Zeg maar ja tegen het leven

Wat blijft er over als je bent bevrijd van je verbitterde gevoelens? Hoop – zo blijkt uit Dubbelblind van Edward St Aubyn. Maar levert het ook een goed boek op?

Edward St Aubyn: ‘In dit boek geef ik alle verdediging op. Dat voelt heel eng’ © Thomas Karlsson / ANP

Hoop is niet per se een thema dat je met Edward St Aubyn associeert. Oké, het derde deel van zijn Patrick Melrose-cyclus heet weliswaar Some Hope, maar daar ligt de nadruk vooral op dat sarcastische ‘some’. Een beetje hoop, een vleugje, veel meer zit er niet in, in de verbeten snobistische upperclasswereld waarin St Aubyns alter ego zich bevindt. In dat deel biecht Patrick voor het eerst op dat zijn vader hem jarenlang heeft misbruikt, een trauma dat hij met een daverende hoeveelheid drugs heeft geprobeerd te camoufleren – maar dan zoals een lawine een berghutje camoufleert.

Allemaal autobiografisch, allemaal geweldig. Wat mij betreft hoort de Melrose-cyclus in humor, pijn, stijl en personages tot de beste boeken die ik dit decennium las. De reeks groeide uit tot een onverwachte hit, met als bekroning de verfilming met Benedict Cumberbatch in de hoofdrol. Hier doet dan ook de fan-als-ergste-vijand zijn intrede: want natuurlijk gun je het St Aubyn dat hij zijn trauma’s heeft verwerkt, maar ja, wees eerlijk, nog veel meer gun je hem zijn verdriet – want dat verdriet heeft voor die schitterende boeken gezorgd.

Of zoals Patrick het zelf zegt in Some Hope, nadat hij zijn misbruik aan zijn beste vriend heeft verteld: ‘Als ik me zou weten te bevrijden van mijn verbitterde gevoelens, wat blijft er dan nog over?’

Hoop dus – blijkbaar. In een interview in de Volkskrant, begin mei, werd St Aubyns vaste vertaler Nicolette Hoekmeijer aangehaald, die zijn nieuwe roman Dubbelblind zoveel hoopvoller vond dan zijn eerdere werk.

Het leek St Aubyn te verbazen – hij was er blij om, zei hij: ‘Paradoxaal genoeg voelde ik me bij het schrijven van Dubbelblind kwetsbaarder dan bij de Melrose-romans. In die boeken gaf ik me emotioneel helemaal bloot, maar retorisch bleef ik me verschuilen achter de ironie. In dit boek geef ik alle verdediging op. Dat voelt heel eng.’

In de natuur voelt Francis de versmelting van wederzijds leven

En dus lees je Dubbelblind met een andere St Aubyn in je hoofd. Waar de Melrose-boeken vol zitten met mensen die op z’n best ‘misschien’ zeggen tegen het leven, zeggen ze in Dubbelblind ronduit ‘ja’. De roman begint met Francis, een bioloog die zich bezighoudt met het plantenrijk. Hij loopt door een wilgenbos, nabij zijn cottage. ‘Hij voelde het leven om hem heen en het leven binnen in hem overvloeien, soms in een kluwen van zintuiglijke gewaarwordingen – als hij de tak aanraakte, raakte de tak ook hem aan.’ Francis ziet de natuur als zo’n seizoensschilderij van David Hockney, hij voelt de versmelting van wederzijds leven.

Francis heeft sinds kort iets met Olivia, ze komt hem voor het eerst in zijn cottage opzoeken. ‘Zou ze, net als hij, het gevoel hebben deel uit te maken van een web van levende ervaringen?’ In feite is Dubbelblind zo’n web van ervaringen. Bij Francis en Olivia sluit Lucy zich aan, een oude vriendin die onverklaarbare spierkrampen heeft. Samen ondergaat het drietal het slechtnieuwsgesprek bij de neuroloog (een hersentumor): ‘Ik voel me net als iemand die een accu in bad heeft laten vallen’, zegt ze.

Op een bepaalde manier draait het boek om oplossingen; ook dat is hoop. Francis benadert Lucy’s ziekte, en de wereld in het algemeen, vanuit het idee dat de natuur zijn koers dient te varen. Olivia is het geadopteerde kind van psychoanalytici en probeert verdriet op een theoretische manier te benaderen. Lucy is een klinische wetenschapper, kijkt naar onderzoek en testresultaten. Wetenschap voert de boventoon. Ook bij Olivia’s ouders, die een getroebleerde jongeman in behandeling hebben die ze, eeuwig optimistisch, tegen de klippen op blijven vertrouwen. Daar komt nog eens Hunter bij, de jonge miljardair die over de hele wereld bakken geld over wetenschappelijke onderzoeken kiepert (ook over Lucy) met de ambitie het doorslaggevende onderzoek op zijn naam te hebben. Doorslaggevend in welk vakgebied maakt hem niet zo uit, als hij maar een Nobelprijs financiert. De één procent heeft zo zijn eigen prestigeprojecten.

Om toch nog eens de Patrick Melrose-vergelijking te maken: deze blowende, snuivende Hunter zou makkelijk in St Aubyns andere romans passen, iemand die hypocriet is en daar actief van geniet, vol hilarische oneliners. Zijn miljarden zorgen er overigens ook voor dat de roman zich op zoveel buitenissige plekken kan afspelen, in villa’s aan de Côte d’Azur, landgoederen in Sussex, of op de duurste vierkante meters in Londen. Hoe Lucy met haar ogenschijnlijke doodvonnis omgaat doet denken aan hoe Patrick met zijn trauma’s omgaat – als iets dat je wilt vernietigen, maar dat tegelijk onderdeel is van wie je zelf bent geworden. Hoe kun je dat vernietigen zonder jezelf te vernietigen?

Tegelijkertijd houden de personages in Dubbelblind iets statisch. Ze zijn met elkaar verbonden, voelen hoe ze deel uitmaken van dezelfde planeet – en toch blijven ze op afstand van elkaar. Ze zitten vast in hun eigen denken, hun eigen disciplines – alsof St Aubyn ze vooral theoretisch heeft benaderd. Het zijn, tragisch genoeg, mensen die zo hoogopgeleid zijn dat ze eerder zelf een theorie over het welzijn van de ander bedenken dan gewoon even naar hem toe te lopen en te vragen hoe het gaat.

Toen Dubbelblind werd aangekondigd werd gemeld dat het een eerste deel van een trilogie zou zijn – op de achterflap wordt daar geen melding meer van gemaakt. Maar de roman voelt aan als een eerste deel, alsof St Aubyn een groepje biljartballen dicht bij elkaar heeft gebracht om, hopelijk, in een volgend deel zijn keu te pakken en ze uit elkaar te laten knallen.