Het intergratiedebat is weer opgedoken

Zelfbeelden

Het heeft geen zin om het Nederlandse integratiebeleid opnieuw te bekijken en te zoeken naar ‘schuldigen’, meent Forum-directeur Ahmed Aboutaleb. Taalbeheersing en banen, daar gaat het om.

WORDT HET GEEN tijd dat de Tweede Kamer een parlementair onderzoek instelt naar het Nederlandse immigratiebeleid? Politici, commentatoren en woordvoerders van minderheden hebben al herhaaldelijk gevraagd om een onderzoek van bepaalde onderdelen van dit beleid. Paul Rosenmöller vroeg vorig jaar bij de Algemene Beschouwingen om een onderzoek naar het asielbeleid, toegespitst op de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Woordvoerders van andere partijen, zoals Hans Hillen (CDA) en Thom de Graaff (D66), en ook Hilbrand Nawijn, ex-directeur van de IND, steunden hem.


Een half jaar geleden eiste Forum, het invloedrijke ‘instituut voor multiculturele ontwikkeling’ in Utrecht, een parlementair onderzoek naar allochtone onderwijsachterstanden. Aanleiding was de rapportage van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Uit de SCP-cijfers blijkt dat de overheid jaarlijks een half miljard uitgeeft voor prestatieverbetering van allochtone kinderen — zonder aanwijsbaar resultaat. De kinderen zouden bij het verlaten van de school gemiddeld een taalachterstand van twee jaar hebben. Een Haagse onderzoekscommissie moet eindelijk eens de ‘zwakke schakels’ aanwijzen en ‘houtsnijdende aanbevelingen’ doen, aldus Forum.


Veel migratieproblemen hangen met elkaar samen, al is het maar omdat ze allemaal op een of andere wijze door Den Haag worden beïnvloed. Is het niet verstandig om het hele migratiebeleid sinds 1970 eens onder de loep te nemen? Dan kunnen foute uitgangspunten en ingeslopen beleidsfouten in de breedte worden geanalyseerd en gecorrigeerd. Sommige politici voelen misschien wel voor zo’n onderzoek. Maar moeten uitgerekend onze politici het uitvoeren, gezien het feit dat ze zelf niet vrijuit gaan? Zullen bepaalde kwesties niet overhaast worden getrancheerd, zoals de vraag of integratieproblemen voortkomen uit cultuurverschillen dan wel uit sociaal-economische ongelijkheid? En leidt zo’n onderzoek met bijbehorende publieke discussie niet tot verdere stigmatisering? Hetzelfde SCP concludeert immers óók dat een aanzienlijk deel van de allochtonen niet lijdt onder sociale achterstand en zich in cultureel opzicht niet van autochtonen onderscheidt?


‘Niet doen’, zegt Forum-directeur Ahmed Aboutaleb. ‘Zo’n onderzoek draait uit op het aanwijzen van schuldigen. Men heeft hier toch al de neiging in het verleden voornamelijk redenen voor excuses te zoeken. Bijna alle partijen en instanties die bij het migratiebeleid betrokken zijn geweest, waren te goeder trouw, ga daar maar vanuit. Het zoeken naar oorzaken werkt enkel vertekening in de hand. Het suggereert een eenduidige oorsprong van problemen die nu juist complex zijn.


Wat moeten we nou nog onderzoeken? We weten globaal hoe en waar migratiestromen ontstaan, hoe de instroom in de jaren tachtig en negentig tot stand kwam. De analysen zijn bekend. We weten ook dat integratie tijdrovend is en vaak niet af te dwingen. Er is hooguit onderzoek nodig op enkele deelgebieden, met name onderwijs. Forum wil uit het oerwoud van onderwijsconcepten nu eindelijk de goede boven tafel krijgen. En we willen weten waarom een allochtone leerling tweemaal zoveel moet kosten als een autochtone, terwijl veel van het extra geld wordt geïnvesteerd in verbouwingen, sportzalen, speeltoestellen en andere ongetwijfeld nuttige zaken, maar nu juist niet in de doelgroep. We willen resultaat zien en snel. We denken pragmatisch.’


Aboutaleb denkt dat hooguit één ander deelgebied onderwerp van een parlementair onderzoek zou kunnen zijn: werkgelegenheid. Aboutaleb: ‘Maar dat heeft geen prioriteit. Het aantal allochtonen dat we aan werk zouden kunnen helpen is omvangrijk, maar we hebben het grotendeels over mensen die — hoe triest het ook klinkt — te vergelijken zijn met uitgeperste sinaasappelen. Ze zijn opgebrand, zitten in de WAO of de ziektewet. Een kleinere groep is niet afgeschreven, maar die is getalsmatig en relatief minder belangrijk dan die tienduizenden schoolkinderen. En de toekomst van allochtone kinderen is niet alleen een probleem van allochtonen. Zij zijn de kostwinners van morgen. Het is ons aller probleem.’



DE ROTTERDAMSE socioloog Godfried Engbersen vindt een parlementair onderzoek niet wenselijk. Het is een ‘zwaar middel’ en hij begrijpt niet waarom de discussie over integratie zo hoog oploopt. Engbersen: ‘De positie van etnische minderheden verbetert juist. De werkloosheid onder Turken en Marokkanen is in een paar jaar gehalveerd. Misschien valt de vooruitgang niet op omdat de positie van de allochtonen ten opzichte van de autochtonen niet is verbeterd. Maar in principe hoeven we geen grote onderzoeken te doen naar deze problematiek. Het meeste is al bekend dankzij het SCP, dat de beste documentatie van alle Europese landen en misschien wel van de hele wereld verzorgt.


Ik zou wel onderzoek willen doen naar de effectiviteit van beleid op bepaalde terreinen. Op de oudste en grootste groepen — zoals Turken en Marokkanen — hebben we zicht, maar niet op nieuwkomers. Daar vindt fragmentatie plaats. Er is sprake van allerlei groepen en stromen. Ten eerste de asielzoekers, al dan niet uitgeprocedeerd. Ten tweede de pendelmigranten, vooral uit Midden- en Oost-Europa. Ten derde de illegale migranten. Van een aantal groepen weten we vrijwel niets. Daarom hebben we geen bestuurlijke greep op sommige onderwijsproblemen of op de groep uitgeprocedeerde asielzoekers — van de laatsten willen we zelfs officieel niets weten.


De gebrekkige integratie van sommige groepen is niet te wijten aan cultuurverschillen. Er bestaat hier geen “donkere onderklasse” zoals wel wordt beweerd. Dat is een Amerikaans begrip dat slaat op zwarte getto’s zonder werk, scholen en publieke voorzieningen. In Nederland is wel sprake van een crisis in de publieke instellingen die onze politici zich gezamenlijk mogen aantrekken. Door de verwaarlozing van die instellingen is het integratievermogen van onze welvaartsstaat uitgehold. Dat wreekt zich vooral in het onderwijs, omdat het een steeds belangrijker functie vervult in onze samenleving.


Taalbeheersing is een essentiële voorwaarde om op de postindustriële arbeidsmarkt overeind te kunnen blijven. We zien nu een kwaliteitsverarming in het onderwijs, terwijl de postindustriële samenleving steeds hogere eisen stelt aan kennis en taalvaardigheid. De vergelijking met Frankrijk is leerzaam. Daar voert men een strikt immigratiebeleid in combinatie met verplichte aanpassing aan de dominante cultuur zoals sommigen in Nederland willen invoeren. Toch zie je in de banlieues dezelfde integratieproblemen, omdat ook in Frankrijk die kwaliteitsverarming heeft toegeslagen.’



RINUS PENNINX, migratie-hoogleraar in Leiden en al dertig jaar betrokken bij wetenschappelijk onderzoek op dit terrein, vindt een parlementair onderzoek zinvol mits het niet wordt beperkt tot onze landsgrenzen. Penninx: ‘Het mag niet worden versmald tot de zogenaamde integratiediscussie. Dat onderwerp wordt telkens herontdekt door mensen met een selectieve waarneming. Die beginnen om de zoveel jaar te praten over het “failliet” van ons integratiebeleid.’


Het lijkt inderdaad alsof de urgentie van sommige problemen er telkens toe leidt dat alles op één hoop wordt gegooid. Zo blijkt uit de cijfers van — alweer — het SCP, dat de mate van integratie niets zegt over schoolsucces. Je kunt je afvragen of het telkens oplaaiende integratiedebat eigenlijk wel wordt gevoed door reële ontwikkelingen. Penninx: ‘Er heerst een eenzijdige retoriek rond dat onderwerp, gevoed door het gevoel dat de Nederlandse samenleving op een of andere wijze wordt bedreigd, maar de opwinding betreft eigenlijk alleen het cultureel-symbolische bereik. Vervolgens eist men van nieuwkomers bepaalde vormen van aanpassing alsof die binnen een jaar te regelen zijn. Vaak heeft men geen idee wat migranten allemaal overkomt zodra ze in de Nederlandse welvaartssamenleving terechtkomen. Een onderzoek daarnaar zou werkelijk nuttig zijn; ik denk dan vooral aan een systematisch onderzoek naar biografieën van asielzoekers.


Maar het belangrijkste probleem kennen we langzamerhand wel. We hebben een restrictief en defensief toelatingsbeleid dat tot absurditeiten leidt. Hoewel we heel goed weten waar en hoe migratiestromen worden gegenereerd, treden we niet pro-actief op door bepaalde mechanismen tijdig om te buigen. We handelen pas als mensen over de grens komen of de vliegtuigtrap afdalen. Vervolgens houden we ze twee, drie jaar in een procedure, terwijl ze nutteloos en werkeloos moeten afwachten. Dat is een open gevangenis. De mensen die daar uitkomen, zijn niet voorbereid op enige vorm van aanpassing.


De Kamer heeft zelf die centrale opvang gewild. Men wilde niet dat Nederland als migratieland “aantrekkelijk” werd, dat we het “afvoerputje” van Europa werden, zoals Bolkestein het uitdrukte. Nu zit men met de handen in het haar. Er zijn betere manieren om met migratie om te gaan. Om te beginnen moeten we erkennen dat Nederland een migratieland is, of we willen of niet. Dus moeten we die onvermijdelijke migratie veel beter benutten dan we nu doen, het potentieel ervan inzien in plaats van de bedreiging.


Ten tweede moeten we beseffen dat integratie vooral wordt belemmerd door sociaal-economische onevenwichtigheden, niet door culturele verschillen. Het onderwijs in de eigen taal en cultuur is allang geen issue meer, dat wordt nauwelijks nog toegepast. De belangrijkste stimulans voor integratie is dat mensen zelfstandig in hun onderhoud kunnen voorzien. Denk aan de eerste gastarbeiders die perfect in het arbeidssysteem werden geïntegreerd hoewel ze geen Nederlands spraken. Natuurlijk is taal belangrijk, maar we mogen blij zijn dat onze economie er goed voorstaat en de werkgelegenheid van migranten aantrekt. Een paar jaar geleden was ik veel pessimistischer gestemd.’



ÉÉN GETUIGE-DESKUNDIGE hoeft de commissie alvast niet op te roepen: Brahim Bourzik, gemeenteraadslid voor GroenLinks in Rotterdam en directeur van de Migrantenomroep Rotterdam. Bourzik: ‘Wat is er voor nieuws onder de zon? Ik heb niks tegen onderzoek op zichzelf, maar wij onderzoeken een beetje te veel in dit land. Er wordt al sinds 1986 onderzoek gedaan. Het probleem zit in de ivoren torens, bij mensen die steeds weer dezelfde vragen stellen omdat ze niet willen weten hoe het zit. Problemen rond integratie zijn geen kwestie van culturele identiteit, zoals zij altijd weer denken, maar een sociaal-economische kwestie. En in de allereerste plaats een kwestie van werk. Alles begint bij het hebben van een baan. Die heb je nodig voor de regelmaat in je leven, voor je zelfstandigheid, je keuzevrijheid en je zelfrespect. Zolang allochtonen niet economisch zelfstandig zijn, ontstaan er problemen. Wie honger heeft, denkt met zijn buik.’


Bourzik werkte vijf jaar bij het Jouw Projekt van de stichting Humanitas waar hij hulp verleende aan allochtone jongeren. ‘Om ze zelfstandig te maken’, beklemtoont hij. ‘Ik wees ze op hun mogelijkheden, ze moesten het zelf doen. Dat is heel succesvol gebleken. Op die weg moeten we voortgaan, de migranten in dit land moeten zelf hun draai vinden. Den Haag onderzoekt maar; ik doe niet meer mee. Jaren geleden hebben we rondetafelgesprekken gehad met minister Dijkstal van Binnenlandse Zaken; daar is niets uitgekomen. Bekijk het maar, dacht ik. Ik had geen zin meer om in discussie te gaan met Radio Rijnmond die per jaar vijf miljoen subsidie krijgt en veertig journalisten in dienst heeft van wie er niet één allochtoon is. Ik heb mijn eigen omroep opgericht.’


Bourzik is niet de enige allochtoon die alleen al door zijn sociale status buiten de gangbare definitie van ‘minderheid’ en dus buiten alle onderzoeken en melodramatische integratiedebatten valt. ‘De besten stromen altijd snel door’, zegt Penninx, ‘maar er zijn grote verschillen per sector. Het aantal migranten in de Tweede Kamer is nu elf, dat is ongeveer acht procent. In de deelraad Amsterdam-Oost zit er sinds de jongste verkiezing maar één.’ Zulke verschillen zijn eveneens de moeite van het onderzoeken waard. Hoe komt het dat migranten zo weinig doordringen in spraakmakende beroepen zoals de journalistiek? Ook hier bestaan — afgezien van de bekende mechanismen van discriminatie — onvermoede samenhangen met het Haagse beleid.


‘Een debat over integratie kan goed uitpakken, vooral voor allochtonen zelf, zolang het niet wordt gedomineerd door hun zelforganisaties. Dan zal ook blijken waarom er zo weinig allochtone journalisten zijn’, aldus Ahmet Olgun, sterreporter van Nieuwe Revu en auteur van De Contouren van het Nederlands Getto (1996). Olgun: ‘Die organisaties zijn zelf de grootste sta-in-de-weg voor integratie. De bevoogding door de Nederlandse subsidiegever maakt ze afhankelijk en in zichzelf gekeerd. Het resultaat zie je in de politiek waar allochtonen alleen bestaansrecht hebben als allochtoon.


Er lopen veel allochtonen rond die zich journalist noemen, maar in werkelijkheid een spreekbuis zijn van zelforganisaties. Ze hebben de mentaliteit van belangenbehartigers. Maar een goede journalist is kritisch, niet volgzaam. Als jonge allochtonen zich zelfstandig opstellen, krijgen ze van de organisatie te horen: “Sorry, we besteden het geld aan iemand anders.” Hetzelfde geldt voor de overheid. Probeer als allochtoon maar eens een blad op te zetten. Om startsubsidie te krijgen hoef je niet te bewijzen dat je goed bent, alleen dat je anders bent.


De Nederlandse Vereniging van Journalisten heeft een project opgezet waarbij dagbladen twee jaar lang subsidie kregen om een allochtoon in dienst te nemen, in de hoop dat er een paar bleven hangen. Niet één heeft het overleefd. De deelnemers waren voor een deel niet eens opgeleide journalisten, maar mensen die bij Albert Heijn achter de kassa waren weggeplukt. Als je voortaan als allochtoon solliciteert bij de Volkskrant, word je met wantrouwen bejegend. Zo is ook de denktrant van de meeste zelforganisaties. Ze zijn een subsidiecircus. De directeuren vertegenwoordigen bijna niemand, die zijn bekender bij de Nederlandse media dan bij hun eigen achterban.’



ABOUTALEB VOELT ZICH niet aangesproken, al vindt hij de vraag naar de rol van zelforganisaties wel relevant. Aboutaleb: ‘Er is in allochtone kring misschien te weinig gepraat over eigen verantwoordelijkheid. Men had de neiging te roepen en te schoppen tegen de grote container van de overheid, alsof daar alle zegen vandaan kwam. En misschien hebben zelforganisaties te veel rustgevende signalen uitgezonden, al moet ik daarbij aantekenen dat zij net zo min als de overheid precies wisten hoe het moest. Daar staat tegenover dat zelforganisaties ook heel succesvol zijn geweest. Uit onderzoek blijkt dat Turken in Amsterdam een hechte organisatie hebben opgebouwd die hun integratie bevordert. Ze kunnen tegelijk de problemen in hun eigen gemeenschap aanpakken en beter participeren in de samenleving. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat hun opkomst bij verkiezingen tegenwoordig groter is dan die van autochtonen.’


Hoe dan ook, als het ervan komt, mag in het parlementair onderzoek één thema zeker niet ontbreken: de periodieke commotie rond migranten. ‘Waarschijnlijk moeten we het meest van al wennen aan de visuele effecten van migratie’, meent Engbersen. ‘We zijn geen blanke natie meer. Allerlei instituties zullen mee moeten veranderen. We moeten daarbij nauwkeurig onderscheid maken tussen verschillende integratieniveaus. Er is het niveau van arbeid en onderwijs waarvoor we goed beleid moeten ontwikkelen. Daarnaast is er het normatieve niveau, waarop we niet zomaar kunnen onderhandelen; dat betekent dat politieagenten geen hoofddoekjes mogen dragen, want het gezag gaat uniform gekleed. En er is het expressie-niveau, waarop mensen in alle vrijheid Arabisch spreken of hun godsdienst belijden. Dat hoort erbij nu we een migratieland zijn. Een deel van de opwinding ontstaat doordat we als natie ons zelfbeeld moeten veranderen.’