Gevechten in Uruzgan

‘Zeg eens eerlijk, man, dit is toch geen Isaf meer?’

De situatie in Uruzgan verslechtert. De opbouw ligt al weken stil, de gevechten met de Taliban verharden. Het wordt tijd dat Defensie in haar berichtgeving recht doet aan die werkelijkheid.

DEH RAWOD – Alweer alarm. Terwijl ik struikelend met m’n scherfvest en helm naar de ingang van het kamp ren waar de pantserwagens zich verzamelen, klinkt het tegelijkertijd doffe en scherpe geluid dat wordt voortgebracht door de rotors van Apache-gevechtshelikopters. Het zijn er twee. Ze cirkelen boven de ‘groene zone’ ten noorden van het kamp. Dat kan maar één ding betekenen. Er is een peloton in een hinderlaag gelopen in het vruchtbare gebied langs de rivieren Helmand en Tiri Rud; dichtbegroeid, onoverzichtelijk terrein, waar het moeilijk vechten is.

Een uur later komt het peloton binnen op Camp Hadrian, waar zo’n driehonderd Nederlandse militairen zijn gelegerd. Het heeft zich op eigen kracht uit de hinderlaag gevochten. De nood was aan de man, en dat was niet de eerste keer in de afgelopen weken. Sinds woensdag 5 september rukken de Taliban op in het district Deh Rawod. Toen voltrok zich wat een officier hier ‘het zwartste scenario’ noemde: een gecoördineerde Taliban-aanval vanuit het zuiden en het noorden. Bijna alle politie- en militieposten vielen in hun handen. Ook Nederlandse pelotons werden in het gevecht geworpen.

De mannen zijn bezweet en bestoft. Hun vermoeidheid wordt nu nog onderdrukt door de adrenaline in hun aderen. Ze hebben bijna twee uur lang gevochten met een tactisch sterk opererende Taliban-eenheid. Ze werden omsingeld toen ze kwetsbaar waren, tijdens een voetpatrouille bij Shingowlah, ongeveer vijf kilometer van het kamp. Tijdens het gevecht probeerden de Taliban hen uiteen te drijven en de verschillende groepen te isoleren.

Mannen met ogen als schoteltjes slaan elkaar op de schouder. ‘Goed dat ik je zie, man. Ik was je kwijt.’ Een van hen vertelt hoe hij zonder dekking, plat op zijn buik midden in de zurige stront, probeerde uit te vinden waarvandaan hij in godsnaam werd beschoten. ‘Het leek wel of de kogels van alle kanten kwamen.’ Een ander klom over een muurtje in een poging de pantserwagens te bereiken, maar kwam daardoor midden in de vuurlinie van de Taliban terecht. Er zit een kogelgat in het hengsel van zijn Diemaco-geweer. Twintig minuten lang drukte hij zich tegen de grond aan de rand van een akker met bonenplantjes, terwijl de muur achter hem werd weggevreten door kogels uit kalasjnikovs en een machinegeweer.

Wat dit peloton meemaakte is een van de ‘diverse kleine vuurcontacten’ waarmee Defensie de situatie rond Deh Rawod beschrijft in haar periodieke overzichten. Die rieken zo langzamerhand naar propaganda. De gevechten staan kort aan het einde van de tekst. Het leeuwendeel gaat over opbouwactiviteiten, maar bevat weinig nieuws. Neem het overzicht van 20 september. Daarin worden uitvoerig vermeld: het moderniseren van het ziekenhuis in Tarin Kowt (kwam al vaker voor in de overzichten, want loopt al meer dan een jaar), het ‘voornemens’ zijn ‘gratis zaad’ uit te delen aan boeren als alternatief voor de papaverteelt (rijkelijk laat en om welk gewas gaat het eigenlijk?), het verzorgen van specialistische trainingen voor het ana, het Afghaanse regeringsleger (onvermeld blijft dat Nederland al een jaar wacht op meermaals toegezegde en broodnodige ana-versterkingen). Wat er niet staat: in Deh Rawod ligt de opbouw al weken stil. Het provinciaal reconstructieteam (prt), dat uitstekende contacten opbouwde in de regio, wordt nu ingezet om inlichtingen bij de bevolking in te winnen en haar te bewegen zich te verzetten tegen de Taliban.

Ook het bombardement op het gehucht Aduzay, ongeveer tien kilometer ten zuiden van Camp Hadrian, kwam niet in de periodieke overzichten voor. Tijdens een tweedaagse patrouille maakten we mee hoe op 12 september, de hele dag lang, het plaatsje bestookt werd. Terwijl we onze gevechtsrantsoenen aten, zagen we vanaf het dak van een pantserwagen de zoveelste F15 Eagle naar beneden duiken en zich ontdoen van twee zwarte stipjes die zware explosies veroorzaakten. ‘Het zal je huis maar zijn’, zei een Nederlandse militair, en nam nog een hap van zijn beef-ravioli. Dit leek in niets op de proportionele inzet van het luchtwapen dat Isaf voorstaat.

De volgende dag informeerde prt-commandant Lodewijk bij districtschef Haider Khan naar burgerslachtoffers. ‘Het zijn er heel veel’, vertelde die. ‘De Amerikanen zijn niet zoals de Nederlanders. Zij bombarderen meteen. Kun je niet zorgen dat ze daarmee stoppen?’ De kapitein moest toegeven dat zijn macht niet zo ver reikt. Hij maakte zich zorgen. Op de stafkaart telde hij dertig stipjes in Aduzay. Elk stipje is een qala, een ommuurd huis. ‘Ik denk dat er wel twintig bommen zijn geworpen. Dan zou Aduzay weggevaagd kunnen zijn’, zei hij. Intussen was kapitein Erik, commandant van de gevechtseenheden op Camp Hadrian, bezig om inlichtingen in te winnen bij de Amerikaanse _special forces-_commandanten, met wie hij naar eigen zeggen een goede relatie heeft. Drie dagen later hadden zij hem nog niets verteld en speelde hij met de gedachte dan maar zelf een verkenningspatrouille het gevaarlijke gebied in te sturen.

Het weinige dat we weten over Aduzay komt uit een persbericht van Combined Joint Taskforce-82. De Taskforce wordt geleid door Amerikanen en valt niet onder Isaf, maar onder Operation Enduring Freedom. De Amerikanen begeleidden een Afghaanse legereenheid. Toen ze bij Aduzay werden aangevallen, werd luchtsteun ingeroepen. Er zouden 45 Taliban-strijders zijn gedood. Volgens cjtf-82 werden geen burgerslachtoffers ‘gerapporteerd’. Het Amerikaanse persbureau Associated Press nam het bericht over, zonder het zinnetje over burgerslachtoffers. Waarschijnlijk wegens het verdachte ‘gerapporteerd’. Wat zou het ministerie van Defensie vinden van dit grove Amerikaanse optreden in een gebied waar Nederland juist de bevolking tracht te winnen? Het zwijgt daarover in zijn nieuwsberichten.

Op de dag dat ik het kleine kamp verliet, leek het wat rustiger te worden in het district. Vier dagen nadien kreeg ik echter een e-mailbericht van een militair die binnenkort naar huis mag. Het zegt meer dan het komende periodieke overzicht van Defensie. ‘Hier is de situatie verder verslechterd sinds jij weg bent. (Was dat nog mogelijk?) De Noordelijke Greenzone is in handen gevallen van de Taliban en daar wordt nu zwaar gevochten. Vanaf de hescowallen op Hadrian kunnen we de gevechten goed zien. Dat is wel heel erg dichtbij ondertussen!

Nog drie dagen, nog drie dagen…’

Later die dag sneuvelde soldaat-1 Tim Hoogland (20) in een van die gevechten. Het was reden voor Defensie af te stappen van haar ‘beperkte vuurcontacten’ en nu wél te reppen van ‘een langdurig vuurgevecht’. Maar de openheid werd meteen tenietgedaan door een onheuse opmerking van Defensie-minister Van Middelkoop. Volgens hem proberen de Taliban ‘met de moed der wanhoop’ hun status in de regio te verhogen.

De Taliban-acties rond Deh Rawod zijn niet wanhopig. Het offensief op 5 september was ‘gecoördineerd’, zei kapitein Erik. ‘Er zit hier nu duizend man Taliban.’ Hij werd teruggefloten door een ‘hoger niveau’, maar weigerde die woorden in te slikken. Sterker: in tweede instantie liet hij zien waar de strijders zaten (in de strook langs de Helmand, van de Kajaki-stuwdam in het zuiden tot voorbij Cutu in het noorden) en benadrukte hij nog eens dat er sprake was van ‘coördinatie tussen groepen’ en van de aanwezigheid van ‘Taliban-kopstukken’, waardoor ze extra fanatiek vochten. Tijdens de gevechten in Shingowlah werden strijders in camouflagepak gezien in plaats van in lokale kledij. Eerder vertelden militairen die elders in de regio vochten dat het mortiervuur ‘angstaanjagend goed gericht’ was en dat ze werden beschoten door scherpschutters: een onrustbarend novum. Hun conclusie: de geoefendheid van de strijders neemt toe en hun arsenaal breidt zich uit.

Afgelopen maandag, vier dagen nadat Tim Hoogland sneuvelde, gaf Defensie toe dat de situatie in Deh Rawod ‘verslechterd’ was. Commandant der Strijdkrachten Dick Berlijn zei dat wordt gedacht over het sturen van versterkingen. Dat hebben de manschappen op Camp Hadrian eerder gehoord. Toen het Taliban-offensief op 5 september losbarstte, moesten ze bijna een week wachten op een extra peloton uit Tarin Kowt. Daardoor konden de Nederlanders geen vuist maken toen dat het hardst nodig was. Toen ik uit Camp Hadrian vertrok, was dat peloton alweer teruggereisd naar Tarin Kowt.

Kapitein Erik is het type commandant dat vindt dat de waarheid ook in Nederland bekend moet zijn. Hij wil het zijn mannen besparen dat ze thuis slechts opgetrokken wenkbrauwen zien als ze vertellen over de harde gevechten die ze voerden. ‘Maar het was toch een opbouwmissie?’ Ook veel manschappen vinden dat Defensie geen recht doet aan wat werkelijk gaande is in Uruzgan. ‘Het is belangrijk voor mijn maten die buiten vechten dat dit bekend wordt’, mailt een andere militair uit Deh Rawod, die er nog maanden moet dienen. ‘Want zeg eens eerlijk, man, dit is toch geen Isaf meer?’