Essay Regeren in crisistijd Wat is burgerschap?

Zelf je eigen afval weggooien

Zestig jaar ontplooiing van het individu heeft niet de zelfredzame burger opgeleverd die werd verwacht. Maar de terugtredende overheid heeft minder te besteden en wil dat burgers hun eigen boontjes doppen.

WIJ BURGERS MOETEN HET WEER ZELF GAAN DOEN. Premier Rutte stopt de geluksmachine. Volgens vice-premier Verhagen zijn we zelf aan zet om de samenleving in te richten. ‘Dan hebben ze niemand in Den Haag meer nodig die zegt dat er een kloof bestaat tussen hen en de politiek.’ Minister Donner werkt ondertussen aan een agenda 'hedendaags burgerschap’. Collega Schippers van VWS stelt voor dat mensen met psychiatrische problemen die de neiging hebben professionele hulp te zoeken het voortaan in hun sociale kring moeten 'uitvogelen’.
Het is verleidelijk om de roep om sociale en individuele verantwoordelijkheid, om zelfredzame burgers, te zien als de kern van het verbond tussen VVD en CDA. Dat zou echter een vergissing zijn. Veeleer is het de climax van het afgelopen decennium waarin politici van verschillende huize heil zochten in een nieuwe en betere burger.
Zo gaat Job Cohen tijdens zijn Cleveringalezing in 2002 al op zoek naar een 'nieuwe invulling van het begrip burgerschap’, om het begrip vervolgens te vullen met mensen die verantwoordelijkheid nemen, 'voor zichzelf en het geheel waar ze voor staan’. Thom de Graaf zegt in 2006 bij zijn afscheid als fractievoorzitter van D66 dat de vraag naar burgerschap, als relatie tussen individu en overheid, de toekomst van zijn partij zou moeten bepalen. Guusje ter Horst drukt zich twee jaar later in haar rol als minister van Binnenlandse Zaken minder diplomatiek uit. De burger is verwend en de overheid geen blusdeken. Een 'handvest verantwoord burgerschap’ moet soelaas bieden. Vorig jaar pleitte Jan Marijnissen in zijn laatste dagen als Kamerlid voor 'actief verantwoordelijk burgerschap’ waar je 'in de eerste plaats verantwoordelijk bent voor jezelf, en daarnaast voor je naasten, je buurt, je gemeente, je land en de wereld’. Ook GroenLinks laat zich niet onbetuigd. Wethouder Van Es gaat in 2010 met burgerschap in haar portefeuille op zoek naar een definitie voor dat begrip. Immers, burgerschap verandert 'door de tijd’ en vraagt om die reden 'periodiek om herijking’. Een taak voor de Amsterdamse wethouder die zich daar afgelopen voorjaar van kwijtte door hoffelijkheid, als uiting van respect, betrokkenheid en tolerantie, tot de kern van burgerschap te verheffen.
Het gedeelde politieke verlangen naar zelfredzame burgers raakt het hart van het functioneren van democratie. De omnipotente burger die de publieke zaak hoog in het vaandel heeft is immers het eerste artikel van de democratische geloofsbelijdenis. Mocht de aanzwellende vraag naar betere burgers betekenen dat wij niet meer zo zelfredzaam zijn, noch betrokken bij de publieke zaak, dat we democratische afvalligen zijn, dan verkeert de democratie zelve in crisis. Zeker als we met ons gemankeerde gevoel voor individuele en sociale verantwoordelijkheid het zelf moeten 'uitvogelen’ omdat de geluksmachine halve dagen gaat draaien. Want de verzorgingsstaat kan alleen maar functioneren als er sprake is van een geheel dat meer is dan de som der afzonderlijke delen.

HOE MOETEN WE de roep om zelfredzame burgers begrijpen? Is het een symbool van wegkwijnende democratie? Oude wijn in nieuwe zakken wellicht? Een laatste nawee van het calvinisme, of is er meer aan de hand?
Gedurende het grootste deel van de geschiedenis twijfelen filosofen, politici, koningen, geestelijken en normale stervelingen eraan of mensen de weelde van zelfredzaamheid en burgerschap aankunnen. Leidt verantwoordelijkheid automatisch tot een florerende publieke zaak, of zal individualisme die zaak juist vernietigen? Burgerschap en zelfredzaamheid zijn per slot van rekening niet voor iedereen weggelegd. Van Plato weten we dat hij weinig vertrouwen heeft in het vermogen van burgers om zichzelf te besturen. Liever houden ze zich bezig met het vervullen van vulgaire genoegens en het ter dood veroordelen van zijn leermeester Socrates. Socrates die op zijn beurt excelleert in het wijzen op gedrag en gedachten die de esprit publique uithollen. Voor Aristoteles is zelfredzaamheid een noodzakelijke voorwaarde voor burgerschap. Mensen die niet eens 'hun eigen gewicht kunnen tillen’, kunnen geen volwaardige burgers zijn.
Immers, volwaardig burgerschap is geen sinecure. Toegepaste kennis om het reilen en zeilen van de polis in goede banen te leiden en een ijzeren wil om individuele belangen op te offeren aan het algemeen belang zijn noodzakelijke voorwaarden. Daartoe is lang niet iedereen in staat of bereid. Vrouwen, slaven en vreemdelingen worden überhaupt niet als burger gezien. De zogenaamde Idiotes (sic) houden zich alleen bezig met hun eigen beslommeringen en belangen. Dat gaat voor steeds meer mensen gelden. Vrijheidsfilosoof Isaiah Berlin merkte al eens op dat in de twintig jaar na het overlijden van Aristoteles individualisme tot volle bloei komt. Niet de publieke moraal, maar de private moraal gaat domineren. Burgers zien de verplichtingen die het bestuur en het welzijn van de polis vereist als een hindernis voor zelfredzaamheid. Burgers moeten hun private moraal niet afleiden van de publieke, politieke moraal, maar vice versa. De publieke zaak moet gerund worden op basis van private opvattingen en regels. Juist die spanning, tussen eigenbelang en publiek belang, zal de ontwikkeling van democratie blijvend bepalen.
De Romeinen starten met nieuw elan. De Res Publica boven alles. Het bijdragen aan het succes van Rome is de hoogste eer die een Romeins burger ten deel kan vallen. De Romeinen gaan al meer nadruk leggen op rechten, in plaats van plichten. Civis Romanus Sum betekent niet alleen dat je een burger van Rome bent, maar ook dat je recht hebt op bescherming van het leger. Waar je je ook bevindt. Ook wordt burgerschap minder exclusief dan bij de Grieken. Slaven bijvoorbeeld kunnen het burgerschap kopen. Aanvankelijk spelen de bekende publieke deugden een rol, maar na verloop van tijd breekt ook in Rome het eigenbelang door. Uiteindelijk valt het Romeinse Rijk aan decadentie en individualisme ten prooi. Publieke mores leggen het af tegen geraffineerd eigenbelang. Of, zoals Tacitus het uitlegt: 'En nu werden er wetten gemaakt, niet alleen voor nationale zaken, maar voor individuele gevallen. En de wetten waren het meest talrijk, toen de publieke zaak het meest gecorrumpeerd was.’ Van een Res Publica als uitdrukking van gemeenschappelijk belang is geen sprake meer.
In de Middeleeuwen en de Renaissance is burgerschap aan de stadstaten verbonden. Ook in ons land. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden bestaat vooral uit steden met sterke gemeentebesturen waarin burgers, die in een waaier aan verenigingen bij elkaar komen, de dienst uitmaken. Wederom speelt exclusiviteit een rol. De gilden zijn daar het meest prominente voorbeeld van. De Schutterij die zo prominent in De Nachtwacht figureert is feitelijk weinig anders dan een verzameling bezorgde burgers. Gewapend en georganiseerd paraderen ze door Amsterdam om rust en orde te bewaken. Naast burgers bestaan er boeren en buitenlui. De stadspoort markeert de grens. Ook hier is het burgerschap te koop. Zo kan men Rotterdams stadsburger worden door drieduizend stenen bij te dragen aan de Laurenskerk. Voorzover er gezorgd wordt, zorgen burgers voor elkaar.
In de periode voor de Franse Revolutie voeren de aristocraten de boventoon. Net als de Griekse en Romeinse burgers hebben zij de tijd (en het geld) om zich over de publieke zaak te ontfermen, als rechter, parlementslid of bestuurder. Publieke functies staan hoog in aanzien, en brengen bovendien vaak veel geld op. Terwijl horigen, lijfeigenen en later boeren hun land bewerken, besturen zij het land.

DAN ONTKETENEN de Amerikanen en Fransen hun revoluties. En daarmee ontdoen ze burgerschap van de exclusiviteit die er altijd mee verbonden was. Getraumatiseerd als ze zijn door de willekeur van respectievelijk de Engelsen en de Franse adel definiëren ze burgerschap vooral als bescherming tegen de overheid. Benjamin Constant formuleert de negatieve vrijheid als een domein waar ieder mens gevrijwaard is van overheidsinterventies. Bovendien is iedereen burger bij geboorte. Burgerschap is vanaf dat moment massaal en gebaseerd op rechten in plaats van exclusief en gebaseerd op plichten.
Maar hoe verhoudt de nieuwe burger, die vooral de nadruk legt op zichzelf en zijn of haar rechten, zich tot de idee van democratie waarin mensen ook verantwoordelijkheden en plichten hebben? Want als iedereen verantwoordelijk is voor de publieke zaak is niemand het. In ons land maakt met name Thorbecke zich zorgen. In 1844 schrijft hij Over het staatsburgerschap. De passage over zijn arme medemens is bekend. 'Zijn blik, gebonden aan de eigen dagelijksche behoefte, kan zich tot de algemeene zaak niet verheffen.’ In andere woorden: wie daadwerkelijk burger wil zijn, moet de tijd en ruimte hebben, en bovendien genoeg ontwikkeld zijn om zich aan de publieke zaak te kunnen wijden. Vandaar ook dat Thorbecke (nog) geen voorstander van het algemeen kiesrecht is. Mensen moeten zich verder ontwikkelen alvorens ze volwaardig burger met de overeenkomstige rechten en capaciteiten zijn.
Daar gaat de overheid zich op richten. Emancipatie van de massa is het devies. Al snel ontspruiten de eerste kiemen van de verzorgingsstaat. Onderwijs, gezondheidszorg, armenzorg, het Kinderwetje van Van Houten. Ontwikkeling van de nieuwbakken burgers is het doel. Na verloop van tijd mogen ze ook stemmen en zich verkiesbaar stellen. Waar burgers niet voor zichzelf of elkaar zorgen vindt de groeiende overheid nieuwe terreinen om te ontginnen. Wat weer leidt tot bestaanszekerheid en ontwikkeling van burgers. Burger en overheid stuwen elkaar tot grote hoogte. Na de Tweede Wereldoorlog ontpopt de Nederlandse burgerschapszin zich in volle glorie. Het corporatistische systeem en de verzuilde samenleving zijn daar het voornaamste symbool van. Mensen zijn zelfredzaam en zorgen voor elkaar. Weliswaar in eigen kring, maar het besef dat de publieke zaak iets gezamenlijks is, is zeker tijdens de wederopbouw gemeengoed. Burgers zijn omnipotent, zelfredzaam en prima in staat hun individuele belang met de publieke zaak overeen te stemmen. Vadertje Staat waakt over het collectieve resultaat en stuurt waar nodig bij.
Maar de sociale en publieke verplichtingen werken ook verstikkend. Gerard Reve registreerde dat feilloos in De avonden. De zuilen en de mores waar ze op drijven gaan ten koste van individuele vrijheid, wensen en verlangens. Wie voor haar of zijn ouders moet zorgen die na hun pensioen in huis komen wonen, heeft geen tijd zich individueel te ontplooien. En dat vormt een rem op de vaart der volkeren waar ook Nederland in mee moet. Iedereen moet aan het werk. De emancipatie van de massaburger maakt plaats voor de ontplooiing van het individu. Gestaag brengt de overheid, via regelgeving en financiering, maatschappelijke voorzieningen onder haar hoede. De verzorgingsstaat doet definitief zijn intrede. De burger kan aan zichzelf gaan werken. Daarmee neemt de overheid het initiatief over van de samenleving.
Eind jaren zestig probeert een nieuwe generatie nog kortstondig de ban te breken. Maar het brengt niet de participatiedemocratie waar de Maagdenhuisbezetters op hopen. Achterkamertjes, vergadercircuits, inspraakcircus en hindermacht zijn nu de termen waar we die vormen van burgerschap mee aanduiden. De verzamelnaam 'poldermodel’ heeft inmiddels een negatieve bijklank gekregen.
In de jaren zeventig en tachtig zet de ontburgering van overheidswege door. Professionals vervangen vrijwilligers. De overheid zorgt van de wieg tot het graf. De meeste mensen vinden het prima. 'Met z'n allen voor ons eigen’, van politieke zieners Jacobse en Van Es, blijkt te optimistisch. 'Met onszelf voor ons eigen’, is accurater. De verzorgingsstaat helpt de sociaal verantwoordelijke en zelfredzame burger langzaam om zeep. De staat groeit, individualisme neemt toe.
In de jaren negentig privatiseert de overheid in de ban van het neoliberalisme veel van wat zij in de decennia daarvoor verstatelijkt heeft. Bedrijven werken effectiever en efficiënter en dat is nodig om de uitdijende verzorgingsstaat in te tomen. Het restje burgerschap dat nog over is, moet klant worden. Marktwerking is het devies. Al blijft die marktwerking niet beperkt tot de markt. Gemeenten en uitvoeringsorganisaties ontwikkelen klantbenaderingen en richten overheidswinkels in. Halverwege de jaren negentig gaat staatssecretaris van Volksgezondheid Erica Terpstra 'onbetaalde huisgenoten’ onder de noemer Persoons Gebonden Budget (PGB) betalen, omdat die 'thans het merendeel van de zorg leveren’, zoals ze in een brief aan de Kamer het SCP aanhaalt. Ze vervullen een maatschappelijke functie! Financiële prikkels om sociale verantwoordelijkheid te stimuleren, keuzevrijheid voor de cliënt - marktwaarden vervangen publieke waarden, om de verzorgingsstaat betaalbaar te houden. Zelfs als je een verkeersboete moet betalen word je als 'cliënt’ benaderd.
Daarmee delven de plichten definitief het onderspit ten opzichte van de rechten. Immers, een klant heeft, op het betalen na (leuker kunnen we het niet maken!), weinig plichten. Bovendien moet een klant zijn eigen belang benadrukken, anders werkt de markt niet. Vraag en aanbod vieren hoogtij. Beleidsmakers gaan 'vraaggericht’ werken om de klant geworden burger maar zo goed mogelijk te kunnen bedienen. Alleen de vierjaarlijkse ronde naar de stembus noemen we nog een burgerschapsplicht, terwijl dat ooit het belangrijkste recht was dat democratie met zich mee bracht. De burger is naast klant ook 'calculerend’ en 'mondig’ geworden, zo constateren verschillende politici, daarmee voorsorterend op de term 'verwend’ die Ter Horst enkele jaren later wel in de mond durft te nemen. Achter deze termen gaat een diepe breuk schuil. De klant die de bezuinigingen van de verzorgingsstaat moet mogelijk maken gaat ten koste van de burger die de basis heet te zijn van democratie.

ZO VALT DEZE korte geschiedenis van het burgerschap te lezen als de ontpolitisering, of ontburgering, van de nu zo vurig gewenste verantwoordelijke en zelfredzame burger. De omnipotente burger die de basis vormt van de ideale democratische verzorgingsstaat. Maar paradoxaal genoeg zijn burgers juist door die opkomende verzorgingsstaat van het hart van de publieke zaak naar de rand van de democratische afgrond geduwd om daar gedecimeerd te worden tot individualistische klanten. De zorgende staat vormde een vruchtbare bodem voor het toch al ruim aanwezige individualisme. De alom aanwezige markt, die niet zonder gearticuleerde individuele voorkeuren kan, maakte het decor compleet. De democratische verzorgingsstaat garandeerde vrijheid, gelijkheid en solidariteit in de vorm van gezondheid, onderwijs, sociale zekerheid voor iedereen. Ondertussen verleerden de zich ontplooiende individuen om gezamenlijke problemen gezamenlijk op te lossen en in toenemende mate om persoonlijke problemen persoonlijk op te lossen.
Hoe diep die crisis is, toont staatssecretaris Veldhuizen van Zanten van VWS wellicht onbewust aan. Dit voorjaar maakt ze bekend dat driehonderdduizend mensen hun zorgvergoeding zullen verliezen. Op die manier kan ze twee miljard euro bezuinigen. Nog maar tien procent van de 120.000 budgethouders zal zijn persoonsgebonden budget behouden. In de woorden van Veldhuizen van Zanten: 'In een zorgzame samenleving doen de buren ook boodschappen zonder betaling.’ Dat is precies wat ze deden voordat Terpstra in de jaren negentig het PGB introduceerde. In andere woorden: vijftien jaar geleden ging de rijksoverheid mensen betalen voor hun inspanningen voor de samenleving. En nu krijgen diezelfde mensen min of meer het verwijt dat ze dat niet meer gratis doen en verantwoordelijkheid moeten nemen.
Het illustreert de opvatting van filosoof Francis Fukuyama en socioloog Robert Putnam dat overheden heel goed in staat zijn om burgerschap af te breken, maar nauwelijks weten hoe ze het op moeten bouwen. De overheid is simpelweg niet toegerust om mensen sociale en individuele verantwoordelijkheid bij te brengen. Kortweg kunnen overheden wetten maken, subsidies verstrekken en mensen proberen te overtuigen met publiciteitscampagnes. Het effect van het laatste instrument is nihil. 'Fatsoen moet je doen’ en variaties worden als uitermate betuttelend ervaren. Het verstrekken van subsidies staat haaks op de gewenste bezuinigingen en vergroot de afhankelijkheid juist en individuele en sociale verantwoordelijkheid zijn nooit door de wet af te dwingen, zonder totalitair te worden.
Tegelijkertijd voelen gemeenten, die het grootste deel van de bezuinigingen moeten realiseren, wel aan dat de burger niet zo zelfredzaam is dat het simpelweg sluiten van de overheidsfabriek automatisch tot een publiek walhalla leidt. Aan de ene kant moeten ze wel vertrouwen op de burger, omdat ze moeten bezuinigen en minder kunnen gaan doen. Aan de andere kant willen ze wel blijven bepalen en beïnvloeden hoe de nieuwe burger zich moet gedragen. Plato’s schaduw reikt ver. Kunnen ze het wel zelf? Dat leidt in de praktijk tot merkwaardig beleid.
De Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) mag daarvan een goed voorbeeld heten. Actief burgerschap vormt het doel van de wet die gemeenten verantwoordelijk maakt voor het activeren van de burger, zodat er minder aan zorg hoeft te worden besteed. Gemeenten gaan 'welwillende burgers’ faciliteren, heet het fraai. Wie door de politieke boodschap heen prikt, ziet dat er iets anders gebeurt. De duurste delen van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), waar iedere Nederlander recht op heeft, worden vanaf 2007 structureel overgeheveld naar de WMO. Daarmee komt het recht op zorg te vervallen. Zo wordt een wet die bedoeld was om bijzondere ziektekosten te vergoeden (de AWBZ) vervangen door een zogenaamde participatiewet (de WMO). Zelfredzaam burgerschap om het schrappen van rechten op te vangen en bezuinigingen mogelijk te maken.
Hoe dat in de praktijk uitpakt valt in de WMO-plannen van de gemeente Rotterdam te lezen: 'Als een Rotterdammer ondersteuning nodig heeft om zelfredzaam te zijn of te kunnen participeren, dan kan hij in de eerste plaats kijken in hoeverre hij deze ondersteuning zelf, eventueel met hulp van zijn sociale netwerk, kan organiseren.’ De meeste gemeenten gebruiken dezelfde formule. Een medewerker van de gemeente zal de aanvrager wijzen op de mogelijkheid om problemen zelf op te lossen en daarbij assisteren. Concreet: een gemeenteambtenaar zal het sociale leven (vrienden, buren, familie) van de zelfredzame aanvrager nauwkeurig uittekenen en uitzoeken waar (nog) toegevoegde waarde zit. Dat kan het beste in de huiselijke omgeving, 'achter de keukentafel’. Expert Linders legt op de website van Movisie uit dat het doel van de WMO niet is dat dienstverleners mensen ondersteunen, maar, 'dat zij burgers dusdanig activeren dat zij minder (onnodig) aanspraak maken op voorzieningen van de overheid’. Het voornaamste doel van de WMO is dus om mensen geen aanspraak meer te laten maken op voorzieningen.
Vanuit dezelfde geachte stelt de Rotterdamse wethouder Kriens dat gehandicapte ouders met minder hulp in het huishouden toekunnen omdat kinderen vanaf een jaar of vijf prima zelf een boterham kunnen smeren, hun bed opmaken en assisteren bij andere huishoudelijke taken. Pedagogen zullen het ongetwijfeld met haar eens zijn, maar daar gaat het niet om. De potentiële zelfredzaamheid van kinderen wordt opgevoerd om bezuinigingen mogelijk te maken.

OOK DE KRACHTWIJKEN, die enkele jaren geleden volgens het rijk en de gemeenten nog miljoenen per jaar nodig hadden om aan gettovorming te ontsnappen, kunnen anno 2011 plots rekenen op de 'eigen kracht’ van de bewoners. In de nieuwe integratienota staat een pakket aan eisen voor nieuwe burgers. Maar het is wel hun eigen verantwoordelijkheid om daaraan te voldoen. De subsidie wordt gestopt.
De gemeente Arnhem combineert zelfredzaamheid, burgerschap en bezuinigen ook op een bijzondere wijze. In de Gelderse hoofdstad besluit het gemeentebestuur vijftig procent van de afvalbakken uit de stad te verwijderen, omdat het legen ervan te duur wordt. 'De vanzelfsprekendheid dat de gemeente alles schoonhoudt, is straks weg. Burgers zullen hun eigen afval op moeten ruimen’, stelt de wethouder. Daarnaast hoopt ze dat de maatregel 'zelfredzame burgers’ oplevert. Het zelf weggooien van eigen afval valt in de bezuinigingsdrift blijkbaar ook al onder burgerschap. De overheid trekt zich terug, maar wil blijven bepalen hoe de burger zich moet gedragen.
Ieder beleidsterrein kent inmiddels zijn eigen ideale burger. Burgers die de straat vegen, burgers die boodschappen doen voor hun zieke buurvrouw, burgers die Marokkaanse jongens aanspreken op hun gedrag, burgers die hun Afghaanse buurvrouw Nederlands leren, burgers die de leefbaarheid in de wijk vergroten, burgers die vrijwilligerswerk gaan doen als ze even geen betaald werk meer hebben. De burger doet precies zoals de beleidstheorie wil en het bezuinigingsdoel vereist. Burgers die hun nering sluiten voor allochtonen na acht keer te zijn beroofd, burgers die daders 'aan de digitale schandpaal nagelen’, burgers die knokploegen willen oprichten tegen overlast van Marokkanen, burgers die het gemeentehuis bezetten uit protest tegen een daklozenopvang, burgers die hun ouders in een bejaardentehuis dumpen, overlast veroorzaken, en hun kinderen verzuimen op te voeden - die komen daar niet in voor. Waar bezuinigd moet worden treffen we in beleidsplannen burgers die weinig tot geen publieke problemen veroorzaken, en als ze dat doen, ze gezamenlijk oplossen.
En precies daarin schuilt het verschil met andere tijden. De huidige roep om burgerschap klinkt immers aan het einde van een historisch ongeëvenaarde poging om burgerschap te ontwikkelen, en die we onze democratische verzorgingsstaat kunnen noemen. Maar blijkbaar heeft zestig jaar ontplooiing van het individu niet de zelfredzame burger opgeleverd die verwacht werd. Bovendien staan niet de burgers op de barricades voor meer vrijheden en verantwoordelijkheden, het is de overheid die roept dat burgers meer moeten doen. Tjeenk Willink legde onlangs uit dat burgerschap in Nederland altijd binnen de zuilen is gedefinieerd. Die rol lijken politici, beleidsmakers en uitvoerders nu van de zuilen, maar vooral van de burgers zelf te hebben overgenomen.
Daarbij gaat de overheid vooral uit van de functionele waarde van burgerschap voor het realiseren van beleidsdoelen (bezuinigen), niet van de intrinsieke waarde van burgerschap voor democratie. Het gaat de overheid immers niet in eerste instantie om het versterken van burgerschap als pijler van de democratische samenleving, zoals Thorbecke voor ogen had, maar om minder geld uit te geven. De maakbaarheid van de samenleving lijkt verschoven naar de maakbaarheid van de burger. Een zelfredzame burger die de doelstellingen moet verwezenlijken die de neoliberale overheid al twintig jaar formuleert: effectiever en efficiënter werken.
Maar naarmate de samenleving minder maakbaar bleek, nam het aantal regels, toezichthouders en controleurs toe. Te vrezen valt dat hetzelfde zal gebeuren rondom de zelfredzame en verantwoordelijke burger, als die niet aan de hoge verwachtingen blijkt te voldoen. Nu zien we al dat het uitvoerende apparaat dat jarenlang gewend was om burgers te helpen zich gaat toeleggen op het helpen van de burger om minder gebruik van de overheid te maken. Van achter de keukentafel, welteverstaan. Je hoeft geen Foucault-kenner te zijn om te voorspellen dat faciliteren in de nabije toekomst geruisloos over zal gaan in observeren, categoriseren, sanctioneren, kortom: disciplineren. Daarmee spint de overheid de burger verder in haar web. Dat betekent de verdere inkapseling van de democratische samenleving en de individuele vrijheid, door de overheid. Benjamin Constant zou zich omdraaien in zijn graf. De dienstverlenende geluksmachine mag dan stilstaan, de toezichthoudende, controlerende disciplineringsmachine draait gewoon verder en zal in de toekomst wellicht overuren gaan draaien.

MAAR DAT IS geen realistisch beleid, dat is het projecteren van de taken van een terugtredende overheid op de burgers waarvoor die overheid bedoeld was. Dat is geen oplossing voor praktische publieke problemen, dat is het centraal stellen van wensgedachten in theoretische ideaalmodellen. Dat is niet het stimuleren van sociale en individuele verantwoordelijkheid, maar het dogmatiseren van burgerschap in de hoop dat de nieuwe burger als een fenix uit het as der samenleving zal herrijzen.
Toch gaat de overheid op die weg voort. Dat is geen naïviteit of onkunde, maar komt vooral voort uit onvermogen. Onvermogen omdat het beleidsinstrumentarium onvoldoende is om de bezuinigingen te kunnen realiseren. Of scherper, alleen door de instrumenten wetgeving en subsidie niet meer in te zetten, kan de overheid bezuinigen. Het recht op zorg wordt ontmanteld in de WMO; de krachtwijken en inburgeringsinstellingen moeten het zonder subsidie zien te rooien. De burger moet dat verlies aan inzet compenseren en daarmee de bezuinigingen mogelijk maken.
Daarmee verwordt de zelfredzame burger van een sociaal-politiek construct tot een beleidsconstruct. Daarmee wordt burgerschap een beleidsconcept, en de burger een beleidsinstrument. Een beleidsinstrument ter vervanging van andere instrumenten zoals wetten en subsidies. Op die manier annexeert de overheid burgerschap ten koste van de fundamenten van de democratische samenleving waartoe het
ooit behoorde. En daarmee is de individuele en sociaal verantwoordelijke burger verder weg dan ooit.


Albert Jan Kruiter (1976) onderzocht het afgelopen decennium de Nederlandse democratische verzorgingsstaat. In 2010 resulteerde dat in Mild despotisme (Van Gennep), een bewerking van zijn proefschrift waarin hij de hedendaagse democratie en verzorgingsstaat bestudeert door de ogen van Alexis de Tocqueville. Daarnaast is hij oprichter van het Instituut voor Publieke Waarden. Eerder werkte hij voor de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur en het Centre for Government Studies van de Universiteit Leiden. Voor De Groene gaat hij op zoek naar een antwoord op de vraag: hoe democratisch zijn we eigenlijk? In een serie essays verkent Kruiter de grondbeginselen van democratie. Onder meer burgerschap, checks and balances, willekeur, middenveld, representatie en vrijheid, gelijkheid en broederschap zullen de revue passeren. Steeds vraagt hij zich af wat ze vandaag de dag betekenen, en of ze nog bijdragen aan de kwaliteit van democratie en verzorgingsstaat.