Moeten criminaliteitscijfers etnisch ingevuld?

Zeggen wat je denkt

Zijn verhoogde criminaliteitscijfers onder minderheden nog steeds taboe? Jaap Blokker meent van wel. Van individuele registratie van etniciteit is vooralsnog in elk geval geen sprake. Terwijl dat niet louter nadelen heeft.

Nieuw was het allemaal niet. Bestuursvoorzitter Jaap Blokker van de Blokker Holding heeft al eerder het voorwoord van zijn jaarverslag gebruikt om zijn politieke gram te halen. Vorig jaar wond hij zich hevig op over de lakse rol van de overheid in de bewaking van zijn winkelpersoneel. «Die taak wordt sterk verwaarloosd», schreef hij in het verslag. «Al jaren rust er een politiek taboe op het leggen van een relatie tussen allochtonen en criminaliteit. De struisvogelpolitiek van onze bestuurders daaromtrent gaat volledig voorbij aan de praktijkervaringen van onze eigen medewerkers die oog in oog komen te staan met overvallers.»

Dit jaar ging Blokker weer helemaal los. In het naar eigen zeggen voor intern gebruik bedoelde voorwoord klaagt de Larense multi miljonair (een niet onverdienstelijke plaats 26 op de Quote-top-500) over «achtereenvolgende regeringen die jarenlang met naïeve onbevangenheid de warme multiculturele deken over onze samenleving hebben gelegd». Hij vervolgt: «Beroepsmoralisten die een complete asiel- en illegalenindustrie op gang hielden, samen met gezagsdragers die Nederland als gidsland presenteerden en met hun tolerantie de drugsmaffia vrij spel gaven, zijn medeverantwoordelijk voor een sociale verloedering die onder meer in onze winkelstraten tot uiting komt.»

Dat het jaarverslag over 2000 weinig tongen losmaakte zal wel te maken hebben gehad met wat Blokker een «politiek taboe» noemt. Het jaarverslag over het afgelopen jaar, dat vorige week werd gepresenteerd, is al met al niet onopgemerkt gebleven. Waar eerder nog een zekere terughoudendheid werd betracht en publieke figuren zich ervan vergewisten toch vooral met harde bewijzen op de proppen te komen, kan sinds de laatste verkiezingen alles zomaar over tafel. In de geest van de vermoorde politicus hunkert menigeen ernaar te zeggen wat hij denkt. Ook (en vooral) wanneer een zekere kennis van de feiten ontbreekt.

Los van zijn geringe gevoel voor goede smaak, zit de handelaar in potten, pannen en porseleinen prullaria er op een paar punten domweg naast. Politici waren «verrast» uit rapportages van Blokker te vernemen dat de criminaliteit voor een groot deel voor rekening komt van niet-Nederlandse daders, beweert de ondernemer. Toch bleek al begin jaren negentig uit wetenschappelijk onderzoek dat etnische minderheden vaker betrokken zijn bij criminaliteit dan Nederlanders. Weinig politici zullen over zoiets nu nog verrast zijn. VVD-leider Bolkestein nam indertijd geen blad voor de mond, op hoeveel kritiek hem dat toen ook kwam te staan. Voor de enquêtecommissie-Van Traa sprak topcriminoloog Frank Bovenkerk enkele jaren later over «enkele tientallen procenten» van de Amsterdamse Turkse mannen die op enigerlei wijze betrokken waren bij de drugscriminaliteit. J.A.A. van Doorn betichtte Bovenkerk van een «racistisch betoog» en zelfs minister Dijkstal van Binnenlandse Zaken vond dat de professor wat «kort door de bocht» was gegaan. Bovenkerk kreeg kritiek, maar hij zei het wel. Live op de televisie, en in 1995. Ondanks de vermeende stigmatiserende werking die van de uitlatingen van Bovenkerk zou uitgaan, kon hij zijn cijfers redelijk hard maken. Weliswaar moest hij de «tientallen procenten» door foutmarges die politiecijfers met zich meebrengen na enige tijd weer terugnemen, een «aanzienlijke betrokkenheid» bleef staan.

De ophef die ontstond over de cijfers van Bovenkerk resulteerde in een door de toenmalige minister Sorgdrager uitgevaardigd onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie. In 1997 presenteerde onderzoeker Ed Leuw zijn bevindingen in Criminaliteit en etnische minderheden. Daarin bevestigt Leuw, op grond van schaarse politiecijfers, dat de criminaliteit onder allochtonen na correctie op sociaal-economische en demografische factoren nog anderhalf tot drie keer zo hoog is als onder autochtone Nederlanders. Het aanvankelijk vaak gebruikte vergoelijkende argument, dat de geboortecijfers bij allochtonen nu eenmaal hoger liggen dan bij witte Nederlanders en dat derhalve meer jongeren bij criminaliteit betrokken zouden kunnen zijn, ging door de herweging van de cijfers niet meer op. Ook de sociaal-economische achterstandspositie van nieuwe Nederlanders mocht geen excuus meer zijn. Dat de Volkskrant desondanks vorige week na de pseudo-onthulling van Jaap Blokker in haar hoofd artikel meldde dat een «taboe doorbroken» is en dat het nieuw is dat de kwestie «ter discussie kan worden gesteld zonder voor racist te worden uitgemaakt», is derhalve bepaald overdreven. Allang voordat Blokker aan de bel trok, werd dit specifieke criminaliteitsprobleem serieus genomen. De woordkeus was iets anders, dat wel.

De reacties op het rapport van Leuw waren wisselend, maar een racist werd hij, terugbladerend door het krantenarchief, nooit genoemd. Opvallend was dat de koepels van minderhedenorganisaties best tevreden waren met zijn onderzoekingen. «Goed dat het hardop gezegd wordt», zeiden belangenbehartigers van het Nederlands Centrum Buitenlanders (NCB) en van multicultureel instituut Forum. Directeur Akel van het NCB pleitte bovendien voor registratie van etniciteit bij criminaliteit, om een nog nauwkeuriger beeld van de misdaadcijfers onder allochtonen te krijgen. «We hebben het rapport-Van Traa gehad, we hebben Frank Bovenkerk gehad, en iedere keer ontstaat er een enorme discussie over de betrouwbaarheid van de cijfers. Ik wil van dat gesteggel af», zei hij vijf jaar geleden al in De Groene Amsterdammer. Hugo Fernandes Mendes, de directeur Minderheden beleid van het ministerie van Binnenlandse Zaken, was er nog eerder bij: in 1991 pleitte hij al voor registratie om de effecten van zijn minderhedenbeleid beter zichtbaar te maken.

De cijfers waarop Leuw zijn bevindingen baseerde waren afkomstig van de politie. Hij erkende, zoals Bovenkerk ook moest doen, dat dit niet de meest betrouwbare gegevens zijn. «Dit is ongetwijfeld een gevolg van het feit dat etniciteit niet als kenmerk van verdachten/daders wordt geregistreerd», schreef hij op de eerste pagina van zijn onderzoek. Het mag «begrijpelijk en prijzenswaardig» zijn om vanwege antiracistisch overheidsbeleid deze gegevens niet vast te leggen, nadeel is volgens Leuw dat een «belangrijke signaalwerking» bij integratieproblemen verloren gaat. Meer onderzoekers hebben daarom de laatste jaren gepleit voor het wél registeren van etniciteit. Bij criminelen, maar soms ook in andere gevallen. De vraag is of dat herleidbaar tot personen moet gebeuren of slechts kwantificerend. Dat laatste is toegestaan, mits de gegevens worden gebruikt voor wetenschappelijk of statistisch onderzoek, meldt het College Bescherming Persoonsgegevens. De eerste mogelijkheid is vooralsnog uit den boze.

Vorige maand sloot de Friese politie zich aan bij de voorstanders van etnische registratie. In haar rapport Diepteverkenning jeugdcriminaliteit wordt aangegeven dat alleen de registratie van nationaliteit niet voldoende is om een gedegen beeld te kunnen krijgen van minderjarige criminelen. «Criminaliteit is een belangrijke indicator voor het wel of niet functioneren van bepaalde bevolkingsgroepen. Het is één van de uitingen van disfunctioneren op andere gebieden zoals arbeid en onderwijs», meldt het rapport. Met meer inzicht in de specifieke groep daders, wordt het risico verminderd dat «de totale populatie buitenlanders» over een kam wordt geschoren, aldus het Friese korps.

Desgevraagd blijkt Hubert Fermina, directeur van het Landelijk Bureau Racismebestrijding, juist bang te zijn voor stigmatisering wanneer wél wordt geregistreerd. «Denkt u dat die harde cijfers werkelijk inzicht geven in waar het om gaat? In mijn ogen hebben we geen cijfers nodig», zegt Fermina. «Iedereen weet dát er problemen zijn, dan maakt het niet zoveel uit of die cijfers dat wel of niet bevestigen. De roep om registratie wordt maar al te vaak gebruikt als dekmantel voor de onmacht serieus aanwezige problemen op te lossen.»

Hoewel de discussie de laatste jaren vooral speelt bij criminaliteit, zijn door de nu nog strenge regelgeving op een aantal minder precaire beleidsterreinen ook geen mogelijkheden om onderscheid te maken op grond van etniciteit. In de medische zorg bijvoorbeeld. Daar zou registratie een zegen kunnen zijn. Ziektes maken dat onderscheid namelijk wel, constateerde eerder dit jaar de Utrechtse hoogleraar Tom Schulpen. «Turkse en Marokkaanse kinderen lijken veel vaker te sterven aan erfelijke afwijkingen, zoals aandoeningen van bloed, stofwisseling of zenuwstelsel. Gemiddeld vijftien procent van de overleden baby’s uit die groepen stierf daaraan, tegenover zes procent van de autochtone», zei Schulpen in een interview op grond van onderzoek onder 592 kinderen die in het eerste jaar na hun geboorte overleden. «Trouwen ‹in de familie› verdrievoudigt dat percentage tot 50 onder Marokkanen en 41 onder Turken.» Ook de vorig jaar opgerichte organisatie PaceMaker, die de achterstand van allochtonen in de gezondheidszorg wil aanpakken, pleitte dit jaar bij monde van de TNO-onderzoeker Öry uit oogpunt van preventie voor registratie van etniciteit. «Alleen op basis van epidemiologisch onderzoek kun je aantonen dat er ongelijkheid is», zei Öry in de Volkskrant. Uit het eerste onderzoek van PaceMaker was bijvoorbeeld gebleken dat baarmoederhalskanker onder Marokkaanse vrouwen twee keer zo vaak voorkomt als bij de rest van de vrouwen.

Hoewel noch het regeerakkoord, noch de verkiezingsprogramma’s van CDA, LPF en VVD iets melden over het registreren van etniciteit, wordt er in Den Haag serieus rekening mee gehouden dat het nieuwe kabinet op niet al te lange termijn voorstellen zal gaan doen om dit mogelijk te maken. Op Binnenlandse Zaken hebben de ambtenaren van voormalig minister Van Boxtel al uitgewerkte plannen klaarliggen om allochtonen tot in de derde generatie als zodanig te bestempelen, zo werd april dit jaar duidelijk. Voor 15 mei was daar in de Kamer waarschijnlijk geen meerderheid voor te krijgen. Dat ligt nu aanzienlijk anders.