Zelfbevlekking met inkt

ROBERT CRUMB
ROBERT CRUMB’S SEX OBSESSIONS
Taschen, 258 blz., € 500,-

Robert Crumb is een vies klein mannetje. Althans, in de strips waarin hij zelf de hoofdrol speelt. Vermomd als baby laat de peetvader van de underground zich bemoederen door een Duitse schone met gespierde benen, billen als zwerfkeien en de borsten van een bepaald soort pornoactrice. Daar wordt de bebrilde en besnorde spruit zó geil van dat hij haar de eigen laars in het gezicht duwt – een fetisj van de kunstenaar – en letterlijk wezenloos vingert. Een allegorie, aldus de tekenaar. Een verknipte samenballing van liefde, haat en wederzijdse onderwerping, denkt de lezer. Die niettemin – of wellicht juist daarom – blijft lezen en lezen.

Seks, verklaart Crumb in zijn prijzige Taschen-uitgave Sex Obsessions, is een duister moeras, ‘een verknoopte wildgroei van lust en schaamte, waar overheersing en onderwerping koken en borrelen, het leven schenkend aan een eindeloze variëteit aan seksuele critters, wezens en ondersoorten’. Het in het boek verzamelde erotische werk getuigt van zijn complexe relatie met vrouwen: hij wil ze, maar kan ze niet krijgen; hij haat ze, verafgoodt ze en wil ze veroveren; hij is totaal van ze bezeten. In het stripuniversum kan hij die bezetenheid omzetten in daden. Vrouwen zijn voor Crumb een woeste oerkracht, met forse, atletische lichamen waarop kleine hoofden zijn gemonteerd, soms voorzien van een vogelbek met haaientanden. Mannen zijn kwetsbaar en hebben meer hoofd dan lijf. En ja, disproportioneel grote geslachtsorganen. Slechts door hun handigheid en onbeheersbare aandrang weten ze sporadisch de overhand te krijgen in de oorlog tussen de seksen.

Een doorsnee figuur is Crumb nooit geweest. ‘Ik werd opgevoed tot christen’, zegt hij, ‘maar op de een of andere manier heeft de Duivel me te pakken gekregen.’ Vader Crumb was een marinier die zijn handen niet thuis kon houden, moeder was een godvrezende amfetaminejunk. Het was geen intellectueel of artistiek milieu, maar broer Charles enthousiasmeerde Robert al snel voor strips. Ze waren outsiders – Charles zou later depressief worden, zich niet meer wassen, vergroeien met huis en moeder, en zelfmoord plegen –, volledig doordrenkt van ‘lagere cultuur’.

In de jaren zestig en zeventig dompelde Crumb zich onder in lsd. In zijn tweedjasje en met ouwelijke hoed op bleef hij de outsider, de nerd, de ‘gevoelige artiest’, die meer op een beatnik leek dan op een hippie. Hij verwierf in die periode ondergrondse faam met Fritz the Cat en Mr. Natural, figuren die net als hun schepper niet vies waren van vrouwenvlees. Zijn Zap Comix was volgens schrijver Ian Buruma voor de comic even belangwekkend als Sgt. Pepper’s voor de muziek was; zijn lijfspreuk ‘Keep on truckin’’ nam dezelfde vlucht als ‘hé, lullo, heb je nog geneukt’ – keer tien.

Sinds die beginjaren is Crumb doorgebroken naar de bovenwereld. Terry Zwigoff maakte een prijswinnende documentaire over hem, terwijl hij in de Harvey Pekar-verfilming American Splendor een belangrijk bijfiguur was. Zijn tekenwerk sierde de muren van diverse gezaghebbende musea. ‘De Brueghel van de tweede helft van de twintigste eeuw’, zo typeerde kunstcriticus Robert Hughes hem. Omdat Crumb, net als die schilder, zou putten uit ‘de wellust, het lijden, de krankzinnige menselijkheid’. Het was een statement waarvan Crumb door middel van een satirisch zelfportret direct afstand nam. ‘Broigel I ain’t!’ aldus een broddelende schilder, waarin we de tekenaar herkennen.

In Robert Crumb’s Handbook, nog zo’n lijvige uitgave, neemt Crumb dankbaar de hoed af voor _Mad-_bedenker Harvey Kurtzman, maar vooral ook voor zijn broer Charles en echtgenote Aline Kaminski. Van de kunstenaars met een hoofdletter K ziet hij verwantschap met voor de hand liggende figuren als Bosch, Rubens en Goya, maar ook met Hopper, Van Gogh en George Grosz. Ian Buruma hamerde in een essay op Crumbs connectie met de laatste: een satiricus die zijn penseel ‘gebruikte als stiletto’, net als Crumb van welgevormde vrouwenderrières hield en de pornografie niet schuwde. Maar er is een verschil: Grosz’ porno had een dubbele laag – wellustig, ja, maar ook ontmenselijkend en afstotend. Crumb is volledig oprecht in zijn ‘verknipte’ hitsigheid.

De tekenaar woont inmiddels alweer jaren in Frankrijk, waar hij in relatieve rust de familieman uithangt. Gedurende die langdurige retraite is hij technisch ‘beter’ gaan tekenen: een vloeiendere lijnvoering, grotere detaillering, met minder schommeling in kwaliteit. Dat is niet altijd een zegen, zo bleek bij zijn recente verstripping van Kafka: het spontane en rafelige van zijn vroege jaren werd node gemist. Het werk in Sex Obsessions is daarbij vergeleken een verademing.

Crumbs erotische tekeningen kunnen op vele manieren geïnterpreteerd worden. Op de ene pagina stampen superheldinnen manvolk tot bloederige moes, op de andere pompt Koning Crumb het achterwerk van de zoveelste dame vol zaad. Je zou het kunnen wegzetten als politiek incorrect gerampetamp of zelfbevlekking met inkt (iets waartegen Crumb geen bezwaar zal aantekenen). Wie kwaad wil zien leest er agressie in jegens onbereikbare vrouwen. Die verkiezen, de eigen zachtaardigheid ten spijt, steeds weer de klootzak boven de gevoelige artiest, zoals Crumb mort in My Trouble with Women, Part II. Maar je zou het ook kunnen zien als een burleske show, bedoeld om op onderbuikniveau te vermaken. En zelfs – en dat is de meest interessante benadering – als een aandoenlijke, goudeerlijke poging de seksuele demonen in elk (mannen)hoofd uit de taboesfeer te halen. De discussie over Crumbs werk heeft zich regelmatig toegespitst op de vraag: is dit kunst of is dit vunzigheid? Na het lezen van Sex Obsessions moet de conclusie luiden: het is allebei.