De beste boeken van 2019

Zekerheden moest je hebben

Welk boek deed ons schaterlachen? Welk boek verbaasde ons, dwong respect af, of hielden we angstvallig voor onszelf, om het nu alsnog te noemen? Dit zijn de boeken die de recensenten van De Groene het meest bijbleven.

Wessel te Gussinklo schreef met De hoogstapelaar een roman die me aanzette tot handenwringen, neeneenee roepen en schaterlachen. Verdrietig voor me uitkijken, dat ook. Neem het begin, wanneer Ewout naar de foto van een wereldberoemde dirigent zit te staren: ‘Zo’n gezicht, zo’n uiterlijk, de voorsprong die je dan had.’ En deze toon, dit verlangen, deze brisante arrogantie van een parmantige praatjesmaker, en vooral praatjesdenker, bijna vierhonderd pagina’s volhouden. En dan op het einde de verschrikkelijke en tegelijk komische zin schrijven: ‘Nee, ideeën moest je hebben, inzichten’, en even verderop: ‘Dikke boeken moest hij schrijven over de mens die eenzaam was.’ Ewout meent het allemaal en hij zegt het nog ook. ‘Keuzes moest je maken, zekerheden moest je hebben.’ En daar dan zo snel mogelijk mee beginnen, liefst in een café, of anders thuis op je zolderkamer. Te Gussinklo’s held weet het allemaal beter en hij hield me gevangen in een wanhopige houdgreep.

Helemaal aan de andere kant van het literaire spectrum had je dit jaar de verbluffend mooie roman Gebroken wit van Astrid Roemer. Brede vertelling, langzame scènes, vele stemmen, kleur, gevoel en verlangen. Suriname en Nederland in de jaren zestig en zeventig. Geen van-dik-hout-zaagt-men-planken beschuldiginsgproza, maar langzaam geschuur en gewrijf. Ook in de zinnen. Lees maar hoe het daar en hier gaat en ging. Dit is proza dat in meerdere betekenissen toont. Vol kleur en in melancholie gedoopte details, plus encyclopedische beschrijvingen van zaterdagochtenden, zondagmiddagen, daar in Paramaribo. En hoe je kippensoep maakt. Namen, kleuren, vrouwen met hun stemmen en gedachten, hun verbazing, de kleding, de feestjes, de beschrijvingen van kamers, bedden en kasten. En de geilheid. Ja ja, zo kan het dus ook met literatuur. Niemand weet het in Roemers boek beter, niets is beter, niets is zielig, niets wordt beter: ‘De mensen sterven en ze zijn niet gelukkig.‘