Zeg niet dat moor mauthausen is

In de romans van Christoph Ransmayr waart de geschiedenis, klassiek of niet, rond als een gewelddadig spook dat zich opdringt aan mensen die maar al te graag willen vergeten. Dat was zo in De laatste wereld en dat is misschien nog wel sterker in de formidabele roman Morbus Kitahara, waarin de historie mythische proporties krijgt.

Morbus Kitahara speelt zich grotendeels af rond de granietgroeve van een Oostenrijks dorp, ‘in Nergenshuizen, in het Niets, in Moor’. Moor ligt aan de rand van de wereld en moet boete doen voor het leed dat zij de wereld in de Tweede Wereldoorlog heeft berokkend. Het dorp blijft bezet door de Amerikanen, die het 'nooit vergeten, gij zult niet doden’ er blijven inhameren met een ritueel naspelen van wat er in de steengroeve is gebeurd: een absurdistisch toneelstuk waarin de acterende inwoners van Moor vederlichte stenen versjouwen. In een bergwand staat, uitgehakt in reuzenletters: 'Hier liggen elfduizendnegenhonderddrieënzeventig doden geveld door de bevolking van dit land. Welkom in Moor.’
Maar hoe gaat dat met de herinnering en de boetepelgrims? Er vallen gaten in het geheugen en de boetegemeenschap slinkt. De tegenwoordige tijd van Moor is dan wel het gruwelijke verleden, het gehucht vol ruïnes en tempels van de herinnering blijft afgesneden van de rest van de wereld. Het is niet alleen een proefstation van de geschiedenis maar ook oefenterrein van het leger, dat het standrecht niet schuwt.
De drie hoofdpersonen in dat proefstation zijn Bering, zoon van een smid die in de Afrikaanse woestijn heeft gevochten en die nooit is teruggekeerd; Ambras, de portretfotograaf die later beheerder wordt van de steengroeve waarin hij tijdens de oorlog als gevangene werkte; Lily, Braziliaanse en smokkelaarster, minnares van Ambras en vleesgeworden verlangen van Bering, die aanvankelijk smid is maar later als monteur/chauffeur voor Ambras gaat werken.
Morbus Kitahara is een roman over obsessies en vasthoudendheid, geschreven in een obsessieve, beeldende taal. Het is geen psychologische roman, en realisme en Ransmayr hebben al helemaal niets met elkaar te maken. Zeg niet dat Moor in feite Mauthausen is. Dat maakt alles te eenduidig, te eenvoudig, te gemakkelijk. De roman is veel meer dan een allegorie over het Kwaad. In Moor lopen verminkte slachtoffers rond die zelf weer 'daders’ worden. Voor je het weet, is het naspelen van gruweldaden met toneelattributen opeens bittere ernst. De inwoners van Moor morren en schelden (Ransmayr presenteert de woedende 'volksmond’ in prachtige, cursief gezette teksten), maar blijven vastzitten in hun verleden.
Bering - de smid met een scherp gehoor, pistooldrager, vogelkenner, meestermonteur en knecht - rijdt na een bezoek aan een rockconcert (we schrijven ongeveer 1970) in een door hem omgebouwde Studebaker ('de Kraai’) zijn meester Ambras terug naar huis en ziet plotseling een gat in de weg. Maar dat gat blijkt geen kuil maar een hardnekkige vlek op zijn netvlies. Wordt hij blind? Nee, hij heeft een onschuldige oogziekte opgelopen, ontdekt door de Japanse arts Kitahara. Hij moet alleen zijn obsessie, die naast hem in de auto zit, loslaten: Lily.
De roman neemt een wending als al het ijzer uit de steengroeve van Moor door dwangarbeiders opgeruimd en naar Brazilië getransporteerd wordt. Ransmayr beschrijft in prachtige beelden de tocht van het donkere en kapotte Moor naar het welvarende en in elektriciteit badende en overvloed zwelgende Laagland. De tocht is ook een afdaling naar de dood, naar het ultieme loslaten, hoewel Bering tot het einde vasthoudt aan zijn illusie te kunnen vliegen. En de lezer gelooft hem en ziet hem tegelijkertijd te pletter vallen. Zie hier wat de verbeelding vermag.