Gastcolumn

Zelf geschreven liedjes

Op de redactie van de Volkskrant, het was ergens in de jaren negentig, kwam het bericht binnen dat een jong meisje in Amsterdam op straat was neergestoken.

Medium gastcolumn

Het was een hele tref dat het choquerende incident zich had voor­gedaan dicht bij de Wibautstraat waar de redactie van de krant toen nog domicilie hield, de verslaggever hoefde slechts over te steken. Welke verslaggever? Ter redactie keken de reporters elkaar glazig aan, iedereen had het opeens razend druk. Met vaart dook men weer in het nieuwste rapport van de Sociale Verzekeringsraad over de fiscalisering van de aow. Nu nog een telefoontje naar de vakbondsvoorzitter en de opening van de krant was ruim voor borreltijd veiliggesteld. Het neergestoken meisje haalde de volgende dag gelukkig wel de kolommen, zij het in een klein bericht, aangeleverd door het persbureau anp en treurig genoeg niet door een van de driehonderd _Volkskrant-_redacteuren.

Heel lang is de journalistiek in Nederland, niet alleen die van de Volkskrant, zwaar institutioneel geweest, dat wil zeggen dat je de jonge verslaggever met de dood moest bedreigen wilde hij de straat op gaan om godverdomme ook eens met gewone mensen te praten. De werkelijkheid kwam uit commissievergaderingen en onderzoeksrapporten. We spraken van notajournalistiek en dat was niet bedoeld als compliment.

In Recht uit het hart, een programma van de kro-televisie, vertellen Nederlanders het verhaal dat hun leven op z’n kop zette. Dus bijvoorbeeld dat het bestaan beheerst werd door angst en depressie en dat meneer besloten had voor de trein te springen. Op station Amsterdam Rai – (twee keer zelfmoord, zou je zeggen). Dood was hij niet, wel raakte hij zijn benen kwijt. En dat kwam hij nu voor een zaaltje met publiek én voor de camera uitgebreid toelichten; publiek mocht vragen stellen: ‘Wat ik nou eigenlijk wil weten is van wat denk je nou van treinen?’

Het is allemaal journalistiek.

Volgende kro-programma: Draagmoeders gezocht. Wat beweegt nu eigenlijk een draagmoeder? En hoe ver ga je voor een kindje? De camera volgt de falende moeder op haar wanhoopstocht, sans gêne. Volgende programma: KRO uit de kast. Jonge homo gaat het voor het eerst aan zijn ouders vertellen. Allicht met de camera erbij; inzoomen jongens, inzoomen. Nog meer kro: Over de streep. Over pesten en gepest worden. Scholieren zeggen sorry. Janken voor het oog van de camera. Ze noemen het nog steeds journalistiek, informatieverschaffing.

Het meeste nieuws, niet alleen dat van de kro, is inmiddels onderdeel geworden van een entertainmentindustrie, van de wereld van een lach en een traan en van dat laatste liefst een hele emmer. Er is godzijdank nog veel serieuze, prettig-saaie journalistiek, maar geen krant, geen programma ontsnapt aan het impertinente en/of het triviale.

In het vakblad De Journalist beschreef onlangs een jonge collega die op de redactie van het Algemeen Dagblad had gewerkt hoe hij in 2008 met piepende banden, gierende remmen naar de familie Van Uhm reed in Noord-Brabant. Zoon Van Uhm – de zoon dus van de nog maar net geïnstalleerde commandant der strijdkrachten – was gesneuveld in Afghanistan en nu moest de jonge verslaggever van zijn redactiechef gaan aanbellen en vragen… ja, wat gaan vragen eigenlijk? ‘Ik zie alleen onmogelijkheden’, schrijft de verslaggever nu over zijn gedachten tijdens de autorit naar Brabant. ‘Ik weet niet of dit nu komt omdat ik een slechte journalist ben die te beschroomd is voor dit soort werk of dat de opdracht elke banaliteit overschrijdt.’

Het is spijtig te moeten constateren dat veel journalistieke nieuwsgierigheid ranzig is geworden. Ik weet niet hoe de trivialisering is gekomen. Wat zeker een rol zal spelen, is de zucht naar hoge kijkcijfers, oplages die onder druk staan. Maar dat kan niet het hele verhaal zijn. Daarvoor lijkt het verschijnsel te veel de heersende cultuur te reflecteren, een aspect te zijn van de tijdgeest. Ik bedoel dit: je kunt je voorstellen dat je om wille van kijkcijfers voort­durend een beroep doet op bijvoorbeeld BN’ers, op Bekende Nederlanders. Maar dat verklaart niet volledig waarom het fenomeen van de Bekende Nederlander zo welig tiert in krant, tijdschrift en op de televisie. We zijn tegenwoordig bijna allemaal BN’er, al is het slechts in het diepst van onze gedachten. En ook in Nederland kun je inmiddels heel beroemd zijn domweg omdat je beroemd bent. Vraag maar aan Estelle.

Een tijdlang dacht ik: het zal de welvaart zijn, die maakt lui en onverschillig en verveeld – zowel het publiek als de journalistiek. Maar nu het crisis is, lijkt het proces alleen maar sneller te gaan. Niet de politieke en sociale ontwikkelingen worden in de eerste plaats de moeite waard gevonden, maar het hyperpersoonlijke. Je ziet het op perverse wijze opgevoerd door iemand als Rutger Castricum (Bekende Nederlander!). Zijn vraagsuggesties gaan nooit over de fiscalisering van de aow, maar zijn er altijd op gericht de belaagde voor joker te zetten. Bijna alle politici gaan erin mee alsof het zo hoort. Iemand als Joop den Uyl keert zich om in zijn graf.

In Pauw Witteman mag Petra Stienstra heus nog wel over de jongste verwikkelingen in de ver weg gelegen burgeroorlog van Syrië komen vertellen. Maar dan gauw door naar onze volgende gast Frans Bauer. Want Frans, moet u weten, heeft een nieuwe cd afgeleverd met – voor het eerst – allemaal liedjes – houd u vast – die Frans zelf geschreven heeft! En Frans, vertel eens, hoe ben jij daar zo toe gekomen?

Je ziet de verlepping van de journalistiek in zijn meest wezenloze vorm terug in het genre van de Tien vragen aan… Tien vragen aan Xi Jinping, de nieuwe leider van China.

Vraag 1: bami of nasi?

Soms kun je zomaar terugverlangen naar de notajournalistiek.


Jan Tromp is journalist bij de Volkskrant