Mischa Andriessen, Huisverraad

Zeg maar niets meer

Mischa Andriessen, Huisverraad, € 16,5

Dat de oorsprong van poëzie in het verre verleden ligt, toen gedichten nog niet opgetekend werden maar in gezelschap werden gezongen of voorgedragen, valt af te lezen uit de prominente aanwezigheid van metrische patronen en de periodieke herhaling van klinkers en medeklinkers. Afgezien van het feit dat mensen graag naar muzikale taal luisteren, maken rijm en ritme het gemakkelijker de teksten in het geheugen op te slaan en te reproduceren. Poëzie heeft echter ook altijd op pregnante wijze bijzondere situaties geschetst, waarbij vaak een heleboel context impliciet werd gehouden, zodat er voor de lezers of toehoorders iets te raden overbleef. We worden aangetrokken door het mysterie. Ook metaforen appelleren aan een behoefte met raadsels om te gaan.

In de loop van de negentiende eeuw begonnen dichters de formele aspecten van de orale erfenis van zich af te werpen, door in toenemende mate af te zien van vaste metra en traditionele klankeffecten. De poëzie zocht aansluiting bij de omgangstaal, zonder echter haar hang naar het mysterie op te geven. Poëzie gaat over het ondoorgrondelijke.

Ruim drie jaar geleden debuteerde Mischa Andriessen (1970) met de opvallende bundel Uitzien met D, die terecht bekroond werd met de Buddingh’-prijs. Zijn tweede bundel maakt evenzeer gebruik van verhalende structuren, waarbij intrigerende scènes worden gepresenteerd die de lezer een hoogst ongemakkelijk gevoel bezorgen. Geweld speelt een grote rol, dood en verraad schemeren overal door. Sprekers concentreren zich bij wijze van houvast op ogenschijnlijk onbelangrijke details, want wie naar een alomvattend kosmisch verband zou zoeken, zou slechts chaos ontwaren. Er zijn geen vertrouwde poëtische elementen die troost kunnen bieden, zoals rijm of een regelmatig ritme. Zelfs metaforen ontbreken. Dit is genadeloze poëzie.

In het eerste gedicht roept een landeigenaar zijn personeel bij zich. Het is tijd om te oogsten, en van het land dat ‘geel zag als een woestijn/ zou heel het jaar worden geleefd’. Wat daarna gebeurt wordt door de herhaling van ‘misschien’ als hypothetisch voorgesteld, hetgeen de grimmigheid van het tafereel alleen maar verhoogt:

Toen hij de mannen bij zich riep –

misschien dat een van de knechten iets zei,

een of meer van hen met een knik ontkenden

dat de gewassen een wijkplaats waren

waar in de beschutting van het groeisel werd gewaakt.

En misschien wendden sommigen zich af

toen hij de eerste fakkel nam en op zijn land smeet.

Daar moeten we het mee doen. Wat de mannen hebben uitgespookt en waarom de boer zichzelf zo rigoureus van zijn oogst berooft, blijft ongewis.

In ‘Cavalerie’, de centrale afdeling van Huisverraad, neemt een man de leiding op zich over een groep jongeren die door een onherbergzaam gebied trekken, mogelijk in oorlogsomstandigheden. IJskoud opent een van de gedichten met de weinig uitnodigende vraag: ‘Jullie wilden toch overleg?’ De jongens durven niet te antwoorden:

‘Hoor jij iets?’ vroeg ik Kai,

die sneeuw wreef over de vingers

waarop ik zojuist was gaan staan.

‘Ik vraag het niet nog eens!’

Hun naakte jongenslijven waren wit.

‘Ik snap het niet,’ zei ik nu zacht.

‘Ook ik ben moe en heb het koud.’

De derde en laatste afdeling bevat nogal wat verwijzingen naar deportatie en genocide, waarbij Andriessen opnieuw de lezer niet spaart. Toch lijkt juist hier soms een sprankje hoop op te lichten, waar overlevenden zich vastklampen aan tradities, vaste gewoontes en muziek. De pure drang tot leven komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de spreekkamer van een arts, wanneer een bejaarde patiënt er niet over peinst zijn doodvonnis te aanhoren. De man hijst zich op aan de tafel, kijkt naar de krukken naast zijn stoel en ‘zet een eerste, bibberende stap’, waarna hij de dokter verzoekt de deur voor hem te openen. Vastberaden verlaat hij het gebouw:

Door het bovenraam stemmen,

voorbijsnellend verkeer en het getoeter

van verlate automobilisten,

als een oude man, doodkalm, oversteekt.

Andriessens meesterschap blijkt uit een onnadrukkelijk detail als het woord ‘verlate’, dat op subtiele wijze het contrast aanstipt tussen de innerlijke rust en vastberadenheid van de stervende man en de futiele hectiek van het spitsuur. Het is altijd te laat, voor ieder van ons.

Al bieden de afzonderlijke gedichten losse, goeddeels contextloze situaties, toch komen bepaalde personages en gebeurtenissen enkele malen terug. De oogst uit het eerste gedicht, de overstroming van een stad, een zelfmoord, een begrafenis, met de herhaling van elementen als deze wordt een consistente wereld opgebouwd. Andriessen maakt veel gebruik van rudimentaire conversaties, die de gebrekkigheid van de menselijke communicatie benadrukken. In ­Projectie tracht iemand te raden wat het op de wand geprojecteerde beeld voorstelt, maar degene die hem ermee confronteert, biedt geen hulp. Nadat de spreker heeft gesuggereerd dat het zou ­kunnen gaan om een schaar, een eend of de bruine pijpen ‘van zo’n afritsbare broek’, spoort de ander hem aan zich niet gewonnen te geven:

Het werd geleidelijk donkerder

en ik bleef raden, bleef daar.

‘Niets zeggen,’ zei ik.

Je luisterde, zei niets.

Om bij elkaar te kunnen blijven moeten zij het raadsel in stand houden. Misschien is dit een spel dat ertoe bijdraagt de onkenbaarheid van de wereld te aanvaarden.

Glazen Huis

Wie al voor dood lag

tussen de scherven van de kas

werd aan de haren naar het water gesleept

en dat bleek diep genoeg.

Ademstil wachtten we op het donker.

Daar, omringd door ziellozen,

hun kleren, hun koffers, begon het zoeken.


Mischa Andriessen
Huisverraad
De Bezige Bij,
64 blz., € 16,50