Zelf een legoverhaal maken

B.S. JOHNSON
ONGELUKSVOGELS
Uit het Engels (The Unfortunates, 1969) vertaald door Jan Pieter van der Sterre,
Querido, losbladig, € 44,95

De synopsis van de vierde roman van B.S. Johnson (1933-1973) – van de zeven die hij er geschreven heeft – zou als volgt kunnen luiden: een verslaggever arriveert op een zaterdag in Nottingham voor een match tussen de plaatselijke club City en United waarvan hij onmiddellijk na de wedstrijd telefonisch verslag uit zal brengen. Die stad kent hij, stelt hij vast, daar woonden immers (eind jaren vijftig) een inmiddels aan kanker overleden vriend Tony en zijn vrouw June. Weet hij dat nu pas weer? De roman laat zien wat er in het hoofd van de verslaggever aan herinneringen en bijgedachten wordt losgemaakt.
Het had nog korter gekund. Maar eerst moet het boek worden uitgepakt, dus eerst iets over de doos die bij verschijning, dat was natuurlijk ook de bedoeling, de meeste aandacht trok. Op de bodem van de doos is een door Johnson zelf geschreven verslag van de wedstrijd City-United, 1-0, afgedrukt, in rood. Zo echt is de roman, inclusief de namen van de vrienden. De inhoud bestaat uit een aantal losse, niet doorgenummerde katernen; niet echt katernen, want sommige beslaan maar één velletje. Het eerste is een ruime inleiding van Jonathan Coe, een jongere schrijver die zich over het lange tijd onzichtbare werk van Johnson ontfermd heeft en van wie tegelijkertijd een biografie over hem vertaald is – die ik hier verder niet bij betrek, om eerst naar het boek zelf te kunnen kijken. Aan de binnenkant van het deksel staat dat de door een wikkel bijeengehouden 27 katernen in willekeurige volgorde gelezen kunnen worden, behalve het eerste en het laatste.
Drie tegen de zijkanten gedrukte citaten, Coe’s inleiding en opmerkingen in de tekst geven de lezer te verstaan dat deze wirwar de afspiegeling is van de willekeurige werking van het menselijk brein én – zo moet de lezer dóórdenken – van de manier waarop kanker het lichaam en het hele bestaan van een mens in het ongerede brengt.
Is voor deze niet al te opzienbarende gedachte zo’n theatrale inkleding nodig? Nee. In de tekst merkt de verteller terzijde zo’n acht of tien keer iets op over de banaliteit van zijn gedachten, vol verbazing: ‘hoe je hoofd werkt, deze dingen onthoudt’ of: ‘wat kunnen de hersenen toch goed organiseren’. Het komt zelfs tot echte reflectie, na een passage over architectonische wildgroei, verminking door het grote geld: ‘Mijn hersenen dwalen dom rond over het bekende terrein van mijn vooroordelen, gedachten bestaan grotendeels uit herhaling, uit domheid, uit monotonie.’
Met losse stukken – stadsbeelden, cafébezoek, verorberen van een portie ham op straat, stukjes studententijd, visites en momenten uit het ziekteproces van vriend Tony, maar vooral gedachteflarden van de nogal zelfingenomen verteller – met die kiekjes (inkijkjes, snapshots) mag de lezer zelf zijn legoverhaal maken. Het resultaat is het verhaal dat Johnson waarschijnlijk ook eerst voor ogen heeft gehad, een verhaal over een teloorgaande vriendschap: ‘ik leg het allemaal vast, jongen’. Als hij zoiets had, heeft hij het verknipt en de stukken als materiaal uitgestald – precies zoals het cliché over experimenteel proza dat toentertijd wou. Het doet er inderdaad niet toe in welke volgorde je de stukken leest, het kader staat immers vast: vriend Tony sterft en de schrijver doet zijn journalistieke werk. Dat is trouwens nog het aardigste stuk, waar de verslaggever – mopperend op maffiose sportverslaggevers, redacteuren die je tekst verknoeien en trots dat hij zijn verslag op tijd krijgt doorgebeld – van de wedstrijd een getrouw beeld probeert te geven, woord voor woord en zin voor zin wegend, vergeefs proberend clichés en stoplappen te vermijden.
Het is meteen een weerlegging van het realisme waarop het boek gebaseerd is, het idee dat alleen een directe weergave van het meest nabije aanspraak op waarheid kan maken. De voorlaatste alinea van het slotkatern: ‘Het probleem is begrijpen zonder te generaliseren, elk partje algemeen aanvaarde waarheid of generalisering alleen als waar te zien als het voor mij waar is, opnieuw solipsisme, daar kom ik opnieuw bij uit…’ Blijft dus alleen autobiografisch schrijven over, was de conclusie. In deze roman is het gevolg of het resultaat dat niet alleen de meeste scènes of stadstaferelen, hoe gedetailleerd ook, verwisselbaar zijn, maar vooral ook de andere personen, zelfs de ten dode opgeschreven vriend. Ongeluksvogels? Het meervoud suggereert dat de levende er niet beter aan toe is dan de man die lijdt en sterft.
De buitenwereld bestaat uit losse sjablonen; maar de keerzijde, de hersenpan van Johnson zelf, biedt nauwelijks meer. Wat dit met experimentele literatuur, zelfs die van de jaren zestig, te maken heeft, zie ik niet direct; Johnson zag zichzelf ook niet als experimenteel maar als waarheidszoeker: chaos druk je op een chaotische manier uit, verveling op een vervelende manier en banaliteiten dienen banaal geserveerd. Een niet uit te roeien weerspiegelingstheorie. Met zijn losse katernen demonstreert Johnson inderdaad de verwisselbaarheid van zijn materiaal. Het leggen van een puzzel van een loodgrijze lucht vergt meer creativiteit dan het doorbladeren van de 27 katernen, in welke volgorde doet er niet toe. Maar, dacht ik toch even, als willekeur niet echt de enige troef is, is er misschien één moment dat het kaartenhuis op tilt slaat. En dat is er. Om toch enige greep op het geheel te krijgen nummerde ik, boekhouder als ik ben, toch maar de zogenaamde katernen – Johnson had meer effect gesorteerd door een gewoon gedrukt boek niet te pagineren, maar dit terzijde. Er bleek één katern te veel te zijn: 12 en 13 waren gelijk. Woord voor woord – zoek de verschillen – heb ik de twee stukjes van vijf pagina’s met elkaar vergeleken. Het was een mooie plaats voor een pesterijtje. Er is sprake van een ‘toeval’, dat de hoofdpersoon indertijd een gedicht schreef (het overkwam hem!) precies op het moment dat zijn vriendin hem met een andere man bedroog (tot dan heette dat mysterieus ‘Wendy’s verraad’).
Ik kan me nauwelijks voorstellen dat het oordeel over dit boek veel anders uitvalt wanneer je het in de context van de jaren zestig plaatst of binnen het oeuvre van Johnson (waarom wordt niet vermeld dat er twee jaar geleden een eerste vertaling verscheen bij Atlas: De dubbele boekhouding van Christie Malry?). Misschien loont het de moeite om te kijken of de biografie van Coe een andere kijk op het boek geeft dan wat ik op het eerste gezicht meende te zien.