Zeg het

Willen jullie droevig of vrolijk?

Ik weet niet wat me bezielde, maar ik vroeg het echt. Gevaarlijk. Voor je het weet zeggen ze: droevig. Terwijl je zelf al meer naar vrolijk aan het neigen was. Je kunt niet heel je leven maar met Annie M.G. Schmidt aan komen zetten, maar toch is zij het aan wie ik op zo’n moment denk. Niet naar anderen luisteren. Ik weet niet of ze er zelf helemaal naar leefde, maar ze gaf het anderen wel als helderheid mee. Vaar op jezelf. Maar er is iets gaande waardoor ik steeds minder op mezelf durf te varen. Ik kan het niet benoemen, maar het is er. Ik weet het niet zo goed meer. Mooi of lelijk, goed of fout. Ik moest iets voorlezen, en ik kan niet kiezen. De groene of de rode envelop, zoiets was het toch in Festen? Goed of slecht nieuws. Barabas of Jezus. Droevig of vrolijk.

Droevig!

Ja natuurlijk, ik houd zelf ook het meest van droevig. Voor het slapen gaan lees ik alleen maar ellende. Mooie ellende, maar toch. De levensadviezen van Cheryl Strayed, aanrader, Stranger Shores van Coetzee, ook, de poëzie van Elizabeth Bishop, natuurlijk. Ik las een interview met Bishop in Paris Review, het las alsof het gesprek gisteren had plaatsgevonden. De beschrijving van haar werkkamer met het spectaculaire uitzicht op de haven van Boston, de Braziliaanse kunst in de hal, foto’s van Marianne Moore en Robert Lowell aan de muur. En dan Bishop zelf. ‘Striking’ volgens de interviewer, met haar witte gladde kapsel, haar ‘onvergetelijke nobele gezicht’. Een langzame werker. Niets fijner dan te lezen over iemand die zich een leven lang ergens op toelegt. Nog een gedicht of twee dacht ze te kunnen schrijven toen ze 67 was.

O ja, droevig.

Er bestaat een synoniem voor ‘droevig’ dat ik te droevig voor woorden vind. Ik houd van droevig, maar ik ben er ook niet zo goed in. Niets zo betreurenswaardig als de schrijver die in eigen droefenis opgaat.

Droevig!

Niets zo betreurenswaardig als de schrijver die in eigen droefenis opgaat

Het publiek wordt ongeduldig. Ik ben op zich niet de enige vanavond, er zijn meer voorlezers, maar het is nu toch echt mijn beurt, hier sta ik, met mijn opties. Ik houd ervan mijn opties tot op het laatst open te houden. Misschien zelfs wel een beetje té lang. Je moet kiezen je moet kiezen je moet kiezen kiezen kiezen. Dat is wéér Annie M.G. Schmidt, sorry, ze zit in mijn dieptestructuur, het komt uit haar musical Heerlijk duurt het langst, die we op de middelbare school opvoerden. Ik was de non, en kon achter de coulissen niet kiezen tussen de zanger en de gitarist van de begeleidingsband.

Vrolijk!

Hè? Ik was net klaar voor droevig. Elizabeth Bishop was niet echt een grage voorlezer. Op zoek naar vertalingen van haar werk stuitte ik op J. Bernlef. Toen ze was uitgenodigd voor Poetry International in Rotterdam, in 1976, dacht deze: nu of nooit. Zij was de dichter van zijn dromen, nu had hij de kans om haar te spreken. Denk niet dat je je helden in levenden lijve moet ontmoeten, maar zij zou de uitzondering zijn. Hoe opgelucht bestelde hij een biertje toen ze de afspraak vergeten leek te zijn. En hoe groot de schrik toen ze alsnog de taxi uit kwam zetten. Later hoorde hij haar voordragen, zachtjes, zichzelf corrigerend.

Droevig!

Ja. Dat dacht ik toch ook. Ik las nu net wat ze had geschreven over Flannery O’Connor, met wie ze bevriend was, ze schreven brieven, maar zagen elkaar nooit. Toen Bishop op doorreis was naar Zuid-Amerika – per vrachtschip! – en er werd aangemeerd in Savannah, dacht ze ook: nu of nooit. Ze belde haar op vanuit een telefooncel, ‘come on over’ klonk het hartelijk en zuidelijk aan de andere kant van de lijn. En toen ging de bus niet, of in ieder geval niet zo dat ze weer op tijd op het schip terug kon zijn.

Iéts! Maakt niet uit wat!

Nee, jullie wilden toch droevig? Dan kun je het krijgen ook. Al denk ik bij nader inzien [geluid van ritselende papieren, klapperende tanden tegen een waterglas, een trillende zucht] dat verder niemand er het droevige van af hoort.