Essay - De pijn die liefde is

Zelf moeder worden

Bijna een jaar geleden stierf de moeder van Arnon Grunberg. Hij had vanaf zijn kleutertijd op haar gewacht, en doet dat nu eigenlijk nog steeds. Je wacht op liefde en de dood komt.

Medium grunberg 20moeder 20op 20maat

Mijn moeder stierf op 9 februari 2015 in de avond in hetzelfde ziekenhuis, de VU in Amsterdam, waar ze in de jaren zeventig enkele weken had gelegen toen ze was aangereden door een auto op de hoek van de Scheldestraat en de Deurloostraat. Ik zat toen op de kleuterschool, een Montessorischool, en wij kleuters moesten op de trap zitten tot een ouder of verzorger was verschenen om ons af te halen.

De dag dat mijn moeder het auto-ongeluk had bleef ik als laatste op de trap zitten, ik had de kleuters één voor één zien verdwijnen. Mijn moeder was nooit de eerste moeder die verscheen, maar zo laat was ongebruikelijk. Na lange tijd zei de juffrouw, Ems Acohen: ‘Ik breng je naar huis.’

Wat er aan de hand was wist ik toen nog niet, maar dat er iets niet klopte was me duidelijk. Dit is mijn eerste bewuste herinnering aan mijn moeder, alle andere herinneringen zijn verhalen die mij later door haar zijn verteld.

Mijn eerste herinnering aan haar is er dus een waarin zijzelf niet voorkomt. Ik herinner me haar afwezigheid, het wachten op haar komst, en de dreiging van het noodlot dat haar komst verhinderde.

Mijn moeder heeft me altijd voorgehouden: ‘Wij hebben zo verschrikkelijk op je gewacht.’ Tussen mijn zus, die in 1963 is geboren, en mij, ik ben in 1971 geboren, zaten acht miskramen. Dat mijn moeder en mijn zus op mij hebben gewacht, en mijn vader ook, hoewel hij in de verhalen nauwelijks voorkwam, alsof hij niet echt op me wachtte, althans minder dan de andere familieleden, wil ik graag geloven, maar het omgekeerde is net zo waar. Ik heb op mijn moeder gewacht, zittend op de trap van de kleuterschool in de Albrecht Dürerstraat. En in zekere zin zou ik moeten zeggen dat ik nog steeds op haar wacht. Nu meer dan ooit.

Als kleuter werd ik naar een kinderpsychiater gestuurd omdat ik slaapproblemen zou hebben. Ik kan me daar zelf niets van herinneren, maar zo is het mij verteld. De kinderpsychiater had mij onderzocht en zou gezegd hebben: ‘Met dat kind is niets aan de hand, laat de ouders maar komen.’

Dat deden mijn ouders en niet lang daarna raakten ze bevriend met de kinderpsychiater. Typisch iets voor mijn ouders. Eens in de zoveel maanden kwam de kinderpsychiater met zijn gezin bij ons eten en eens in de zoveel maanden gingen we naar de psychiatrische inrichting in Santpoort, waar hij woonde, om daar met zijn gezin te eten. Hoe mijn ouders dit voor elkaar hebben gekregen weet ik niet; ik neem aan dat het voor een psychiater nogal ongebruikelijk is om met zijn cliënten, of patiënten zo men wil, bevriend te raken.

Volgens mijn moeder, dit is wederom een herinnering uit tweede hand, zou ik slaapproblemen hebben gekregen omdat ze regelmatig dreigde mij te verlaten aangezien ik onhandelbaar zou zijn. Ik kan me van die dreigementen niets herinneren. Dat ik onhandelbaar was in de ogen van mijn moeder zou waar kunnen zijn, maar ik kan me niet herinneren dat die werkelijke of vermeende onhandelbaarheid tot gebrek aan moederlijke liefde zou hebben geleid, integendeel.

Later, dat staat me nog goed bij, dreigde ze regelmatig haar gezin te verlaten en naar haar tante in Buenos Aires te gaan, maar ze deed het nooit. En ik wist al vrij jong dat die dreigementen loos waren. Buenos Aires werd een mythische plek, de plek waar mijn moeder heen wilde maar waar ze nooit heen zou gaan.

***

Wat ik me wel herinner uit mijn kleutertijd is dat ik het prettig vond dat mijn moeder in mijn kamer sliep en niet bij mijn vader. Daartoe was ze bereid omdat ik zoals gezegd slaapproblemen had. Ik kon alleen slapen, en nogmaals, dit zijn haar woorden, als ik wist dat mijn moeder later in de avond of in de vroege ochtend bij me zou komen liggen. Dat deed ze, ze kwam naast me op de grond liggen op een rode stretcher met bloemetjes. Ik kan me niet echt herinneren dat ik mijn moeder daadwerkelijk op die stretcher heb zien slapen, maar de stretcher zelf kan ik me nog zeer goed herinneren; meer dan wat dan ook is die stretcher symbool voor mijn moeder, of misschien zou ik zelfs moeten zeggen: die stretcher is mijn moeder.

Op één keer na, toen ik midden in de nacht wakker werd om te plassen, toen heb ik haar op de stretcher zien liggen. In haar nachthemd. Ik ging niet naar de wc, want ik was bang voor de wc, maar ik mocht plassen in een oranje emmertje met een wit hengsel. Dat emmertje stond altijd naast mijn bed en het ging ook mee op vakantie. Ik werd wakker, plaste in mijn emmertje, terwijl mijn moeder op haar stretcher lag.

Als ik mij een symbool van veiligheid uit mijn vroegste jeugd voor de geest haal, is het de oranje emmer met het witte hengsel. Poepen deed ik op een wit potje in de woonkamer, tot op hoge leeftijd, misschien wel mijn negende of tiende. Ik was vroeg zindelijk, maar de wc boycotte ik. Mijn zus pestte mij daarmee. Je zou kunnen zeggen dat ik een wc voor mezelf wilde, dat ik het toilet niet wenste te delen met de overige gezinsleden en al helemaal niet met vreemden.

Het valt me op dat in mijn meest levendige, vroegste herinneringen mijn moeder aanwezig was op een afwezige manier. Ik zie de oranje emmer voor me, de stretcher, maar ze ligt er niet op, de trap van de kleuterschool waarop ik zit te wachten, mijn moeder zie ik nergens of uiterst vaag, als een schim. Terwijl ik zeker weet dat mijn moeder, die toen niet meer werkte, in werkelijkheid zeer aanwezig was; ze bekommerde zich fulltime om het gezin, de kinderen en met name om het jongste kind, mij dus. Ik zie de Tupperware-beker die ze bij zich had als ze mij afhaalde van school en waarin uitgeperst sinaasappelsap zat scherp voor me. Ik zie de rode schaal waarin het deeg zat voor cake; mijn moeder was geen goede kok, maar ze kon uitstekend taarten bakken. Zelf blijft ze een droombeeld, haar fiets is scherper te zien dan zij.

Het valt me op dat in mijn meest levendige, vroegste herinneringen mijn moeder aanwezig was op een afwezige manier
***

De uitdrukking ‘met het kind is niets aan de hand, laat de ouders maar komen’ werd een running gag in het gezin en werd door mijn beide ouders met trots herhaald. Waarop zij precies trots waren weet ik niet. Dat er met mij niets aan de hand was of dat er met hen wel iets aan de hand was? Misschien waren ze verrukt dat zij in staat waren een kind voort te brengen met wie volgens deskundigen niets aan de hand was. Een klein wonder.

Voor mij had die zin ook iets bedreigends. Ik was het kind met wie niets aan de hand was, maar wilde ik dat wel zijn? En wat betekende het dat er met mijn ouders wél iets aan de hand zou kunnen zijn? Dat kon er alleen op duiden dat ik fundamenteel anders was dan mijn ouders.

Van het woord ‘niets’ ging, maar dat is interpretatie achteraf, een dreiging uit, een onheilspellende leegte. Als er niets met je aan de hand is moet je zelf ook wel niets zijn.

Toch heb ik gaandeweg deze gevleugelde uitdrukking tot onderdeel van mijn identiteit gemaakt, in positieve zin: met mij is niets aan de hand. Als deze tekst van iets wil getuigen, voorzover ik iets kan en mag zeggen over de intenties daarvan, dan toch wel daarvan, dat er met mij niets aan de hand is.

Van het kind met wie niets aan de hand was, ben ik de man geworden met wie niets aan de hand is en ik ben eigenlijk vast voornemens dat tot het eind van mijn leven te blijven.

Toen ik zo rond mijn vijftiende mijn middelbare school niet af wilde maken ben ik door leraren en ouders wederom naar hulpverleners gestuurd. Eerst naar een psycholoog. Ik vertelde hem volstrekt verzonnen verhalen over een meisje dat zelfmoord had gepleegd. Het meisje bestond niet en haar zelfmoord dus evenmin, maar ik was erg onder de indruk van mijn eigen verhalen. Of de psycholoog dat ook was weet ik niet, hij zei weinig tot niets. Wat ik me vooral herinner is een doos met tissues die op een kleine tafel stond tussen de psycholoog en mij in. Ik had het gevoel dat er van mij verwacht werd dat ik zou gaan huilen, dat het bij het rollenspel hoorde dat wij beiden opvoerden. Maar huilen ging me te ver, ook aan een rollenspel zitten grenzen.

Omdat de psycholoog niet de gewenste effecten had bereikt, betere resultaten op school, werd ik naar een psychiater gestuurd die meer zei dan de psycholoog en ook wat strenger was. Hij zorgde ervoor dat ik niet in dienst hoefde en na vijf of zes keer met mij gesproken te hebben gaf hij me het dringende advies om bij mijn ouders weg te gaan. Ook hij leek met zoveel woorden te bevestigen wat de kinderpsychiater op mijn derde al had gezegd: met mij is niets aan de hand.

Op een gegeven moment verscheen ik niet op een consult. Ik heb daarna nooit behoorlijk afscheid van hem genomen, iets waar ik me toch schuldig over voelde. Toen ik de psychiater een paar jaar geleden bij toeval ontmoette, leek het me verstandig, zij het wat verlaat, afscheid van hem te nemen. Ik maakte een afspraak om koffie te gaan drinken. Hij was inmiddels geen psychiater meer maar coach – ik weet niet precies wat het verschil was tussen een coach en een psychiater, maar ik had sterk de indruk dat een coach beter verdiende – en toen we dan eindelijk na ruim twintig jaar de behandeling voor beëindigd verklaarden, zei hij: ‘Het verbaasde me niet dat iemand die geen afscheid van zijn moeder kon nemen ook geen afscheid van mij kon nemen.’

Ik kon me niet helemaal in deze analyse vinden. Naar mijn gevoel had ik wel degelijk afscheid van mijn moeder genomen, ik had met haar gevochten, ik was naar New York gegaan, ik had de plannen van mijn ouders – een wetenschapper worden en met een joodse vrouw trouwen – niet verwezenlijkt; nee, het afscheid nemen was een geslaagde operatie geweest. Niet zonder moeite, maar de mooiste operaties zijn de moeizaamste operaties.

***

Op die avond van 9 februari 2015 zat ik te dineren in een Japans restaurant in de Maasstraat in Amsterdam, niet ver van de Dintelstraat, waar ik ben opgegroeid, met een expert op het gebied van cyber security vanwege een artikel dat ik over cyber security zou gaan schrijven. Tijdens het voorgerecht belde mijn zus, zij woont al ruim dertig jaar in Israël, maar ze was op bezoek met haar oudste dochter en twee kleinkinderen; alles was goed met mijn moeder in het ziekenhuis, het zuurstofgehalte in mijn moeders bloed was omhoog aan het gaan. Tijdens het hoofdgerecht werd ik weer gebeld door mijn zus. We moesten onmiddellijk naar het ziekenhuis komen, het ging niet goed met mijn moeder.

Ik wist toen al dat ze dood was.

Ik herinnerde me een zondagavond aan het begin van de jaren negentig. Ik was in dienst van een uitgeverij van theaterboeken, de itfb, en was nog wat gaan werken op kantoor, ik had de sleutel. Omdat ik wachtte op een bericht van een vrouw – ik wachtte altijd op berichten van vrouwen – belde ik mijn antwoordapparaat, het was de tijd van voor de mobiele telefoon, om te horen wie er allemaal hadden ingesproken. Geen vrouw die mij de liefde verklaarde, alleen mijn moeder die kalm zei: ‘Je vader is dood. Je moet naar het ziekenhuis komen.’

Je wacht op liefde en de dood komt. Dat vat het leven samen, de krankzinnige schoonheid ervan, de absurde hoop, de ondoorgrondelijke hartstocht waarmee dit wachten dikwijls gepaard gaat.

Als mijn moeder mij iets heeft geleerd is het wel om me razendsnel te hechten en ook razendsnel weer te onthechten

Mijn zus rende op 9 februari 2015 de trappen van het VU-ziekenhuis omhoog en ik dacht, wat dwaas, dat hoeft niet meer. Ik had mij al van de situatie gedistantieerd. Toen mijn zus naast mijn dode moeder vreselijk begon te huilen stelde ik in mijn hoofd de column over de dood van mijn moeder samen die ik de volgende dag voor de Volkskrant zou gaan schrijven. Dat mag emotieloos klinken, maar emotieloos zou geen recht doen aan de complexiteit van mijn gevoelens. Als mijn moeder mij iets heeft geleerd is het wel om me razendsnel te hechten en ook razendsnel weer te onthechten. Ik kan me hechten in vijf minuten, maar ik ben in dertig seconden ook weer onthecht.

Slechts in uitzonderlijke gevallen lukt het niet of duurt het jaren, en als ik mijn relatie met mijn moeder en met andere vrouwen zou moeten omschrijven zou ik zeggen: een voortdurend, al dan niet speels proces van extreme hechting en extreme onthechting, tot de extremiteit van de onthechting hernieuwde hechting onmogelijk maakt.

***

De dood is vermoedelijk de extreemste vorm van onthechting die mogelijk is, toch ben ik me van geen rouwproces bewust geweest. Want hoe kun je rouwen om iemand op wie je wacht?

De christenen rouwen niet zozeer om Jezus, ze wachten op zijn terugkeer. De joden rouwen niet om de Messias, ze wachten op zijn komst.

De avond van de negende februari schreef ik op mijn weblog dat ik nu zelf moeder moest worden. Wat zou dat betekenen, zelf moeder worden, is een vraag die ik mij de afgelopen maanden bij tijd en wijle heb gesteld en die nu maar eens beantwoord moet worden.

Je zou kunnen zeggen dat ik tot nu, ik ben een man van 44, op die trap van de kleuterschool in de Albrecht Dürerstraat ben blijven zitten, wachtend op mijn moeder. Af en toe verscheen een juffrouw die zei me naar huis te zullen brengen, maar ik keerde steeds weer terug naar de trappen van de kleuterschool met een hardnekkigheid die misschien niet van waardigheid is te onderscheiden. Men zou kunnen beweren dat het tijd wordt die trap te verlaten, maar ik geloof niet dat ik daartoe bereid ben. Het is een vruchtbare plek gebleken, ik heb er diverse boeken geschreven, ik heb er gereisd, ik heb er geleefd. Het is mijn thuis geworden.

Alleen nu ik zelf mijn moeder ben geworden kan ik niet meer zeggen dat ik op haar wacht. Ik wacht op mezelf.

Het kan niet onvermeld blijven dat mijn beide ouders de oorlog hebben overleefd. Mijn moeder in diverse kampen, mijn vader op diverse onderduikadressen.

Ik wil mijn moeder niet reduceren tot het kamp, tegelijkertijd kan ik haar niet los zien van het kamp. En misschien zijn drie belangrijke lessen die ik van mijn ouders heb geleerd ook niet geheel daarvan los te zien. Pijn is communicatie. Pijn is intimiteit. Pijn is liefde.

Ik ben bemind en ik heb bemind wil altijd ook zeggen: ik ben gepijnigd en ik heb gepijnigd. Maakt dit van de minnaar een psychopaat? Moeten wij misschien zeggen: met de psychopaat is niets aan de hand?

Ik zal deze vragen onbeantwoord laten.

Mijn moeder bleef tot vlak voor haar dood benadrukken hoe verleidelijk ze was als meisje, en dat deze verleidelijkheid in niet geringe mate heeft bijgedragen aan haar overleven. ‘De moordenaars glimlachten naar me’, zei ze. De laatste jaren herhaalde ze deze zin soms wekelijks, soms ook dagelijks. Alsof ze nog altijd niet kon geloven dat de moordenaars naar haar glimlachten. Alsof ze dacht dat alleen moordenaars naar haar konden glimlachen. Alsof de moordenaars maar naar haar bleven glimlachen.

Zelf moeder worden betekent ook zelf verleider worden. En wie anders dan de lezer moet de schrijver verleiden?

Ik ben de schrijver die in het oor van de lezer fluistert: ‘Als het pijn doet, is het liefde.’