Zelf

Ik was met een internationaal dichters­gezelschap in Istanbul en dacht aan Zierikzee, het stadje waar ik groot ben geworden. Het kwam ongetwijfeld door chronisch slaap­gebrek en weinig eten, door de overvloed aan vreemde gezichten (o, zoveel snorren) en door het blikkerende zonlicht op de Bosporus. Ik dacht aan vroeger, aan de dagen die ik aan de rand van het water doorbracht, kokkels van de rotsblokken plukkend, zoals een ander kind achteloos grassprietjes uit de aarde trekt. De meeuwen in Istanbul klinken niet anders dan de meeuwen in Zeeland: hetzelfde klaaglijke en brutale gekrijs. We zaten veel op boten, de andere dichters en ik. We droegen gedichten voor die ook in Turkse vertaling ten gehore werden gebracht. Drie Nederlanders, een Schot, een Roemeen, een Maltese en een Finse. Goed gezelschap – en toch voelde ik me merkwaardig alleen en ver weg. Als het avond werd en de brandende Turkse zon eindelijk achter de horizon verdween, dronken we Efes uit grote flessen, rookten sigaretten en praatten over de poëzie. Er werden sterke verhalen verteld. Er werden hilarische anekdotes opgedist en eindeloos veel woordgrappen gemaakt – maar vaak deed ik er al halverwege het zwijgen toe. In mijn hoofd begonnen dingen in elkaar verknoopt te raken en zocht ik naar een beginpunt. Houvast. Ik herinnerde me hoe ik ooit, na een lange ochtendwandeling langs de Oosterschelde, met mijn moeder over het landschap stond uit te kijken. Hoe ze toen, na heel lang zwijgen, triomfantelijk zei: ‘Mooi hè? Zelf bedacht.’ Misschien, dacht ik, is mijn liefde voor poëzie gewoon daaruit voort­gekomen: iets zien en het willen hebben. Het op z’n minst willen hebben bedacht. Er taal omheen vouwen en het inlijven. Een nogal pathetische behoefte. Iets dat niets te maken heeft met Grote Kunst en Lijden, maar met sentiment en bewaardrift. Tegen de tijd dat het donker werd liet ik me op mijn bed vallen en probeerde niet te luisteren naar de schallende televisies van mijn buren, het gepraat op de gang of het dichtslaan van deuren. Ik deed mijn ogen dicht en schaamde me.

En ik hoorde, heel ver weg, de zee.