Amerika bombardeert Irak weer

Zeg het met bommen

Met het bombardement op Bagdad laat Bush zien dat Amerika overal ter wereld bliksemsnel kan ingrijpen. En dat er gouden tijden aanbreken voor de wapenfabrikanten.

Vorige week stond voor president Bush in het teken van de «nationale veiligheid». Vier dagen na elkaar hield hij toespraken over zijn militaire plannen en op de vijfde dag liet hij bommen regenen op Irak. «Een routine operatie», zo noemde hij de actie en dat was ze in zekere zin ook wel. Bombardementen op Irak zijn zo frequent dat ze nog zelden het nieuws halen. Om ervoor te zorgen dat dit nu wel het geval zou zijn, moest Washington een stap verdergaan: voor het eerst in jaren werd de omgeving van Bagdad bestookt.

Dat het de bedoeling was om de krantenkoppen te halen werd nauwelijks verholen. Want hoewel de officiële versie luidde dat de timing van de actie en de keuze van de doelwitten gedicteerd werden door Iraakse provocaties, citeerden alle kranten regeringswoordvoerders die off the record kwijt wilden dat Bush al in zijn eerste maand in het Witte Huis «een signaal» wilde zenden aan de wereld. Zoals The New York Times het uitdrukte: het bombardement was voor Bush «de culminatie van een week die neerkwam op een zorgvuldig georkestreerde uitoefening van zijn claim op de rol van vastberaden behoeder van de nationale veiligheid».

Ook de omvang van de actie was zorgvuldig gekalibreerd. Ze was niet hard genoeg om enorme schade te veroorzaken of om een keerpunt in beleid te suggereren, maar wel hard genoeg om een duidelijke waarschuwing te laten klinken.

Die waarschuwing was in de eerste plaats bedoeld voor de Arabische wereld. Met de verkiezing van Ariel Sharon eindigde een fase in het Palestijns-Israëlische conflict waarin het accent lag op door Amerika gesponsorde onderhandelingen. Nu die mislukt zijn, begint een nieuwe fase waarin het accent ligt op het herstel van de orde, wat neerkomt op een poging om het machtsoverwicht van de bezetter zo groot te maken dat Israël in de volgende onderhandelingsronde meer succes zal boeken. Om dat doel te bereiken willen de Israëlische partijen een front vormen en heeft Washington laten weten dat het een afstandelijke wait and see-houding zal aannemen in het vredesoverleg. De bommen op Bagdad illustreren die wait and see-aanpak. Ze zijn niet alleen bedoeld voor Saddam Hoessein, maar ook voor zijn bondgenoten Hamas en Hezbollah en al diegenen die geneigd zijn te twijfelen aan Bush’ bereidheid om militair geweld te gebruiken.

Maar in een kruitvat als het Midden-Oosten is het riskant om met vuur te spelen. Elke escalatie voedt de cyclus van geweld, elk uitdagend machtsvertoon ontlokt nieuwe aanslagen. Op korte termijn wint Saddam door de Amerikaanse bommen meer dan hij verliest. Ze versterken zijn prestige als leider van het verzet tegen de Amerikaans-Israëlische dominantie. Ze maken ook duidelijk hoe geïsoleerd Washington is geworden in zijn Irak-beleid. De meeste van zijn bondgenoten in de Golfoorlog-coalitie veroordeelden de actie of onthielden zich wijselijk van commentaar. De pogingen van Colin Powell die deze week voor het eerst als minister van Buitenlandse Zaken het Midden-Oosten bezoekt, om de economische sancties tegen Irak nieuw leven in te blazen, lijken dan ook op voorhand gedoemd te mislukken.

Het bombardement was ook een signaal aan de rest van de wereld. De kritiek die Bush tijdens de verkiezingscampagne gaf op het buitenlands beleid van Bill Clinton — dat hij te vaak tussen twee partijen kwam, dat hij de Amerikaanse strijdkrachten als brandweer gebruikte, enzovoort — kon leiden tot de interpretatie dat de nieuwe president een meer passieve, isolationistische koers zou varen. Niet dus. In een militaire toespraak herhaalde de president vorige week zijn verzet tegen het gebruik van Amerikaanse strijdkrachten voor vredesmissies. Maar nooit zei hij dat hij het leger minder vaak wilde inzetten bij oorlogsmissies. Clinton wachtte enkele maanden met zijn eerste militaire actie (ook tegen Irak); Bush slechts enkele weken.

«Ons buitenlands beleid zal actief zijn», zei Bush op de persconferentie waarop hij de bomaanval toelichtte, «het zal rechtlijnig en vastberaden zijn». The New York Times vond het «geruststellende woorden die gepaard gingen met acties die hetzelfde leken te zeggen». Geruststellend voor wie?

De draagwijdte van Bush’ militair debuut wordt pas duidelijk in het licht van de toespraken die eraan vooraf gingen. In zijn voor naamste speech kondigde de president een radicale verandering aan in Amerika’s bewapeningsbeleid; hij wil niets minder dan «een nieuwe defensiearchitectuur» ontwerpen en daartoe massaal investeren in nieuwe wapensystemen. «We kennen de precieze vorm van ons toekomstige leger nog niet», gaf Bush toe, «maar we weten in welke richting we moeten gaan.» Hij beschreef een militaire machine die steeds sneller en beweeglijker wordt, die steeds harder en accurater kan toeslaan. Een leger dus dat niet meer dient om een derde wereldoorlog te ontmoedigen, maar om met maximale effi ciëntie overal ter wereld bliksemsnel te kunnen ingrijpen. Die visie wijst niet op isolationisme, maar juist op meer interventionisme, zij het unilateraal, zonder op anderen te rekenen en altijd strikt volgens Amerika’s eigen belang.

In het debat dat in defensiekringen al geruime tijd woedt tussen voorstanders van gloednieuwe bewapening en degenen die vinden dat nieuwe technieken ten koste gaan van investeringen in bestaande wapensystemen, heeft de nieuwe regering dus partij gekozen voor de eersten. In een interview lichtte defensieminister Donald Rumsfeld toe dat de overwegingen van de regering zowel technologisch als geostrategisch van aard zijn. De informatietechnologie heeft volgens hem mogelijkheden gecreëerd die militair nog maar in beperkte mate zijn aangewend. De veranderingen die volgens hem op til zijn, vergeleek hij met de ontwikkelingen vlak na de Tweede Wereldoorlog toen intercontinentale raketten, satellieten en straalvliegtuigen essentiële pijlers werden van de Amerikaanse strijdkrachten tijdens de Koude Oorlog. Die Koude Oorlog is inmiddels voorbij en daardoor zijn de geostrategische uitdagingen radicaal veranderd, legde Rumsfeld uit. Er is bijvoorbeeld geen gevaar meer van een massale invasie van Russische tanks in Duitsland. Aangezien vrijwel de hele bewapening van Amerika ontworpen werd met het oog op een mogelijk conflict met de Sovjet-Unie, is het niet meer dan logisch dat die bewapening ingrijpend verandert nu de Sovjet-Unie niet meer bestaat, zo argumenteerde de minister van Defensie.

Daar valt geen speld tussen te krijgen. Maar wat minder logisch lijkt, is dat de Amerikaanse bewapeningsuitgaven opnieuw stijgen, groter zijn dan die van Europa, Rusland, China en Japan samen, en nog sneller zullen stijgen als volgend jaar de nieuwe bewapeningspolitiek in gang wordt gezet op basis van de aanbevelingen die Rumsfeld momenteel voorbereidt.

Waarom is dat nodig, als de grootste bedreiging is weggevallen? «De wereld is nog steeds een gevaarlijk oord», betoogde Rumsfeld. Maar net als Bush was hij vaag over de nieuwe bedreigingen. Hij had het over de «schelmenlanden» Irak, Iran en Noord-Korea die massavernietigingswapens proberen te verwerven, en over terroristen. Maar zelfs de meest pessimistische scenario’s die op basis van dergelijke gevaren kunnen worden bedacht, kunnen niet verklaren waar om Amerika moet herbewapenen tot een niveau dat spoedig dat van de Koude Oorlog zal overtreffen. Het is alsof de wapenwedloop voor Washington nooit is opgehouden en nu zelfs weer versnelt, ook al loopt er niemand meer mee. Dat lijkt knettergek, tenzij men ervan uitgaat dat de bedreigingen voor Amerika’s belangen niet louter afkomstig zullen zijn van een paar economisch uitgeputte schelmenlanden, maar ook van landen die nu Amerika’s partner zijn. Dat Amerika dus zo superieur moet worden dat het op veel plaatsen tegelijk kan interveniëren en dat andere landen niet anders kunnen dan zich neer te leggen bij de Amerikaanse hegemonie.

Het kroonstuk van de «nieuwe defensie architectuur» wordt de National Missile Defense of NMD, «the son of Star Wars», het antirakettenschild dat Amerika onkwetsbaar moet maken voor buitenlandse raketten. Dit zou het Amerikaanse interventievermogen aanzienlijk vergroten, aangezien de vijand niet zou kunnen terugslaan. Behalve Rusland, dat nog altijd zoveel intercontinentale kernwapens bezit dat het NMD-schild zelfs in de meest optimistische verwachtingen er geen bescherming tegen zou kunnen bieden. Maar alle andere landen, China inbegrepen, hoeven niet te rekenen op hun nucleaire capaciteiten om de Amerikaanse militaire dominantie af te remmen. Ze zouden de facto nucleair ontwapend worden.

Washington heeft wellicht gelijk als het stelt dat Moskou de NMD ten onrechte als een rechtstreekse bedreiging voorstelt, ook al stellen de Russen terecht dat het ABM-verdrag van 1972 een dergelijk wapensysteem expliciet verbiedt.

Het is natuurlijk nog steeds de vraag of het schild technologisch haalbaar is. Nadat twee op de drie proeven mislukten, besloot de Clinton-regering om er voorlopig geen werk van te maken. Het ging toen nog over een op land gebaseerd systeem, in 1998 aanbevolen door een «commissie van wijzen» onder leiding van Rumsfeld. Er hing een prijskaartje aan van zestig miljard dollar. Ook de huidige regering vindt dat het toen voorgestelde systeem niet deugt en overweegt een veel uitgebreider NMD, dat zowel op land, op zee, in de lucht als in de ruimte zou kunnen worden gebruikt. De geschatte kosten zijn al gestegen tot honderd miljard dollar. En als het verleden iets leert, is het dat kostenramingen aanzwellen naarmate een militair project vordert.

Geen wonder dus dat de euforie in de Amerikaanse militaire industrie groot is. Na de afname van bestellingen tijdens de regeringen van vader Bush en Clinton, die verscheidene Pentagon-leveranciers over de klippen joeg en andere tot consolidatie en fusie dwong, lijken de vette jaren weer aangebroken. De nieuwe wapensystemen zullen voor honderden miljarden dollars aan contracten opleveren, ook voor ondernemingen die niet tot de traditionele leveranciers van het Pentagon behoren, zoals softwarebedrijven. De militaire industrie spendeerde vorig jaar ruim acht miljoen dollar om de Republikeinen aan de zege te helpen. Het lijkt een investering met een duizelingwekkend hoog rendement.