Zelf nadenken

Isaiah Berlin
Political Ideas in the Romantic Age: Their Rise and Influence on Modern Thought
Chatto & Windus, 292 blz., e 42,95

Isaiah Berlin & Beata Polanowska-SygulskaUnfinished Dialogue
Prometheus Books, 317 blz., e 26,73

Voor de een is de Britse filosoof en ideeënhistoricus Isaiah Berlin (1909-1997) een hopeloze relativist, voor de ander een grote antirelativist. Tot op zekere hoogte is dat Berlins eigen schuld. Berlin bewoog zich op een groot aantal terreinen, maar nergens waagde hij zich aan een synthese of een magnum opus. Hoewel het in zijn werk niet ontbreekt aan enkele Leitmotive, heeft hij geen systematische doctrine geformuleerd. Niettemin vormen zijn essays over ideeëngeschiedenis, politieke theorie, geschiedfilosofie, analytische wijsbegeerte, Russische literatuur, de sociale wetenschappen en de geschiedenis van de Sovjet-Unie een samenhangend en inspirerend geheel.
‘Isaiah Berlin was a fundamentally unsystematic thinker’, schrijft Joshua L. Cherniss in zijn inleiding bij Political Ideas in the Romantic Age, het boek dat Berlin begin jaren vijftig schreef maar nooit voltooide. Het vormt de oertekst waaruit veel van zijn latere werk is afgeleid. Zelf duidde Berlin het manuscript aan als ‘de torso’, maar zijn onvermoeibare redacteur Henry Hardy, die vrijwel al zijn essaybundels heeft samengesteld en na zijn dood de ongepubliceerde teksten en correspondentie bezorgt, wijst erop dat die metafoor onjuist is. Wanneer deze tekst een torso zou zijn, zou het logisch zijn geweest dat Berlin hem in de veertig jaren erna had opgetuigd met allerlei ledematen. In plaats daarvan heeft hij er allerlei delen uit losgewrikt en omgewerkt tot zelfstandige publicaties.

De Poolse filosofe Beata Polanowska-Sygulska voegde aan haar eerdere publicatie over Berlin (Filozofia wolnosci Isaiaha Berlina, Krakau 1998) een essaybundel toe, aangevuld met correspondentie die ze tussen 1983 en 1997 met hem voerde. In haar artikel over de verschillende visies die Berlin en Friedrich Hayek hebben ontwikkeld op het begrip vrijheid, wijst Polanowska-Sygulska op het merkwaardige gegeven dat de wetenschappelijke aandacht voor Hayek veel geringer is dan die voor Berlin. En dat terwijl de beroemde Oostenrijkse econoom en politiek filosoof wél een systematisch oeuvre heeft geschreven en bovendien door zowel liberalen als conservatieven wordt geclaimd als intellectueel boegbeeld. Bij de vuistdikke, zorgvuldig gecomponeerde en soms meerdelige boeken van Hayek steken de ogenschijnlijk achteloze, wat sliertige essays van Berlin toch wat mager af.

Berlins bijdrage aan de politieke filosofie en de ideeëngeschiedenis bestaat vooral uit de gedachten die hij formuleerde over het begrip ‘negatieve vrijheid’ en de notie van het waardepluralisme. Onder negatieve vrijheid verstond Berlin de afwezigheid van dwang, de mate waarin de individuele burger beschikt over een privé-domein, waarin de staat niet mag interveniëren en het individu zelf zijn keuzes mag maken. Daarnaast is er ‘positieve vrijheid’, de vrijheid om zichzelf te ontplooien, om meester te zijn over zichzelf, om een ‘vol’ leven te leiden. De burger die door de overheid met rust wordt gelaten, die zelf kan bepalen hoe hij zijn leven inricht, maar die niet te eten heeft of die verslaafd is aan drank of porno, is volgens de theoretici van de positieve vrijheid niet echt vrij. Hij is immers het slachtoffer van de omstandigheden of de slaaf van zijn aandriften. Hij leidt geen vol leven.

Berlin heeft nooit ontkend dat negatieve vrijheid niet meer is dan een minimumeis, dat een positieve invulling van die vrijheid belangrijk is. Hij wees echter ook op het gevaar te definiëren hoe positieve vrijheid eruit moet zien. Wie bepaalt immers of een ander uit zijn leven haalt wat erin zit? Wanneer anderen bepalen hoe iemand zijn leven moet inrichten, wat blijft er dan over van zijn individuele vrijheid? Om misverstanden te voorkomen: Berlin zegt niet dat er nooit ingegrepen mag worden in het leven van een burger. Iemand die aan een psychische stoornis lijdt of die zwaar verslaafd is, moet soms ‘voor zijn eigen bestwil’ een behandeling ondergaan, ook als hij dat niet wil. Maar, zegt Berlin, noem dat dan geen vrijheid, maar wat het werkelijk is: dwang.

In haar bundel gaat Polanowska-Sygulska in op de vele haken en ogen die er aan Berlins opvatting van vrijheid zitten, en op de kritiek die erop is geleverd. Interessant zijn vooral de brieven die ze met hem wisselt. Wanneer ze doorvraagt naar aspecten van zijn werk die niet helemaal helder zijn, antwoordt hij vaak in de trant van ‘ik denk dat’ of zelfs ‘ik geloof dat ik denk dat…’ Het is kenmerkend voor zijn open, tastende manier van denken en schrijven. Alleen al op grond daarvan is hij moeilijk een antirelativist te noemen.

Dat geldt helemaal voor zijn opvattingen over het waardepluralisme. Waarden zijn volgens Berlin onvergelijkbaar en vaak ook onverenigbaar. Wat dat laatste betreft spreekt de eeuwige spanning tussen ‘vrijheid’ en ‘gelijkheid’ boekdelen. Met de onvergelijkbaarheid van waarden bedoelt Berlin dat er geen universele rangorde van waarden valt vast te stellen. In sommige culturen neemt bijvoorbeeld ‘eer’ een veel hogere plaats in dan ‘rechtvaardigheid’, terwijl dat in onze cultuur weer omgekeerd is. Ook binnen een samenleving zal niet iedereen dezelfde rangorde hanteren.

Toch is Berlin evenmin een relativist. Hij gelooft immers wel in het bestaan van een ‘minimum aan zo goed als universele waarden’. Er zijn tegenwoordig nog maar weinig voorstanders van slavernij, gaskamers of de plicht van kinderen hun ouders aan te geven wanneer zij zich kritisch uitlaten over het regime. Maar, zoals uit dit voorbeeld blijkt, ook deze bijna universele waarden zijn historisch gegroeid en dus niet onveranderlijk.

Als Berlin geen relativist en geen antirelativist genoemd kan worden, wat is hij dan? Heeft hij ons überhaupt wat te zeggen? Dat hangt natuurlijk af van wat je wilt horen. Voor de conservatieve ideoloog, die op zoek is naar een afgerond wereldbeeld dat een alternatief vormt voor de intellectuele verwarring die kenmerkend is voor de moderniteit, is Berlin een hopeloos geval. Op een vraag geeft hij zelden een eenduidig antwoord, meestal komt hij zelfs met twee nieuwe vragen. Wie zich daarentegen bewust is van de voortdurende veranderlijkheid van onze cultuur, van ons denken en zelfs van onze waarden, vindt bij Berlin veel wat de moeite waard is. Juist door zijn afkeer van systematiseren, door zijn essayistische aanpak, door zijn voortdurend rondjes draaien om dezelfde vraagstukken, biedt hij nieuwe inzichten en stimuleert hij tot zelf nadenken. Het is volgens mij geen toeval dat zijn ongeveer vijftig pagina’s tellende oratie Two Concepts of Liberty uit 1958 meer reacties oproept dan de duizenden pagina’s die de systeembouwer Hayek heeft volgeschreven.