Zeevrouw

Die knul van mij, die groeit als apekool. Hij steekt met kop en schotel boven zijn klasgenoten uit. Maar het heeft ook nadelen om zo lang van stof te zijn. Hoge bomen vangen nou eenmaal veel winden, en wie winden zaait, moet de lakens verzetten.

Mijn jongen is wel typisch een kind van mij. Eén rotte appel valt niet ver van de boom. Dat kun je wel zien, dat is hij, daar op die foto. Typisch een kind van zijn vader, met een aartje naar zijn staartje. Ieder vogeltje zingt zoals-ie een ei legt, niet dan? Dat rauwe, dat heeft-ie van zijn papa. Die zat vroeger op de grote vaartuig. De woelige baren op, de lanen in. Altijd. Hij was een maand thuis in het jaar. Dat was niet makkelijk. Je moest je daar helemaal op instellen. Ik wel, tenminste. Een zeeman maakt hongerig. Als mijn man terugkwam van het reilen en zeilen, dan was-ie net een olifant in een snoepwinkel. Dan ging-ie zelfs door de Rode Zee, als het moest. Voor mijn jongen doe ik alles. Ik ben de moeder van zijn gedachten. Ik ga voor hem met mijn hand door het vuurwerk. Zonder blikken of doden. Hij is mijn alles of niets. Ik ben zijn porseleinkast, want voorzichtigheid kent geen tijd. Als het om familie gaat zeg ik altijd maar dat het hemd vader is van de rok. Het bloed kruipt, waardoor het niet staan kan. Eigenlijk heb ik anderhalve man thuis, en een paardekop. Je zou ze eens samen moeten zien, het zijn echt jongens van Rob de Wit. Het enige dat ik jammer vind is dat ze vloeken als een ketting. Soms krijgt mijn jongen dan een klap voor zijn kop van Jut, vooral als mijn man een stuk in zijn maag heeft gedronken. Ik vind dat zo dom als het achterwiel van een varken, een hele week werken dat het een vaart heeft, en dan al je zuur verdiende geld over de splinter in je eigen oog smijten. Op zulke dagen vind ik dan zelfs geen hond meer in de pot. Alles is dan op en af. En geen cent meer om je kont te branden. Tot en met de laatste dooie cent. Dat heb je als je man zeeman is, en je zoon zeezoon. Het is zwaar. Net alsof je de hele tijd op rozenstruiken zit: met je billen in de prikkels. En wie zijn billen prikt, schendt zijn aangezicht. Maar ik geef het niet op. Nooit. Ik zal mijn hand haven! Ik leg mijn hoofd niet in het schroot. Achter de wolken komt zonneschijn. Ik bekijk alles van de keerzijde. Ook al ben ik de vrouw van een zeeman, ik ga geen krokodilletranen schijten. Echt niet. Dat doet u zelf maar. Toch? Wat kijkt u nou of u Keulen in één dag hebt gebouwd? Alsof u uw laatste oorwurm hebt versnoept. Kop op, alles wordt anders. Ik ga met mijn man mee. Naar zee. En ik kom nooit meer terug.