht om prinses Juliana te schilderen slaat Willink beleefd af nadat een vertegenwoordiger van de hofhouding hem tijdens de instructies verbiedt om het monarchale model in de ogen te kijken.

IN AMSTERDAM IS Willink zonder meer een beroemdheid. Adriaan Roland Holst, Simon Carmiggelt, Gerard van het Reve en zijn echtgenote Hanny Michaelis, Wim Sonneveld, Ton Lutz en Groene Amsterdammer-directeur Henk Dijkstra behoren tot de vaste bezoekers van zijn huis aan de Ruysdaelkade, pal tegenover het Rijksmuseum. Hij frequenteert De Kring, bezoekt wekelijks de Stadsschouwburg, waar hij in een vaste jury voor toneelspel zit, dineert in high society-etablissementen als Indonesisch restaurant De Oriënt in de Van Baerlestraat en Fong Li in de P.C. Hooftstraat. Spoedig wijkt de pronte, met haar één meter negentig ruim boven de maestro uittorende Mathilde, niet meer van zijn zijde.

Mathilde-biograaf Joop van Loon: 'De relatie tussen Mathilde en Willink was grotendeels platonisch. Willink was een handschoenenfetisjist. Hij hield ervan om vrouwen te strelen, verder gingen zijn verlangens niet.’ Over zaken tussen man en vrouw maakte Willink zich weinig illusies. ‘Ik heb gelezen dat van de honderd huwelijken er vijftien goed zijn en van tien daarvan is de man impotent en van vijf abnormaal’, zei hij in een interview. ‘Ik ben geen vrouwenliefhebber. Maar ik kan niet zonder vrouw.’

Vanaf het prille begin is Willink duidelijk over zijn verhouding tot de vrouw die zijn derde echtgenote zou worden. Hij noemt haar ‘mijn inspirerende, mooie, verwende en kostbare muze’. ‘Mathilde is heel suggestief’, aldus Willink. ‘Ik heb maar drie minuten nodig om haar aan het huilen te krijgen. Ze is een superpoes, een mooi ding om in huis te hebben. Wilma was een kameraad, Mathilde een ding. Dit is een incestueuze verhouding. Koel. Berekend. Vader en dochter.’

Willink verbiedt Mathilde nog langer te werken. Hij verzorgt haar als een dierbare pop, die zich niet hoeft te vermoeien met huishoudelijk werk of financiële aangelegenheden. De schilder plundert de duurste boetieks aan de P.C. Hooftstraat om Mathilde de juiste hoofdstedelijke touch te geven. Het is nog niet de tijd voor extravaganza. Voorlopig is chique en duur genoeg. Willink schenkt haar een uit parels bestaand hesje, waarin hij haar schildert op Portret van Mathilde de Doelder (1963). Hij stelt hoogstpersoonlijk de ‘krijgskleuren’ vast die ze als make-up moet gebruiken. ‘Ik heb haar verleid met kleren van Max Heymans, later werd ’t Holthaus. De prijzen van mijn schilderijen heb ik aangepast’, aldus Willink. Mathilde trekt bij haar dierbare oude vriend in. Er staat een biedermeier hemelbed in haar slaapkamer, en vijf massieve spiegels.Toch is ze rusteloos. Ze is te ongedurig om de schilder permanent bij te staan in zijn tergend langzaam vorderende werk. Via connecties bij de KLM-directie regelt Willink een baan als stewardess. Mathilde gaat op wandeltocht door de binnenlanden van Zambia, bewondert de omgeving van Anchorage in Alaska als ‘de ideale plek om zelfmoord te plegen’.

BIOGRAAF JOOP van Loon: ‘Door Mathilde kreeg Willink weer vleugels. Het was alsof dor hout weer begon te groeien.’ Loek Brons, gewezen textielkoning en handelaar in Willink-schilderijen: ‘De oude man leefde weer helemaal op. Zijn relatie met Mathilde bracht hem in de publiciteit, zijn naamsbekendheid groeide. Dat was maar goed ook, want vanwege Mathilde diende hij heel wat meer te verdienen dan voorheen. Door Mathilde ging hij weer reizen, zijn schilderijen werden wilder, energieker, net als hijzelf. Mathilde nam Willink mee naar de beeldentuin van Bomarzo in Italië, een bezoek dat van enorme invloed is geweest op het latere werk van Willink.’

De zestiende-eeuwse beeldentuin van Bomarzo, met zijn uit rots geslagen beelden van half vergane hellehonden, sfinxen en draken, bij wijze van architectonisch rouwritueel voor een overleden echtgenote aangelegd door de legendarische aristocraat Vicino Orsini, vulde Willinks verbeelding met nieuwe symboliek, precies zoals dat ook met Salvador Dali was gebeurd. Voor Willink was het een artistiek eureka-moment, waarbij alle visioenen die hij in zijn hoofd had zitten opeens vaste vorm kregen. Voor Willink waren de sinistere beelden ‘de zwijgende wachters van het atoomtijdperk’.

HET HUWELIJK KRIJGT in 1969 zijn beslag, een jaar na de dood van Mathildes vader. Mathilde wordt mevrouw Willink en draagt die naam als een ereteken. ‘Ik ben een tijdelijk monument, om het zo te zeggen. Willink heeft mij geschilderd en zo betrokken in zijn onsterfelijkheid. Het is een paradijs om naast Willink te leven.’ Dat jaar komt aan haar baan bij de KLM na vijf jaar een einde door ruzie met collega’s. Mathilde wordt nu fulltime mevrouw Willink. Ze wordt de koningin van de Amsterdamse beau monde. Ze kleedt zich steeds extravaganter en ook: duurder. De portemonnee van Carel Willink wordt zwaar op de proef gesteld als Mathilde haar oog laat vallen op de creaties van de Chinees-Nederlandse ontwerpster Fong Leng. Haar creaties - enorme japonnen van zijde, bestikt met extatische Aziatische tijgermotieven en wat dies meer zij - doen al gauw tussen de tienduizend en dertigduizend gulden. Fong Lengs boetiek aan de P.C. Hooftstraat draait al gauw vrijwel exclusief op het echtpaar Willink. Mathilde wordt het levende kunstwerk. Ze is de koningin van de nacht, met in haar gevolg een steeds verder uitdijende hofhouding.
Joop van Loon: ‘Mathilde was een sensatie. Door haar kreeg Amsterdam iets wat op jetset leek, glamour. Ze was de grote ster van de Fong Leng-modeshows, waar ze als volleerd mannequin de show stal tijdens enorme evenementen in het Tropenmuseum of de Beurs van Berlage. Mensen betaalden kapitalen op de zwarte markt om daar toch maar bij te kunnen zijn.’

Mathilde: ‘Een extravagante verschijning noemen ze me. Dat is juist. Alles is extra aan mij. Wellicht is die aanzet in het verleden gegeven. Ik verbaas me allang niet meer dat er zoveel homo’s om me heen zwerven. Ze zien in mij een exponent van henzelf - iemand die, de angst voorbij, overdreven veel op een vrouw probeert lijken, met veel verleidelijkheid. Mijn homofiele vrienden zeggen dan altijd: “Jij bent geen vrouw, jij bent een nicht!”’

Van maestro Willink klinkt dan nog geen klacht. In april 1975 zegt hij in Elsevier: ‘Mathilde zou genoeg van me kunnen krijgen. Maar ik zie dat niet gebeuren. Ze is erg afhankelijk van mij. Ze houdt niet van jonge mannen, ze heeft haar vriendjes, haar speelkameraadjes, maar dat is onschuldig vermaak.’

Dankzij Mathilde is Willink top of the bill. Het paar wordt met grote regelmaat besproken in kranten en weekbladen. Maar er beginnen ook irritaties te ontstaan. De gevreesde criticus M.M.M. Vos: ‘Meester Willink is kruidenier genoeg om kosten en baten tegen elkaar af te wegen. Na ieder optreden van het tweetal denk ik onwillekeurig aan Busken Huets woorden: “De aard van de vrouw brengt mede dat zij overvraagt, de aard van de man dat hij zoekt lief te hebben beneden de markt”.’

Dat jaar pakken zich donkere wolken samen boven het jonge huwelijk. Willink begint een affaire met topmannequin Andrée Rupp. Mathilde krijgt er lucht van en bekogelt de open sportauto van Rupp met eieren, met het gewenste resultaat. Het gevaar is echter niet geweken. Willink begint ook amicale gevoelens te ontwikkelen voor schilderes (‘Ze heeft een leuk talentje’, aldus Willink) Sylvia Quiël. Die zomer komt Willink met zijn schilderij Afscheid van Mathilde. Het is meer dan twee meter hoog en toont Mathilde in vol ornaat. Het werk wordt ten doop gehouden in galerie Siau. ‘Alleen bij de eerste vertoning van de Mona Lisa in het Louvre waren evenveel mensen aanwezig’, aldus Harry Mulisch.

In augustus barst de bom. Verteerd door jaloezie stort Mathilde zich met een broodmes op twee schilderijen van Willink, het Portret van Wilma uit 1952 en Portret van Mathilde uit 1963, beide topstukken waar jaren arbeid in zit. Willink is gebroken. De schilderijen zijn in tientallen reepjes gescheurd. Portret van Wilma wordt toch nog gerestaureerd. Ook Mathildes portret wordt hersteld, maar Willink weigert het te signeren. Hij beschouwt het werk niet meer van hemzelf.

WILLINK ZOEKT zijn toevlucht bij Sylvia Quiël. Wat volgt is een publicitaire oorlog tussen de echtelieden. Quiël en Willink beschuldigen Mathilde ervan de schilder met een bijl te hebben aangevallen, alsmede van een poging tot wurging van de maestro. ‘De nacht dat Mathilde Carel Willink met een bijl sloeg’, is de kop boven een verhaal van Henk van der Meyden in De Telegraaf. Mathilde treedt op in een film van Paul Huf. Ze laat zich filmen terwijl ze in een spierwit Fong Leng-pak per valscherm landt op Bomarzo. Sylvia Quiël noemt haar ‘een publiciteitsgeile piranha’.

Vooralsnog lijkt Mathilde niet al te aangeslagen. Ze verzint telkens weer stunts om de media te bereiken. Ze gaat zwemmen met de dolfijnen van het dolfinarium in Zandvoort en heeft - ver voor prinses Irene - spiritueel contact met ze. Regelmatig is zij op de plankieren van de modehuizen te bewonderen. Mannen vechten om haar hand. Ze bewoont een door Willink betaalde verdieping in een pand aan de Weteringschans, pal naast poptempel Paradiso en met uitzicht op het huis van Willink en zijn nieuwe partner. Op 17 maart 1977 breekt er ‘s nachts brand uit in huize Willink. Het nieuwe paar beschuldigt onmiddellijk Mathilde, die die nacht langskomt. Mathilde: 'Ze hebben me valselijk beschuldigd die brand te hebben veroorzaakt. Maar ieder mens kan toch wel nagaan dat ik met de kleding van Fong Leng onmogelijk al die trappen op en af kan rennen naar de derde etage waar de brand is begonnen.’
Bij wijze van vergelding trekt Mathilde op kosten van Willink naar New York. Het doel: minnares te worden van Salvador Dali. Helaas: de Spaanse maestro wordt ‘op boosaardige wijze bewaakt’ door zijn geliefde Gala. Een illusie armer komt Mathilde terug naar Amsterdam. De VPRO-radio geeft haar een ‘prijs voor de grootste kunstluis van Nederland’.

Op 19 mei 1977 zit heel Nederland voor de buis als Henk van der Meyden tijdens zijn TROS-tv-show Mathilde ondervraagt in een suite van hotel De l'Europe. Onderwerp van gesprek zijn de financiële perikelen rond de scheiding met Willink. ‘Als dat zo doorgaat, zal er drastisch moeten worden opgetreden’, zegt Mathilde. ‘Hoe bedoel je dat?’, vraagt Van der Meyden. ‘Nou - zelfmoord’, oppert Mathilde op haar allerzangerigst. Een aangeboden bos witte rozen weigert ze resoluut. ‘Die gooi ik in de gracht.’

Nederland huivert. Mathilde is in één klap de beroemdste vrouw van het land. Vrij Nederland-criticus A. Koolhaas vergelijkt de uitzending met een ‘heksenproces’. Leo Derksen in De Telegraaf: ‘Mathilde Willink is niet meer dan een jurk en wat verf.’ ‘Zelden zag ik waanzin zo volledig geportretteerd’, aldus Ischa Meijer in NRC Handelsblad. Mathilde zelf toont zich nochtans tevreden: ‘Voor het eerst heb ik een hele hoop fanmail gekregen. Allemaal van mensen die zeggen dat ik zo moedig kaarsrecht overeind ben gebleven onder de doordouwerige, tersluikse vraagjes van Henk, die aldoor maar een aangepaste, keurige burgertrut van me wilde maken.’

OP 2 JUNI 1977 wordt de scheiding uitgesproken. Mathilde krijgt 62.500 gulden mee, de helft van de totale schadeloosstelling. In september opent Mathilde haar eigen galerie. Via de rechter wordt haar verboden er de naam Willink aan te geven. Galerie Mathilde aan de Keizersgracht opent met een expositie van het werk van de Hongaarse schilder Victor Vasarely. Mathilde toont zich vergevingsgezind. ‘Ik wil hier graag stellen, dat ook na onze scheiding en na alle gebeurtenissen, waarbij ik me weleens klassiek impulsief vrouwelijk heb gedragen, ik een vurig bewonderaarster van zijn werk gebleven ben’, spreekt ze tot de pers over Willink.

Begin oktober is Mathilde te gast bij radio Hilversum. Ze heeft plannen genoeg: ‘Een van mijn dromen is dat ik als eerste vrouw naar Mars word gelanceerd. Maar dan wel in een ruimtepak van Fong Leng.’ Ze mag haar favoriete muziek aankondigen: Tristan en Isolde van Wagner.

Twee weken later, op 25 oktober, vinden twee gealarmeerde agenten Mathilde Willink dood op haar hemelbed. Ze is met een pistoolschot door het linkeroor om het leven gekomen. In het vertrek treft de politie een hevig snikkende Gerard (‘Dicky’) Vittali aan, een vanuit Laren opererende cokedealer voor de Gooise jetset, die zich via Mathildes vriendschap toegang tot een betere klantenkring had verschaft. Mathilde ligt naakt op bed, bedekt door een bontjas. In haar rechterhand een damespistool van het Spaanse merk Astra Unceta, met parelmoeren handgreep.

De politie doorzoekt de woning nog volop als plotseling Henk van der Meyden opduikt. Zonder dat de politie het ziet, haalt Vitalli acht zakjes met wit poeder onder het bed vandaan en schuift ze in de zak van de verslaggever, zoals Van der Meyden drie jaar later opbiecht in zijn boek Dat kan toch niet waar zijn?

Van der Meyden: ‘Hier stond een intens verdrietige man. Hoe kon ik hem zoiets weigeren?’ Van der Meyden ontkent overigens dat het om cocaïne ging. De zakjes zouden poeder bevatten waarmee cocaïne wordt versneden. ‘Ze voelden heel zwaar aan’, aldus Van der Meyden.

DE POLITIE KWAM tot de conclusie dat Mathilde Willink zelfmoord had gepleegd. Bijna niemand in Mathildes vriendenkring geloofde dat. Ook binnen de politie waren er dissidenten. CID-rechercheur Jaap de Groot tegenover misdaadverslaggever Peter R. de Vries: ‘Ik vermoed dat de betrokkenheid van Henk van der Meyden ermee te maken had. Men was bang dat er een beerput zou opengaan over coke en de jetset. Misschien zouden er meer bekende namen vallen.’ Ook ex-commissaris Torenaar, dat jaar zelf het middelpunt van een drugsaffaire met de Chinese triades, geloofde bij leven en welzijn niets van de zelfmoordthese. Daarvoor waren er te veel tegenstrijdigheden. Zo bleek bij nader onderzoek nog een tweede kogel van hetzelfde pistool in de vloer van de woning te zitten. Het pistool in kwestie bleek gebruikt bij eerdere aanslagen, en ging als besmet wapen rond in de Amsterdamse gangsterscene. Bovendien: Mathilde was rechtshandig, terwijl de kogel in haar linkerslaap zat. Een fysieke onmogelijkheid. Patholoog-anatoom J. Zeldenrust ontdekte twee gebroken ribben en krassporen en schrammen in de hals, tekenen van een worsteling. Roy Jongeling, een Amsterdamse kunstenaar die Mathilde als minnares meemaakte in haar laatste maanden: ‘Niemand van Mathildes vrienden gelooft in zelfmoord.’ Schrijver Ton Vorstenbosch sprak van huurmoord. Modekoning Frank Govers: ‘Eigenlijk hebben wij haar allemaal vermoord.’

Voor het echtpaar Willink kwam de dood van Mathilde als een geschenk uit de hemel. Sylvia Quiël: ‘Het nummer 25 is mijn geluksgetal.’ Tijdens de onwaardig chaotisch verlopende begrafenis van Mathilde op begraafplaats Westgaarde in Osdorp deden meneer en mevrouw Willink zich te goed aan een Indonesische maaltijd. Dat jaar presenteerde Willink zijn schilderij Rustende dryade, met Sylvia als bosnimf.

De finale wraak van Sylvia Willink-Quiël op haar aartsrivale kwam in 1983, toen zij en haar echtgenoot het boek Willinks waarheid deden verschijnen. Het waren memoires van Carel Willink, aangevuld met een dagboek van Sylvia. Het boek was een grote haatexercitie aan het adres van Mathilde. ‘Hoewel mijn omgeving me had gewaarschuwd, en zelfs haar moeder zich in ongewoon afkeurende zin over haar had uitgelaten, kon niemand aan het begin van de jaren zestig weten hoe ik tenslotte verarmd en ongelukkig achter een opgetuigd fregatschip zou aanlopen, mijn meest geliefde schilderijen van de hand gedaan om de duurste garderobe van Nederland te kunnen bekostigen, mijn naam bij alle mogelijke en onmogelijke affaires in de roddelpers, uiteindelijk nog genoemd ook bij een zogenaamde zelfmoord, die mij door dezelfde schandaaljournalisten (als grootste aanstichter tot een wanhoopsdaad) in de schoenen werd geschoven. Ik ijs als ik terugdenk aan die periode in mijn leven en de latere gevolgen’, zo sprak Willink over zijn Mathilde.

‘Ronduit onsmakelijk is het aan Willinks Waarheid toegevoegde dagboek van zijn weduwe Sylvia Quiël, schilderes’, oordeelde Jan Bart Klaster in Het Parool. ‘In een stijl, die niet uitstijgt boven het niveau van een bakvis-dagboek, ontpopt Sylvia zich als een uiterst haatdragende, rancuneuze en jaloerse vrouw. De manier waarop zij zich uitlaat over haar rivale Mathilde laag bij de gronds, stuitend en laf… Het is onbegrijpelijk dat Simon Carmiggelt voor een dergelijk wanprodukt een voorwoord heeft willen schrijven.’ Carel Willink stierf kort na de verschijning van het boek.

DE WRAAK VAN de vierde mevrouw Willink duurt tot op de dag van vandaag. Tijdens een grote Willink-tentoonstelling in Arnhem, eerder dit jaar, verbood ze de expositie van schilderijen met Mathilde. Verzamelaar en verkoper Loek Brons: ‘Ik denk dat ze die doeken het liefst vernietigd ziet.’ Dankzij miljonair Dirk Scheringa, voorzitter van voetbalclub AZ, hangen de doeken met Mathilde nu toch op een permanente Willink-tentoonstelling in het Frisia Museum voor het Magisch Realisme in het Noordhollandse Spanbroek, gemeente Opmeer. Volgens Joop van Loon voorkwam de weduwe ook een verfilming van het leven van Mathilde. Van Loon: ‘Ze probeerde ook nog de verschijning van mijn laatste boek over Mathilde te voorkomen, begreep ik van mijn uitgeverij.’

De dood van Mathilde Willink is nog altijd met raadselen omgeven. Gerard Vittali weet wellicht het antwoord. Een paar jaar na Mathildes dood werd hij gearresteerd wegens handel in coke in ‘t Gooi. Hij verdween voor drie jaar achter slot en grendel. Eenmaal op vrije voeten werd hij op pad gestuurd voor een hasjtransport vanuit Marokko. In het Spaanse Algeciras werd hij gepakt. Hij kreeg twaalf jaar cel, uit te zitten in de gevangenis van Cadiz. Een andere potientiële informatiebron is Henk van der Meyden. Maar ook deze houdt zijn lippen stijf op elkaar. Op 29 april jongstleden zagen de kijkers van SBS6 hem het fameuze Mathilde-tv-interview van 1977 nog eens dunnetjes overdoen op dezelfde lokatie in hotel De l'Europe. Camp-kampioen Arjen Ederveen, bezig aan de repetities van de in augustus in het De la Mar theater van start gaande musical Fly away over Mathilde Willink, speelde de diva. Van der Meyden rolde schuddebuikend over het bed. Zelden bood de televisie een stuitender aanblik.

Ederveen stelt gerust: 'Nee hoor, ik heb helemaal geen hekel aan Mathilde. Mijn musical-opera wordt juist een eerbetoon aan haar. Ze is de oppermuze van de kunst, de grondlegger van het ik-tijdperk. En let wel: het hele ding is gebaseerd op een faustiaans motief.’