Pindaros

Zegezangen uit een ouder millennium

Pindaros werd altijd moeilijk gevonden, maar de bouw van zijn oden dwingt respect af. Zijn ‘Zege-zangen’ hebben vele eeuwen overleefd.

G.J. de Vries, De zang der Sirenen. Ambo, 207 blz., ƒ17,50. Pindaros, Zegezangen, vertaald door Patrick Lateur. Uitg. Atheneum-Polak & Van Gennep, ƒ80,-


EEN EIGEN EPOS hebben wij niet, als je Wilhelm de Derde van Lucas Rotgans niet meerekent, of het zou het korte De krijgsdaden van Willem van Oranje moeten zijn, geschreven in de zestiende eeuw, door Georgius Benedicti, die eigenlijk Joris Benedictuszoon Wertelo heette. Maar het werd geschreven in het Latijn. Huygens bezong de roemrijke Prins Maurits. En het Wilhelmus (‘Tsal hier haest zijn ghedaen’) moet je toch eerder een klaag- dan een zegezang noemen, op de verdreven vader des vaderlands, Prins van Oranje en van Duytschen bloet, die ook de Koning van Spanje altijd had geëerd, en ‘om Landt, om Luyd gebracht’, dat wil zeggen van land en volk beroofd, stierf als een opgejaagde verarmde. Nee, een zegezang is dat niet, en de enige ruiters die nog door onze liederen rijden, zijn zoals het gezegde luidt, de ziekten die komen te paard, en keren te voet.


Pindaros, de Griek, die als eerste en ver voor Petrarca, een weids uitzicht beschreef, alsof hij het uit een vliegtuig zag (‘ver stralende ster van de donkere aarde’: het eiland Delos, door de zaligen op de Olympos gezien) schreef louter oden, en wel oden op winnaars; het waren koorliederen, waarbij de muziek en de dansen nu ontbreken.


Het donkere bos waarin Dante in het midden van zijn leven verdwaalde, dat is nu voor de helft gekapt. Ook het bosbestand in de provincie Overijssel is sedert 1940 met de helft verminderd, en verachting is nu de algemene bodembedekker. De dichters na Rimbaud gingen de werkelijkheid (de wereld) te lijf, omdat die zich niets meer van hen aantrok, en ze amputeerden en veranderden haar, of riepen haar, net zo gemakkelijk, uit tot ‘de beschrijving van het niets’. Niets moest alles worden, en temidden van dat Niets, als triomfator en alleenheerser, de schrijver en de kunstenaar.


In de werkelijkheid van Sappho en Pindaros — echte werkelijkheid en geen virtuele — kwamen nog echte triomfen en nederlagen voor, en zag je nog glans en gloed, die in hun verzen en fragmenten daarvan bleven bestaan. Denk je Alkman in die zou schrijven: ‘Een vers is ballast. Zorg dat het vergaat.’ Het is even onvoorstelbaar en ondenkbaar als een filosofie waarin ‘weinigen nog in waarheid geloven’ (M. Doorman, filosoof, criticus en triangelspeler bij Normaal).



IN EEN LAND zonder natuur bestaat, denk ik, ook geen poëzie meer: daarin is het denkbaar dat koeien worden uitgedost als narren en als voeder stront krijgen toegediend (dat wij kies ‘rioolslib’ en ‘toiletafval’ noemen).


Het wordt wel iéts begrijpelijker wanneer je bedenkt dat de Laaglander in drie dagen de Riolering schiep, met als afvalproducten Hemel en Aarde. Maar helemaal goed te praten valt het toch niet.


Herman Gorter, de op één na laatste lichtzanger bij ons (de laatste was Ida Gerhardt) keek in zijn kamer uit ‘op boomen en duinen, aan de tafel waarop men niets zag dan een vel papier (…), een boek met stukjes papier tusschen de bladzijden gestoken, dan gingen Homerus, Dante en Chaucer bij hem in en uit, en hij vertelde hen, hoe het nu ging worden, de groote poëzie — want, al het andere kon hem niet schelen’ (A. Roland Holst). Zijn droom kwam niet uit, en hij ‘kon het letterlijk niet meer aanzien’.


Herakles bracht de olijfboom naar Olympia, en de Makers van de tentoonstelling Zeitwanden in Bonn, waar je 25.000 jaar kunst kunt zien, hingen een olijfboom omgekeerd aan het plafond; uitgegraven met wortel en al. Hij is zeven eeuwen oud. Hij krijgt dagelijks water en wordt besproeid. Het is een ‘olijfboom-installatie’.


Herakles, ren naar Bonn.


Schitterende beelden en regels zijn schering en inslag bij Pindaros (518-438 v.Chr.)


‘(…) wagenmenner Amfitryon, gastvriend van de Gezaaiden.


Hij was bij de Kadmeeërs komen wonen in de straten vol witte paarden.’


(Negende Pythische ode)



‘(…) Hestia, dochter van Rhea, behoedster van raadsgebouwen (…) Wil je een klip vermijden, houd de roeiriem in je greep,/ werp snel het anker van de voorplecht, zó dat het zich vastbijt in de bodem./ Want de keur van mijn zegezangen wiegelt als een bij/ steeds weer verder naar een nieuw motief.’


(Tiende Pythische ode)



Pindaros stamde misschien uit een aristocratische familie in Boiotië, ook de landstreek van Hesiodos, de schrijver van Werken en dagen. Hij kreeg een gedegen muzikale opleiding in Athene en onderhield contacten met vorstenhoven op Sicilië en met de Thebaanse adel, hij prees Athene en werd daarvoor door Thebe beboet. Hij moest dus, al stond hij als aristocraat boven de partijen, wel eens schipperen, want, ziener en gezant van de goden of niet, broodschrijver in dienst van broodheren was hij ook, en het waren de tijden van tirannen.


De Muzen en Chariten (de drie Gratiën, Aglaia, Thalia en Euphrosyne: Vreugde) waren echter op zijn hand, en hij liet bij zijn huis een tempel bouwen voor Pan en Demeter.



DE SCHATBEWAARDERS van de roemrijke Alexandrijnse bibliotheek, die later zo smadelijk in de as werd gelegd, kennen nog alle zeventien boeken van Pindaros: koorliederen, processie- en dansliederen, lof- en klaagliederen. De Zegezangen overleefden, lijkt het, alleen door hun gebruik als studieboek op scholen.


Altijd werd Pindaros moeilijk gevonden, merken al tijdenlang zijn vertalers op: de bouw van zijn oden alleen al, nog afgezien van de beelden in de nissen, dwingt respect en eerbied af, maar, Pindaros’ gecontroleerde vervoering ten spijt, ook wel eens bewonderende verveeldheid.


Schouderophalen over al die wagenmenners, hardlopers en discuswerpers siert ons, verveelden, natuurlijk, maar bezieling verveelt nooit eeuwenlang.


Het beeld van het eiland Delos, als stralende ster van de donkere aarde, nog afgezien van strofen en regels die ik hier niet kwijt kan, jagen werkelijk niet alleen menig cabaretwerk maar ook duizend-en-één nieuwere dichtregels weg.



Verliezers op de grote Griekse spelen telden niet meer: ‘Door nederlaag verscheurd/ ontvluchtten zij langs achterafsteegjes de blikken van hun vijanden’, staat er in de achtste Pythische ode.


Voor de winnaars op de onderscheidene heilige spelen waren er olijfolie in beschilderde amforen, wollen mantels, zilveren schalen en bronzen drievoeten en schilden. Je werd omhangen met kransen van pijnboomtakken, de heilige olijf, laurier of wilde selderij.


Mooier, en vooral duurzamer dan triomftochten en standbeelden (die kreeg je ook heel vaak, maar daar is weinig of niets van over) waren de feestliederen die in opdracht van de aristocratische elite voor goed geld voor je werden geschreven, door Stesichoros, Simonides of de Boiotiër Pindaros. En anderen van wie we nu de namen niet meer kennen.



‘You can’t always get what you want’, staat in de elfde Nemeïsche ode, die zich in werkelijkheid afspeelt op Tenedos, een eiland dicht bij Troje. Die regel luidt in werkelijkheid: ‘Te pijnlijk is de waanzin van onvervulbare verlangens’ (Zegezangen), of, in De zang van de Sirenen: ‘Van onbereikbaar hunkeren priemt fel de razernij’ (vert. G.J. de Vries). Hij werd geschreven voor de prytaan (bestuurder) Aristagoras, die vroeger een atleet was geweest, maar niet in Olympia of Delphi:



Zijn ouders waren al te bang in hun verwachting en weerhielden


hun sterke zoon zich te meten in de spelen van Olympia en Pytho.


Ik geloof, ik zweer het: was hij naar Kastalia gegaan


en naar Kronos’ mooi beboste heuvel, hij was teruggekeerd


met meer roem dan zijn tegenstanders in gevechten.



‘In woord, muziek en dans roept Pindaros’ poëzie tijdens de viering van de atleet een wereld van waarden op die de zin van het gebeuren duiden.’



DE MUZEN die Pindaros bijstonden, traden nog op in Leiden, waar op 8 februari 1575 de inwijding van de Universiteit werd gevierd. ‘Ja, zelfs’, schrijft Georgius Benedicti, ‘verlieten de Muzen onder auspiciën van deze grote aanvoerder Willem van Oranje de Parnassus en gingen naar de beroemde stad Leiden.’ En daar zongen ze de liederen die vroeger klonken op de Boiotische Helikon.