Zelf lezen

In 1978 veegde Karel van het Reve in zijn Huizingalezing de literatuurwetenschap van tafel. De collegebanken trillen nog steeds na. Is die wetenschap inderdaad zo waardeloos?

Karel van het Reve, Verzameld Werk 4: Uren met Henk Broekhuis, Het raadsel van de onleesbaarheid, Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes, artikelen, columns, kritieken. € 45,-

8 december 1978 was een traumatische dag voor de literatuurwetenschap. Het was de dag waarop Karel van het Reve in de Pieterskerk in Leiden zijn beroemde Johan Huizingalezing gaf, getiteld Het raadsel der onleesbaarheid, een nietsontziende kritiek op deze academische discipline. Dat hij een gevoelige snaar had geraakt, bewezen de vele reacties, door Van het Reve zelf geïnventariseerd in het artikel Wat waren ze kwaad, dat samen met de lezing werd opgenomen in de bundel Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes (1979). De kritiek op Van het Reve kwam vanuit alle hoeken, was heftig en niet zelden op de persoon. Zelfs de zelfmoord van een Nijmeegse neerlandicus, enkele jaren later, werd in verband gebracht met de manier waarop Van het Reve met diens boek over Multatuli had afgerekend. Want had hij niet in zijn lezing gezegd dat hij niet begreep ‘hoe iemand die zo'n zin opgeschreven heeft zich niet dezelfde avond nog verhangt’?
Vermoedelijk gaat bij menige literatuurwetenschapper het horen van de naam van Van het Reve nog altijd gepaard met een lichte huivering. Arnon Grunberg vertelt in zijn essay over Van het Reve, Karel heeft echt bestaan, dat hij bij gastcolleges studenten nog steeds met de Huizingalezing op de kast kon jagen. 'Om nu een tekst te schrijven, zonder antisemitisme of pedofilie toe te juichen, die over veertig jaar nog steeds mensen kwaad maakt, dat is knap’, aldus Grunberg. Dat is het zeker, en het is dan ook goed nieuws dat deze maand de Huizingalezing opnieuw is verschenen in deel 4 van het Verzameld werk.
De lezing is nog altijd zeer lezenswaardig, met name door de voor Van het Reve zo kenmerkende ironische stijl. Maar Van het Reve schreef niet in de eerste plaats om genoten te worden. Daarom is het, ook nu nog, interessant te kijken naar de argumenten die Van het Reve gebruikte om de literatuurwetenschap van tafel te vegen. Is de literatuurwetenschap inderdaad zo waardeloos als hij ons vertelde?
Karel van het Reve werd door zijn broertje Gerard vaak spottend diens 'geleerde halfbroer’ genoemd. Niettemin kunnen we ook in het werk van Karel een soort intellectuele zelfhaat herkennen. Hij beroept zich niet zelden op het 'gezond verstand’, en doet zich vaak onnozeler voor dan hij is. In een van de radiocolumns in Luisteraars! schrijft hij dat hij Shakespeare vooral zo bewondert omdat die ook maar 'wat aanknoeide’. Dit wantrouwen tegen intellectualisme en wollig taalgebruik kan erg gezond zijn, maar dreigt soms door te slaan in een extreme vorm van egalitarisme - paradoxaal genoeg een kenmerk dat hij deelt met het door hem zo gehate communisme.
Dit gelijkheidsdenken komt vooral tot uiting in een van de centrale vragen uit Het raadsel der onleesbaarheid: waarom hebben we een literatuurwetenschap nodig, als we die boeken allemaal ook zelf kunnen lezen? Van het Reve schrijft: 'Die boeken, die toneelstukken, die verhalen, die gedichten zijn geschreven om door het publiek gelezen te worden zonder uitleg.’ En in de inleiding van Geschiedenis van de Russische literatuur (1985), waar hij zijn aanval nog eens dunnetjes overdeed, lezen we: 'Maar als wat Tolstoj schrijft verklaard moet worden, als wat Tolstoj schrijft iets betekent dat door Jansen moet worden uitgelegd, waarom heeft Tolstoj dan al die moeite gedaan? Had hij dan niet veel beter meteen kunnen zeggen wat hij bedoelde?’ Volgens Van het Reve zijn boeken over literatuur dan ook overbodig. De enige geldige reden dat zijn eigen Geschiedenis bestaat, is 'de aardigheid die de schrijver heeft gehad in het maken en die de lezer zou kunnen hebben bij het lezen. De rest is onzin.’
Ik denk dat Van het Reve de lezer overschat en de literatuurwetenschapper of -historicus onderschat. Ik ben ervan overtuigd dat het schrijven en lezen over literatuur bijzonder verhelderend kan zijn, en niet iets is wat je alleen voor 'de aardigheid’ doet. Van het Reve’s opvatting dat literatuur niet meer betekent dan wat er staat, lijkt me een miskenning van zowel de literatuur als de literatuurwetenschapper. Om dat aan te tonen moeten we echter antwoord geven op Van het Reve’s quasi-naïeve vraag: waarom lezen we over literatuur?
Een eerste, basale reden, kan al bestaan in de afstand - in tijd of in ruimte - die ons van het werk scheidt. Van het Reve zegt dat de boeken en verhalen zijn geschreven om door het publiek gelezen te worden zonder uitleg. Daarbij dringt zich onmiddellijk de vraag op: welk publiek? Want het publiek dat tegenwoordig Dante, Shakespeare of Cervantes leest, is niet meer hetzelfde publiek als uit de tijd dat deze schrijvers leefden. Wat er 'letterlijk’ staat kan kennis zijn die door de auteur als gemeengoed werd beschouwd, maar die dat met het verstrijken der jaren niet meer is. Die kennis kan verschillen van heel triviale zaken als de Russische inrichting van het openbaar bestuur, die in sommige negentiende-eeuwse romans een belangrijke rol speelt. Maar ook als het gaat om de verwijzingen naar bijbelse, historische of mythologische figuren kan een literatuurwetenschapper behulpzaam zijn. Dante kon de vele figuren in De goddelijke komedie voor zijn publiek als bekend veronderstellen; voor een hedendaags publiek kan dat niet meer.
Van het Reve bespreekt en verwerpt dit argument in zijn dialoog Bestaat er een literatuurwetenschap?, door te wijzen op een negentiende-eeuws Pools gedicht dat hem zeer geroerd had, hoewel hij niets van Polen in de napoleontische tijd afwist. Men kan zich dit soort voorbeelden inderdaad voorstellen, maar evenzeer bestaan er veel werken - en vermoedelijk in proza meer nog dan in poëzie - waar enige kennis van de historische en/of artistieke context voor een groter tekstbegrip kan zorgen.
Op een tweede niveau kan het nuttig zijn om te lezen over literatuur om meer te weten te komen over symboliek of over thema’s en motieven, die er door een auteur welbewust ingestopt zijn. In Anna Karenina komt bijvoorbeeld op bepaalde cruciale ogenblikken een trein voor. Als er inderdaad alleen maar staat wat er staat, zoals Van het Reve lijkt te beweren, is er slechts sprake van meerdere treinen op meerdere momenten. Maar is het zo vergezocht om te beweren dat Tolstoj met deze herhaling een bedoeling heeft gehad? En kan het dan niet een interessante discussie opleveren welke bedoeling dit geweest zou kunnen zijn?
Van het Reve was geen liefhebber van deze zoektocht naar symbolen, hoewel hij het bestaan van symboliek niet ontkent. Maar, zo vraagt hij, als de 'echte’ betekenis zoveel belangrijker is, waarom had de schrijver dan niet direct kunnen zeggen wat hij bedoelde? Een antwoord zou kunnen zijn dat dat vermoedelijk zeer saaie literatuur zou hebben opgeleverd. Niettemin heb ik begrip voor Van het Reve’s bezwaren tegen een interpretatiepraktijk waarin de schrijver puzzels bedenkt, waarna de interpreten uitzoeken wat hij 'eigenlijk’ bedoeld zou hebben. Deze vorm van interpretatie lijkt soms een soort speurtocht voor gevorderden, en niet de meest interessante.
Interessanter voor de literatuurwetenschapper is wat de schrijver niet 'bedoeld’ heeft, maar wat achter zijn rug om het werk is binnengeslopen. Men hoeft niet per se freudiaan te zijn om te denken dat het ik geen baas in eigen huis is. Denk alleen al aan de overgeleverde literaire genres, conventies, vormen en technieken. Van het Reve ontkent niet dat er 'ontwikkeling’ en 'invloed’ bestaan, maar wel dat beide van belang zouden zijn voor een goed begrip van een literair werk.
Dat lijkt mij een onhoudbare claim. Er is al vaak geconstateerd dat de roman een betrekkelijk jonge vorm is, die onder specifieke sociaal-historische condities heeft kunnen ontstaan, en sindsdien voortdurend in ontwikkeling is geweest: van de brievenroman tot romantiek, van het realisme tot de psychologische roman. Net zo min als Van het Reve wil ik ontwikkeling met vooruitgang gelijkstellen; maar dat is juist onmogelijk omdat het geen autonome beweging betreft. Ontwikkelingen in de literatuur kunnen vaak alleen begrepen worden als men ook de bredere maatschappelijke context in ogenschouw neemt. Het naturalisme in de negentiende eeuw, bijvoorbeeld, moet niet alleen begrepen worden als een reactie op de Romantiek, maar hangt ook nauw samen met de ontwikkelingen in de sociale wetenschappen. Om een surrealistische roman als Bretons Nadja goed te begrijpen, moet men iets weten van het dadaïsme en van de dichter Apollinaire, maar ook van de psychoanalyse en de Eerste Wereldoorlog. Romans kunnen beschouwd worden als antwoorden op prangende vragen uit de maatschappij, de wetenschap en de literatuur zelf. Natuurlijk zijn er binnen de romankunst, of binnen het naturalisme en het surrealisme, geslaagde en minder geslaagde romans geschreven, en Van het Reve heeft gelijk als hij zegt dat alleen die romans leesbaar blijven die zich ook aan hun context kunnen onttrekken. Maar dat betekent niet dat deze context irrelevant wordt voor een beter tekstbegrip.
Naast de begrippen 'ontwikkeling’ en 'invloed’ laakt Van het Reve met name de veronderstelling van en het onderzoek naar een aan het literaire werk ten grondslag liggende structuur. Dit is een van zijn sterkste argumenten: het ontdekken van de structuur van een literair werk heeft geen toegevoegde waarde, omdat een slechte roman dezelfde structuur kan hebben als een goede roman. Dat lijkt zeker te kloppen: Bridget Jones’s Diary heeft dezelfde structuur als Pride & Prejudice, en vele slechte tienerfilms hebben dezelfde structuur als Romeo & Juliet. Auteurs van doktersromans, 'literaire’ thrillers en dergelijke blinken uit in de eeuwige herhaling van dezelfde structuren.
Maar Van het Reve’s argument behoeft twee nuanceringen. Ten eerste dat een structuur ooit ontwikkeld moet worden. Een werk kan van goede kwaliteit zijn, omdat het een 'nieuwe’ structuur ontwikkelt; bijvoorbeeld Edgar Allan Poe, wiens C. August Dupin-verhalen eindeloos door detectiveschrijvers gekopieerd zijn. Het zijn vaak de grootste werken geweest die genres geschapen of juist vernietigd hebben. Daarnaast wordt de kwaliteit van een literair werk wel degelijk bepaald door de manier waarop een bepaalde structuur uitgewerkt wordt. Ik ben het met Van het Reve eens dat de structuur alleen niets zegt over de kwaliteit van het werk, maar ik denk dat het wel een instrument kan zijn waarmee een werk geanalyseerd en beoordeeld kan worden.
We moeten de strategische inzet van Van het Reve’s aanval op de literatuurwetenschap waarderen: hij is terecht op zijn hoede voor interpretaties die het werk zelf opzij willen schuiven en willen vervangen door iets 'echters’, of dit nou de 'structuur’, het driftleven van de auteur, of de geschiedenis is. Zijn aanval lijkt hiermee sterk op het essay Against Interpretation (1964) van Susan Sontag. Ook zij verwijt kunsttheoretici dat zij geen genoegen kunnen nemen met wat ze zien, maar dieper graven naar wat er 'echt’ bedoeld wordt. In zijn onlangs verschenen boek Only a Promise of Happiness (2007) zet ook Alexander Nehamas het onderscheid tussen de 'onmiddellijke’ betekenis en de interpretatie op de helling. Want waar houdt de ene op en begint de andere? Melville’s Moby Dick is een boek over een man die een vis wil vangen. Dat is wat er staat, dus daarmee zijn we veilig. Een stap verder: het gaat over een man die uit wraak voor zijn verloren been een vis wil vangen. Vooruit. Dan: het gaat over een man wiens wraak op een vis een obsessie wordt. Wordt al twijfelachtig. Het gaat over het gevaar van monomanie. Dat lijkt al verdacht veel op een interpretatie. Kortom: de scheidslijn tussen wat er staat en wat interpretatie is, is niet zo duidelijk als Van het Reve haar trekken wil. Net als in het 'echte leven’ zullen we de daden van een romanpersonage direct gaan relateren aan bepaalde gevoelens, motieven, zelfs wanneer die niet direct beschreven worden. Uiteraard, wanneer je zegt dat Moby Dick 'echt’ gaat over de strijd van de arbeider tegen het internationale oliekapitaal wordt het zeer problematisch. Maar dat bepaalde motieven een belangrijke rol spelen - wraak, straf, macht en leiderschap - staat buiten kijf.
Van het Reve ziet het als een zwakte van de literatuurwetenschap dat er vele interpretaties mogelijk zijn. Dit lijkt mij juist eerder een kracht: het ontwaren van steeds weer andere betekenissen houdt een werk in leven. Hegels interpretatie van Sophocles’ Antigone verschilde drastisch van zijn voorgangers, en is met een kwaad woord anachronistisch te noemen; maar zij bood wel een nieuw perspectief op zowel het toneelstuk als op Hegels tijd. Een goede interpretatie drukt de 'onmiddellijke’ betekenis ook niet weg, maar vormt er in het ideale geval juist een verrijking van.
Een belangrijk bezwaar van Van het Reve tegen de literatuurwetenschap is dat het volgens hem helemaal geen wetenschap is. Wetenschappers, zo betoogt hij, 'beweren dingen die voor alle lijnen van een bepaalde soort gelden, voor alle stukken ijzer, voor alle glazen water. En zulke uitspraken ken ik eigenlijk niet over de literatuur.’ Bovendien moeten wetenschappelijke uitspraken falsificeerbaar zijn, of, zoals Van het Reve het formuleert: 'Een wetenschappelijke uitspraak is een uitspraak die een bepaalde, duidelijke, goed beschrijfbare, voorstelbare situatie verbiedt.’ Hiermee miskent hij een methodologisch onderscheid tussen de natuurwetenschappen en de geesteswetenschappen dat al sinds het begin van de negentiende eeuw bestaat, namelijk het onderscheid tussen empirische en hermeneutische methoden. Bij de laatste gaat het niet zozeer om het (causaal) verklaren, als wel om het begrijpen. Geschiedenis, psychologie en sociologie vallen dan ook buiten Van het Reve’s enge definitie van wetenschap, hetgeen overigens volgens hem niet betekent dat ze alleen maar onzin beweren.
Maar misschien kunnen we Van het Reve hierin net zo goed tegemoet komen: waarom zouden we spreken over een literatuurwetenschap, en niet gewoon over literatuurkritiek? Dat ontslaat de literatuurwetenschap onmiddellijk van de noodzaak tot wetenschapsfilosofische en methodologische exercities, en van al die pretenties waar Van het Reve zich aan ergert. (Aan de Angelsaksische universiteiten spreekt men trouwens niet over literatuurwetenschappen, maar over literary criticism, literary theory of comparative literature.) Men zou hier tegenin kunnen brengen dat literatuurwetenschap objectieve beschrijvingen probeert te geven en niet, zoals de literatuurkritiek, een beoordeling van werken. Maar deze doelstelling, waarover ook binnen de literatuurwetenschap de meningen zeer verdeeld zijn, is precies het probleem. Van het Reve schrijft dat de centrale vraag van de literatuurwetenschap zou moeten zijn: 'Hoe kun je van een goed boek een beschrijving maken (…) zonder dat die beschrijving ook zou kunnen slaan op een waardeloos boek?’ Aan deze vraag heeft de literatuurwetenschap zich inderdaad te weinig gelegen gelaten. Maar deze vraag kan ook niet beantwoord worden als de literatuurwetenschap zichzelf modelleert naar een popperiaanse definitie van wetenschap, waarin wordt gestreefd naar algemene, objectieve uitspraken. Alleen door te verzinken in het individuele werk kan beoordeeld worden of het kwaliteit heeft. Dat is de taak van de criticus. Maar kritiek bedrijven betekent uiteraard niet hetzelfde als recensies schrijven: de literaire kritiek beoordeelt niet alleen, maar legt ook thema’s en motieven bloot, heeft aandacht voor de relatie tussen vorm en inhoud, en kan het werk plaatsen in nieuwe (literaire, historische of politieke) contexten.
Op deze manier bedrijft Karel van het Reve in feite zelf literaire kritiek in de prachtige opstellen uit Rusland voor beginners (1962, nu in deel 2 van het Verzameld werk). Hierin staan beschouwingen over het werk van onder anderen Toergenjev, Tolstoj en Tsjechov die daadwerkelijk meer inzicht verschaffen in hun werk. Zo bespreekt Van het Reve de manier waarop de hoofdpersonen van Vaders en zonen zich tot elkaar verhouden, en concludeert daaruit dat men het drama onmogelijk tot een generatieconflict kan reduceren. En hij schrijft zeer inzichtelijk over de manier waarop feit en fictie door elkaar lopen in Tolstojs oeuvre. Naar dit soort beschouwingen zoekt men tevergeefs in het latere Geschiedenis van de Russische literatuur, dat vaak, en mijns inziens ten onrechte, zijn hoofdwerk genoemd wordt; want daarin vindt men vrijwel uitsluitend biografische gegevens, samenvattingen van plots en citaten uit brieven. 'Waarom boeken lezen over literatuur als je die literatuur zelf kunt lezen?’ vraagt Van het Reve zich af in de inleiding van Geschiedenis. Lees de kritieken van de jongere Van het Reve en u weet het antwoord.


Karel van het Reve
Verzameld werk 4
Van Oorschot, 1024 blz., € 45,-Thijs Lijster promoveert aan de filosofiefaculteit in Groningen op een onderzoek naar de functie van kunst en kunstkritiek in de maatschappij aan de hand van het werk van Walter Benjamin en Theodor W. Adorno