Zelfbedrog en andere levensleugens

IRENE DISCHE
LIEFDES
Uit het Duits (Lieben, 2007) vertaald door Gerda Meijerink, Querido, 237 blz., € 19,95

De verhalenbundel Vrome leugens, waarmee de in New York geboren, maar vooral Duitstalig opgevoede Irene Dische (1953) twintig jaar geleden debuteerde, werd meteen een groot succes. Sinds 1977 woont zij voornamelijk in Duitsland. Vroom bedrog betekent ook in het Nederlands ‘goed bedoeld’, wat niets over de gevolgen zegt; ook de nieuwe verhalen in de bundel Liefdes draaien om vrome leugens. Echt slechte (dus intelligente) mensen komen er niet in voor; leugens om bestwil zijn er om angst te verhullen, dienen opportunisme, eigenbelang, of simpel om de eerste leugen recht te breien. In die zin is de leugen een noodzakelijk kwaad en zelfbedrog kan tot een adembenemende evenwichtskunst leiden. Een leugen kan dienen om erger te voorkomen, of om iemand er beter uit te laten zien dan hij is. Toevallig is dat ‘men’ bij Dische nogal eens een ‘hij’, zoals in Gevaren der schoonheid, waar een man constant bezig is met zijn score op de schaal van aantrekkelijkheid. In feite hanteert hij dezelfde maatstaf voor vrouwen als Frank in De ballade van de mooie Frank, die zich voor alle mensen die hij tegenkomt afvraagt welk nut een persoon voor hem kan hebben. Op het eind slaat hij, berooid, uit jaloezie een vriendin dood met een kiloblik bruine bonen. In de gevangenis hoopt hij nog even dat hij de hoofdrol krijgt in de televisiefilm over zijn daad. Helaas wordt het filmproject op de lange baan geschoven omdat er in de stad een andere moord plaatsvindt.
Vaker gaat het bij Dische om een ingewikkelder soort leugen, een die iemands hele leven bepaalt. Ibsen heeft het ooit als ‘levensleugen’ bestempeld, het ideaalbeeld dat iemand van zichzelf heeft – van anderen gekregen of zelf ontwikkeld. Naar dat verdraaide spiegelbeeld wordt een heel leven geplooid. Het kan ook een waan zijn die het gevolg is van een overdosis pech, zoals in het geval van de heer Metzner die denkt dat hij Adolf Hitler is. In 1944 werd hij in Rusland gevangen genomen. Na zijn vrijlating bleef hij in Moskou. Met zijn vrouw, een zangeres, woonde hij in een flat waar iedereen slachtoffer werd van een spionerende medebewoner. Zelfs na zijn dood bakte de spion nog iedereen een poets, maar de Duitser moest het bezuren. Het eind van het liedje, oftewel de kettingreactie van gebeurtenissen, was dat Metzner na terugkeer in Duitsland in 1960 gewoon kierewiet was. Slachtoffer van een wasechte levensleugen wordt de in Israël geboren Tsjerkes, een toneelspeler die zich Seozeres Bogart noemt. In Engeland laat hij zich door de ene vrouw onderhouden, de volgende schakelt hij in om een volledig mislukte carrière op te krikken. Hij neemt zelfs haar therapeut over. Om de man te kunnen betalen gaat hij op de markt groenten verkopen; hij heet dan simpel Jalal. Eind goed al goed, maar geleerd heeft hij niets. Dat geldt voor meer levensverhalen: ofwel komt er door een externe gebeurtenis een knik in iemands loopbaan, waarna alles anders is, of het leven wordt tot het einde toe bepaald door het verleden.
Volgens de indeling van de bundel lijkt de wereld op het eerste gezicht in orde. Eerst zijn er twaalf verhalen onder de noemer ‘Treurige afloop’, na een komisch bedoeld intermezzo ‘Nooit te laat om te liegen’ is er een reeks van twaalf die ‘Gelukkige afloop’ heet; dat alles besloten met een epiloog ‘Roze’. De indeling is niet schijnbaar overzichtelijk als zou de schrijver wel beter weten, wijst ook niet op een relativisme dat van van alles één pot nat maakt, maar is eerder de verwarring die ontstaat wanneer een kompas of barometer voor weegschaal wordt aangezien. In de eerste bundel was het de ironische stijl die de lezer op zijn hoede deed zijn, nu krijgt de lezer zelf meer kans om de verschuivingen en gedaanteveranderingen te volgen. De Duitse Romeo en Iraanse Julia die in Frankfurt trouwen zijn gelukkig, zeker met het vooruitzicht van een paradijselijk leven in Amerika. Helaas gooit de bureaucratie roet in het eten: voor haar geen visum omdat ze geen permanente verblijfsvergunning voor Duitsland heeft en pas twee weken getrouwd is. In de onbeheerde koffer op het vliegveld van New York wordt het lijk van een onbekende schoonheid gevonden en de bruidegom hangt zich in een hotelkamer op aan zijn nieuwe stropdassen. Het lot? Wel toevallig dat het de slachtoffers vaak treft in een ander land dan dat van herkomst. De slotzin van dat eerste verhaal in de reeks ‘Treurige afloop’: ‘Dit is een waar gebeurd verhaal, alleen de namen zijn veranderd.’
Dische’s verhalen laten mooi zien wat het verschil is tussen een gemengd bericht, dat er nogal eens aan ten grondslag lijkt te liggen, en de verwerking van zulke gegevens tot een verhaal. Er wordt niet een grotere geschiedenis samengevat, maar een gebeurtenis in de marge wordt door trefzekere details tot beknopt voorspel van een vertelling. De lezer kan die vervolgens zelf zo ingewikkeld maken als hij wil. Het is een hachelijk genre, omdat het verhaal een losse anekdote kan blijven, een ontknoping zonder kop of staart, een genrestukje. Lokaal nieuws heet het verhaal over de liefde van een moeder voor haar zoon die zo ver gaat dat zij zijn plaats inneemt wanneer een killer aanbelt die de zoon om een speelschuld komt martelen en doden. Het is het laatste verhaal van de afdeling ‘Gelukkige afloop’: met littekens, een pruik, kunsttanden en een oog minder leeft de moeder nog twaalf jaar met haar zoon onder één dak: ‘Ze heeft hem zijn gedrag nooit vergeven, omdat ze het hem nooit heeft kwalijk genomen. Ze hield van hem als een slechte zoon, en nu houdt ze evenveel van hem als een goede zoon, en hij weet het.’
‘Roze’, de epiloog, voor mij het beste verhaal uit de bundel, begint als volgt: ‘Renate haatte roze. Alleen het idee al – gedoe, aanstellerij, strikjes, ruches. haar leven lang heeft ze nooit iets rozes gedragen. Truttigheid was haar een gruwel, en ze stopte veel in die categorie, ook ballet. Dat ze unfair was, deed haar niets.’ Renate is de moeder van Irene in het vorige boek, Als zij begint te vertellen (2006), waarin Dische haar eigen leven laat bespreken door haar grootmoeder. Renate is de sterke vrouw, ook hier: op haar tachtigste besluit de kinderpathologe het kalm aan te gaan doen met werkdagen van acht uur. ‘Roze’ was een van haar laatste woorden, zozeer was Renate gesteld op het roze kussen dat zij tijdens haar ziekte van Irene had gekregen. En dat wordt zonder ironie verteld.