Engelsen zijn ook geen lieverdjes

Zelf bedrogen

Op de eerste bladzijden van zijn nieuwe roman Ons soort verrader laat John le Carré ons kennismaken met zijn prototypische held, de min of meer gewone man, klaar om weggerukt te worden uit zijn min of meer gewone bestaan. Perry Makepeace heet hij hier, docent Engelse literatuur in Oxford, hij moet nog dertig worden, en toch huivert hij als zijn faculteit hem een vaste aanstelling wil aanbieden, alsof hij nu al is uitgekeken op zijn werk. Of nou ja, uitgekeken, er sluimert in hem een diepe onvrede over de toestand waarin Engeland zich anno nu bevindt.

Medium 9789021804361

Het afgelopen semester gaf hij een serie colleges over George Orwell, met als titel Een verstikt Engeland? en had hij zich hardop afgevraagd of Orwell ooit had kunnen denken dat ‘dezelfde volgevreten stemmen die hem in de jaren dertig hadden achtervolgd, dezelfde verlammende onbekwaamheid, die verslaving aan buitenlandse oorlogen en die eigenwaan in 2009 nog even vrolijk aanwezig waren’. Aan zijn bloedmooie vriendin Gail, 'een pittige jonge juriste die net carrière begon te maken’, bekent hij klaar te zijn voor de revolutie. De eerste stap daar naartoe zou zijn leraar te worden op een middelbare school ergens in een van de meest achtergestelde uithoeken van het land. Maar voor het zo ver is, gaan ze samen even uitblazen op het Caribische eiland Antigua, een unieke, voordelige tennisvakantie in de zon. Want behalve literatuurdocent is Perry ook nog fanatiek sporter. Zijn tennisspel trekt de aandacht van de Russische Dima, een gespierde kale vijftiger met een opvallende stoet mensen in zijn gevolg: kinderen van verschillende leeftijden, een spookachtige vrouw geheel in het zwart gekleed en een paar kleerkasten van mannen zonder duidelijk iets om handen te hebben. Vanaf het moment dat Dima en de zijnen zich aandienen, verliezen Perry en Gail de regie over hun leven. Dat wil zeggen: vooral voor Perry betekent Dima een ontsnapping uit zijn eigen impasse, want opeens heeft hij een missie. De Russische maffioos heeft het in zijn hoofd gehaald de Engelse inlichtingendienst informatie te verstrekken over witwaspraktijken en ander financieel gesjoemel, in ruil voor een nieuw bestaan in Engeland voor hem en zijn familie. Perry en Gail zijn in zijn ogen de ideale onverdachte tussenpersonen.
Als een schaker schuift Le Carré zijn personages over het bord, vaak onvoorspelbaar en niet altijd onmiddellijk te begrijpen. In een interview zei hij ooit dat hij dacht dat zijn boeken zo populair waren omdat de lezers er hun eigen verhouding tot de buitenwereld in herkennen: tastend in het ongewisse. 'Ze werken bij een bedrijf of op een kantoor en ze weten niet hoe er over hen gedacht wordt, of ze gepromoveerd zullen worden of ontslagen, ze proberen het van de gezichten van hun chefs af te lezen, maar ze moeten blijven gissen. We leven allemaal zo.’ Aldus de grootmeester, die zich in zijn nieuwste creatie misschien wel wreder dan ooit betoont. De Russen mogen niet van die lieverdjes zijn, bedreven in dingen doen met elkaars ballen, maar de Engelsen zijn in hun subtiele psychologische terreur misschien nog wel erger. Na de eerste honderd bladzijden Antigua verschuift de handeling naar de burelen van de Londense inlichtingendienst, alwaar medewerker Luke zijn strijd levert met zijn superieuren na een uit de hand gelopen missie in Bogota. Hij lijkt de ultieme onderknuppel, maar betoont zich in zijn ondervragingen van Perry en Gail vanzelfsprekend superieur.
Eerlijk gezegd had ik grote moeite de plot te begrijpen in deze Le Carré, en vat ik zelfs de titel niet helemaal. Mocht deze verfilmd worden, en hij lijkt me er erg toe te lenen met mooie documentaire beelden van tennissensatie Roger Federer, gloriërend tijdens Roland Garros, zou ik voortdurend mijn medekijkers lastigvallen. Waarom zegt hij dit? Wie is dit nu weer? Is hij nou goed of fout? Laten we het erop houden dat Le Carré zo'n goeie schrijver is dat hij de overzichtelijke spanwijdte van een clou overschrijdt. Want dat is misschien wel het meest opvallende aan Ons soort verrader: de volstrekt onorthodoxe verteltechnieken, met subtiele wisselingen in vertelperspectief en een postmoderne inzet van een alwetende verteller. 'Maar het is niet het einde van het verhaal. Niet in Antigua. Het verhaal ontvouwt zich prachtig.’
Zo prachtig dat ook zonder te begrijpen wie er waarom en waardoor uiteindelijk de lucht in vliegt, je licht bedwelmd achterblijft, met het beeld van de rugbrede tatoeage van Dima voorgoed op het netvlies gebrand.
Le Carré schreef opnieuw een complexe roman over intimidatie, manipulatie en ingrijpende rolwisselingen. Iedereen is in staat de ander een rad voor ogen te draaien; zelfs Perry en Gail gaan maar al te gretig op in hun nieuwe rol en houden elkaar op een zeker moment voor de gek, ook al is het uit zogenaamd beschermende motieven. Als Luke in opdracht van zijn dienst een andere identiteit aanneemt, heet het droogjes: 'Luke weet eindelijk eens precies wie hij is en waarom hij hier is.’ Het is een ijselijke boodschap die de schrijver ons meegeeft: vanaf het moment dat een meerdere hun een missie geeft, krijgen mensen vleugels. Met ongekend animo zijn ze bereid het spel te spelen, onder duistere condities en met ongewisse afloop.

JOHN LE CARRÉ
ONS SOORT VERRADER
Uit het Engels vertaald door Rob van Moppes, Sijthoff, 352 blz., € 19,95