Kijken

Zegening

Rembrandt kon alles omdat hij ook goed keek, en wist wat hij zag. Voor zijn unieke kwaliteiten werd niet voor niets honderd gulden betaald.

De zogenaamde Honderdguldenprent werd nog tijdens Rembrandts leven voor dat uitzonderlijke bedrag verkocht. Daarom is het blad zo gaan heten. Dat mensen er zoveel geld voor betaalden, kan niet aan het onderwerp gelegen hebben. We zien er in het midden van het tafereel Jezus staan. Kennelijk staat hij op een verhoging zodat hij van allen in zijn omgeving de hoogste gestalte is. Hij wordt in scène gezet: frontaal en in volle lengte. Ook staat hij nog pal naast een vierkante kolom van gestapelde stenen, een mijlpaal langs de weg. Het verloop van die landweg, van links naar rechts voorlangs de groeperingen van figuren, geeft de breedte aan van het tafereel. Intussen is de stenen kolom ongeveer half zo hoog als de gestalte van Jezus. Een lang pand van zijn mantel kan er daarom op gevouwen liggen. Op die plooien rust de elleboog van de heiligman die zijn linkerhand heft ter begroeting – tegelijk ook een gebaar van zegening. Tegelijk strekt hij de rechterarm iets zijwaarts naar voren. Dat is ter verwelkoming van een jonge vrouw die, met een prachtige draai in haar heupen, vrijmoedig op Jezus af stapt met een baby in haar arm: of hij het kind wil zegenen. Maar ook houdt hij met dat gebaar een discipel tegen. Die probeert ervoor te zorgen dat de vrouw Jezus niet zal lastigvallen. Hij werd toch al de hele tijd gestoord door een stel Farizeeërs die hem met schriftgeleerdheid aan de kop zeurden.

Terwijl de discipel de vrouw probeert tegen te houden, heft hij zijn hoofd omhoog naar het gezicht van Jezus. Dat gezicht is in profiel, dat van Jezus zien we van voren. Zijn gelaatstrekken zijn zacht en nadenkend. Misschien wil hij gaan spreken, ook daarop duidt het gebaar van de gespreide open linkerhand. Intussen werkt het profielgezicht van de discipel scherper. Daarom lijkt hij zijn meester met bijzondere intensiteit aan te kijken. Het is Petrus, de oudste en wat oudere leerling, en daarom met een kaal hoofd. Op de plek waar hij staat, verhindert hij ook dat, achter hem, de groep Farizeeërs verder kan opdringen. Hoewel de schriftgeleerden, ook dat zien we, voornamelijk nog met elkaar aan het bekvechten zijn.

Zulke gebaren die Jezus maakt, subtiel als ze zijn, hebben een zeggingskracht in de vertelling van het verhaal. Ook spelen ze een grote rol in de regie van de figuren. Het verhaal wordt verteld door hoe figuren staan opgesteld, naast en tegenover elkaar, in welke houdingen, en hoe ze bewegen. Alle figuren spelen een precieze rol. Jezus bevindt zich wat alleen in het midden van de drukte – hij speelt de hoofdrol. De gebaren van vooral zijn armen hebben tot gevolg dat zijn bovenlichaam vrijgemaakt wordt en er dan ook iets breder uitziet. Het is de rustige matigheid van de armen die ervoor zorgt dat het lichaam, tot aan de voeten toe, daar zo statig stil staat. De borstpartij van zijn gestalte is stralend wit. Daar is de meeste concentratie van licht.

We zien wat Jezus zoal deed in Matteüs 19, onderweg in Judea

Om die luisterrijke gestalte is er, ter linkerzijde, een geroezemoes van druk gegroepeerde figuren. In hoofdzaak staan die te bewegen. Een deftig heerschap met wandelstok en handen op de rug, helemaal vooraan, staat het gedoe in ogenschouw te nemen. Die groepering daar ziet er zo beweeglijk uit vanwege de kronkelende en spitse detaillering van lijnvoering die onuitputtelijk levendig is.

Van de andere kant, vanuit de duistere poort waar toch nog wat zwak licht schijnt, komt kommervol een groep van kreupelen en zieken aan kruipen en schuifelen. Meest zijn de gestalten krom en gebogen. Een doodzieke vrouw ligt op een matras. Met haar rechterhand probeert ze Jezus’ voeten te beroeren. Daar hurkt ook een magere vrouw met smekend haar biddende handen geheven. We zien haar silhouet in schaduw op het witte kleed van de Heiland. In dit gedeelte van de ets is het handschrift niet zo levendig maar eerder karig van lijn en donker van beweging.

Maar de hele ets, in alle passages met verschillende stemmingen, is virtuoos. Rembrandt kon alles omdat hij ook goed kon zien wat hij zag. Dat waren unieke kwaliteiten waar honderd gulden voor werd betaald. Het onderwerp is bijna een verzinsel. We zien wat Jezus zoal deed in Matteüs 19, onderweg in Judea. Rembrandt las het verhaal of iemand vertelde het hem. In ieder geval haalde hij er dat uit wat hem, met zijn handschrift, het meest boeide – in een omgeving van dramatisch licht en donker.